Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9378

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
C/13/624948 / JE RK 17-223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gerechtelijke vaststelling ouderschap, wijziging gezag, geslachtsnaam en tijdelijke voogdij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

zaak- en rekestnummer: C13/626687 / FA RK 17-2170

C/13/627765 / FA RK 17-2634

C/13/629484 / JE RK 17-556

datum uitspraak: 29 september 2017

beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gerechtelijke vaststelling ouderschap, wijziging gezag, geslachtsnaam en tijdelijke voogdij


in de zaken met zaak- en rekestnummers C/13/627765 / FA RK 17-2634 en C/13/626687 / FA RK 17-2170:

[de man] , hierna te noemen de man,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld te Haarlem,

tegen

[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

niet verschenen.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna de WSS,

mr. L. Scheffer,

kantoorhoudende te Amsterdam,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over na te noemen minderjarige,

hierna te noemen de bijzondere curator,

als advocaat voor zichzelf verschijnende.

in de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/629484 / JE RK 17-556:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam,

verzoeker,

tegen

de man en de vrouw voornoemd.

Het verdere procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

Bij beschikking van 1 juni 2017 is de WSS voor de duur van vier maanden, derhalve tot 1 oktober 2017, tot voogd benoemd over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en zijn de overige verzoeken aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

Nadien is ter griffie van de rechtbank ingekomen:

  • -

    een brief van de zijde van de man, ingekomen per fax op 6 juni 2017;

  • -

    een tweetal brieven van de bijzondere curator, ingekomen per fax op 6 juni 2017 en 7 juni 2017;

  • -

    een brief van de zijde van de man, houdende reactie op het rapport van de bijzondere curator, ingekomen op 20 juni 2017;

  • -

    een brief met bijlagen van de zijde van de man, ingekomen op 11 september 2017.

Op 19 september 2017 heeft de nadere behandeling ter terechtzitting met gesloten deuren plaatsgevonden.

Tijdens deze behandeling zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door een tolk Servisch Kroatisch en zijn advocaat;

  • -

    [medewerker van de Raad] namens de Raad;

  • -

    [medewerker WSS] namens de WSS;

  • -

    de bijzondere curator.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Na de zitting is, zoals afgesproken, ter griffie van de rechtbank op 22 september 2017 ingekomen een verzoekschrift van de Raad tot verlenging van de tijdelijke voogdij.

De verzoeken

De rechtbank dient thans nog een beslissing te nemen op de volgende verzoeken.

De Raad heeft verzocht de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] ,

[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , hierna te noemen [minderjarige 4] ,

onder toezicht te stellen van de WSS voor de duur van twaalf maanden.

Voorts heeft de Raad verzocht de tijdelijke voogdij over de kinderen te verlengen met ingang van 1 oktober 2017.

De man heeft verzocht hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten, waarvan aantekening in het gezagsregister, alsmede te bepalen dat zij de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zullen krijgen/behouden.

Hij heeft voorts verzocht hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage te gelasten de geboorteakte met deze latere vermelding in te schrijven in het geboorteregister en het gezagsregister te wijzigen, alsmede te bepalen dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast en hun geslachtsnaam te wijzigen in [geslachtsnaam] .

Bij wijze van aanvullend verzoek heeft de man verzocht zijn vaderschap vast te stellen ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .

De bijzondere curator heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de man tot vervangende toestemming erkenning moet worden afgewezen, nu daarvoor ingevolge het Kroatische recht de toestemming van de moeder nodig is, welke niet kan worden vervangen door die van de rechtbank. De bijzondere curator heeft een zelfstandig verzoek ingediend tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , op de voorwaarde dat uit het DNA-onderzoek blijkt dat hij de verwekker is van de kinderen.

De verdere beoordeling

Erkenning [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

De rechtbank stelt voorop dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] reeds zijn erkend door de man. Ten aanzien van [minderjarige 1] staat op haar geboorteakte vermeld dat de man haar heeft erkend te [geboorteplaats] op [datum] . De man heeft gesteld dat de vrouw hem toestemming heeft gegeven tot erkenning over te gaan. Blijkens de geboorteakte en het bericht van de ambtenaar van de burgerlijke stand te [plaats] , [land] , is [minderjarige 2] naar Nederlands recht en met toestemming van de vrouw erkend door de man. De afstamming staat reeds vanaf haar geboorte vast.

De rechtbank zal overeenkomstig artikel 10:101 BW de erkenning door de man van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hier erkennen, nu hiervan een akte is opgemaakt en niet is gebleken dat is voldaan aan een van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10:101 lid 2 BW.

Nu de man door de erkenning de juridische ouder is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hebben zij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkregen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 en 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Vervangende toestemming erkenning [minderjarige 3] en [minderjarige 4]

Uit hetgeen de bijzondere curator en de man naar voren hebben gebracht, leidt de rechtbank af dat voor de erkenning naar Kroatisch recht de toestemming van de moeder nodig is. Niet gebleken is dat deze toestemming door een rechterlijke beslissing kan worden vervangen. Gelet hierop zal het verzoek van de man hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te erkennen, worden afgewezen.

Gerechtelijke vaststelling ouderschap (vaderschap) [minderjarige 3] en [minderjarige 4]

De man heeft zijn verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap over de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ter zitting ingetrokken, nu hij niet de mogelijkheid heeft een dergelijk verzoek te doen. Ter beoordeling staat dan enkel nog het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man.

Ingevolge artikel 10:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld in dit geval bepaald door het Nederlandse recht, zijnde het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .

Het verzoek is gegrond op artikel 1:207 BW.

Vast staat dat een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden tussen de man enerzijds en de vier kinderen anderzijds. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden bij [bedrijf] te [plaats] . Gebleken is dat betrokkenen zich hebben geïdentificeerd in aanwezigheid van [voogd] , voogd van de WSS, en [hulpverlener] , hulpverlener van het Leger des Heils, dat zij tevens het DNA-materiaal hebben verzameld en opgestuurd en dat aan hen het resultaat is toegezonden. Hiermee is voldaan aan de aan dit onderzoek te stellen eisen. De conclusie uit het onderzoek is dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van alle vier de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende komen vast te staan dat de man de verwekker is van de kinderen. Dit brengt mee dat het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zal worden toegewezen.

De rechtbank merkt op dat [minderjarige 4] buiten Nederland is geboren. Om die reden zal zijn wettelijke vertegenwoordiger de geboorteakte ten aanzien van deze persoon eerst moeten laten inschrijven in het register van geboorten van de gemeente ’s‑Gravenhage. Nadat de in deze te geven beschikking in kracht van gewijsde is gegaan kan de ambtenaar een latere vermelding toevoegen aan de geboorteakte. De rechtbank verwijst naar artikel 1:25 BW. Dit artikel biedt niet de mogelijkheid aan de rechtbank de inschrijving van de geboorteakte te gelasten, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

Geslachtsnaam kinderen

Met betrekking tot het verzoek van de man te bepalen dat de kinderen de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zullen hebben, zal de rechtbank eerst vaststellen welk recht van toepassing is op de geslachtsnaam van de kinderen.

Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Nederlandse nationaliteit hebben, wordt hun geslachtsnaam – ongeacht of zij nog een andere nationaliteit hebben – ingevolge artikel 10:20 BW bepaald door het Nederlandse recht.

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] als gevolg van de vaststelling van het ouderschap van de man op grond van artikel 4 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap van rechtswege de Nederlandse nationaliteit zullen verkrijgen op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie.

In artikel 10:19 BW is bepaald dat de geslachtsnaam van een vreemdeling wordt bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit. De rechtbank gaat er van uit dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] thans de Kroatische nationaliteit hebben, zodat het Kroatische recht van toepassing is op hun geslachtsnaam. Het Kroatische recht bepaalt in artikel 3 van de Wet op de persoonlijke naam dat de ouders voor hun kind de naam van één van de ouders of van hen beiden kunnen kiezen. De vader van een kind is degene – voor zover hier van belang – die het kind heeft erkend of ten aanzien van wie het vaderschap gerechtelijk is vastgesteld. Dit betekent dat de man pas als ouder van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] heeft te gelden op het moment dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan en zij derhalve pas vanaf dat moment zijn naam kunnen dragen. Op dat moment verkrijgen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] echter van rechtswege de Nederlandse nationaliteit, zodat op grond van artikel 10:20 BW hun geslachtsnaam dan eveneens wordt beheerst door het Nederlandse recht.

In artikel 1:5 lid 2 BW is bepaald dat een kind dat door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de moeder en de erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Indien een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. In het achtste lid van dit artikel is voorts bepaald dat een verklaring van de ouders slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van het eerste kind kan worden afgelegd. De volgende kinderen van dezelfde ouders hebben dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind.

Dit brengt mee dat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de geslachtsnaam van [minderjarige 1] volgen, te weten [geslachtsnaam] . Dat [minderjarige 2] thans de naam [geslachtsnaam] zou hebben en dat de man wenst dat alle kinderen deze (zelfde) geslachtsnaam hebben, maakt dit niet anders. Wijziging van de geslachtsnaam kan dan enkel plaatsvinden door de Koning, zoals volgt uit artikel 1:7 BW. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen afwijzen.

Gezag en tijdelijke voogdij

De rechtbank dient eerst vast te stellen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wie van de ouders van rechtswege met het gezag is belast over de kinderen. In artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is bepaald dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar een andere staat, blijft de bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan.

Uit de gedingstukken maakt de rechtbank op dat de ouders met deze kinderen een zwervend bestaan hebben geleid, totdat de man zich met de kinderen in 2013 in Nederland heeft gevestigd. Onduidelijk is waar de gewone verblijfplaats van de kinderen daarvoor was gelegen en welke gevolgen dit heeft gehad voor het van rechtswege ontstaan van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Zoals reeds overwogen in de beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2017, gaat de rechtbank er van uit dat in ieder geval de vrouw met het gezag over deze kinderen is belast.

De rechtbank overweegt ten aanzien van alle kinderen dat de vrouw al langere tijd afwezig is en niet is betrokken bij het leven van de kinderen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat haar gezag van rechtswege is geschorst op grond van artikel 1:253q jo. 1:253r BW en dat de WSS met de tijdelijke voogdij is belast. Gebleken is dat de man sinds 2013 de volledige verzorging en opvoeding van de kinderen op zich neemt. Hij accepteert de hulpverlening en komt alle gemaakte afspraken na. Het gaat goed met de kinderen bij de man. Op grond van deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat de man voortaan alleen het gezag uitoefent over de kinderen.

Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] overweegt de rechtbank voorts dat de man naar Nederlands recht pas tot het gezag bevoegd is, indien hij de juridische ouder is. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de man met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast onder de opschortende voorwaarde dat de gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan. Nu in de tussentijd geen uitvoering wordt gegeven door de vrouw aan haar gezag, zal de rechtbank bepalen dat de tijdelijke voogdij van de WSS over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zal worden voortgezet totdat de man met het gezag is belast.

De griffier zal deze beslissingen omtrent het gezag over de kinderen aantekenen in het gezagsregister.

Ondertoezichtstelling

De Raad heeft ter zitting haar verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen ingetrokken, zodat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer hoeft te nemen. De rechtbank beschouwt de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/629484 / JE RK 17-556 hiermee als afgedaan.

De beslissing


De kinderrechter:

- stelt vast het ouderschap van de man:

[de man] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
wonende te [woonplaats] ,

ten aanzien van:

- [minderjarige 3] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009;

- [minderjarige 4] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 2013,

- draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage;

- belast de man met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 2005;

- [minderjarige 2] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 2007,

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

- belast de man – onder de opschortende voorwaarde dat de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap (vaderschap) van de man in kracht van gewijsde is gegaan – met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009;

- [minderjarige 4] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 2013,

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

- benoemt, totdat de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man in kracht van gewijsde is gegaan en daarmee aan de opschortende voorwaarde ten aanzien van het gezag is voldaan, over de minderjarigen

- [minderjarige 3] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009;

- [minderjarige 4] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 2013,

tot voogd

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam;

- verklaart de beslissing met betrekking tot het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de tijdelijke voogdij over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.C de Wit , kinderrechter, in tegenwoordigheid van T. Jelierse als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam