Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9376

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
C/13/627848 / FA RK 17-2663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ES. Raadsonderzoek hvp en zorgregeling, mede ivm mogelijk vertrek van de vrouw met kinderen naar België zonder toestemming man. Partijen zijn in Marokkaanse huwelijksakte overeengekomen dat man bruidsgave is verschuldigd aan de vrouw. Is opeisbaar naar Marokkaans recht (art. 32 Mud). Niet komen vast te staan dat man bruidsgave reeds heeft voldaan. Man veroordeeld tot betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/627848 / FA RK 17-2663

Beschikking d.d. 8 december 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam] ,

blijkens de huwelijksakte: [naam] ,

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. E. El Assrouti, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[naam] ,

blijkens de huwelijksakte: [naam] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.M.A. Appelman, gevestigd te Amsterdam,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 24 april 2017;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 8 juni 2017;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, ingekomen op 20 juni 2017.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 november 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. S. Maachi en de man, bijgestaan door mr. Appelman.

1.3.

De minderjarigen [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] op het Marokkaanse Consulaat-generaal te Amsterdam. De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [kind 1] , geboren op [datum] te [plaats] ,

- [kind 2] , geboren op [datum] te [plaats] ,

- [kind 3] , geboren op [datum] te [plaats] en

- [kind 4] , geboren op [datum] te [plaats] .

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 oktober 2017 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de man een bedrag van € 50,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, is een informatieregeling vastgesteld en is de volgende zorgregeling tussen de man en [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] vastgesteld met ingang van 7 oktober 2017:

  • -

    de eerste drie maanden: de man haalt de kinderen eenmaal per twee weken op zaterdag om 14.00 uur op in [plaats] op het busstation en brengt hen daar om 17.00 uur weer terug;

  • -

    na deze drie maanden: de man haalt de kinderen eenmaal per twee weken op zaterdag om 14.00 uur op in [plaats] op het busstation en brengt hen daar op zondag om 14.00 uur weer terug.

2.4.

Scheiding

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

2.4.2.

Nu vóór de indiening van het verzoekschrift de laatste gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond en ten minste één van hen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog steeds in Nederland verbleef, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.4.3.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

2.4.4.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat de relatie tussen partijen is verstoord. Er is sprake geweest van huiselijk geweld en door de spanningen zijn partijen niet in staat met elkaar te communiceren. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.4.5.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.4.6.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.5.

Verblijfplaats en verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

Nu de laatst bekende gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

2.5.2.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn. Zij acht de bij voorlopige voorzieningen bepaalde zorgregeling, in die zin dat na verloop van drie maanden de man de kinderen eenmaal per twee weken op zaterdag om 14.00 uur ophaalt in [plaats] op het busstation en brengt hen daar op zondag om 14.00 uur weer terug.

2.5.3.

De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn. Subsidiair heeft hij verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen. Hij verzoekt te bepalen dat de kinderen iedere week, althans meer subsidiair om de week, van vrijdag na schooltijd tot zondagavond bij hem zullen zijn, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, dan wel een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van de kinderen acht.

2.5.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw is met de kinderen uit de echtelijke woning vertrokken en woont sindsdien op een geheim adres. Vanwege haar vertrek is de betrokkenheid van de gezamenlijke hulpverlening aan partijen beëindigd. Onduidelijk is waar de vrouw en kinderen thans verblijven en hoe de thuissituatie is. Vast staat dat de vrouw geen verblijfsvergunning heeft. De man heeft het vermoeden dat de vrouw daarom in [land] verblijft. Dat idee wordt versterkt nu de overdracht van de kinderen vlakbij de [grens] plaatsvindt. In het geval dat de vrouw met de kinderen in [land] woont, heeft zij de kinderen zonder zijn toestemming meegenomen naar het buitenland, aldus de man.

Volgens de vrouw is in het verleden sprake geweest van huiselijk geweld en heeft de man zich ook jegens [kind 1] agressief gedragen, hetgeen er toe heeft geleid dat zij – met toestemming van instanties – is verhuisd. De man heeft het gestelde huiselijk geweld betwist. Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en de zorgen die zij over en weer hebben geuit, acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling te nemen die passend en in het belang van de kinderen is. Om die reden zal de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzoeken onderzoek te doen.

2.5.5.

Teneinde de rechtbank te adviseren dienen de volgende vragen in het onderzoek te worden betrokken:

  • -

    Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van de minderjarigen?

  • -

    Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders?

  • -

    Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit de minderjarigen en welke vanuit de ouders? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?

  • -

    Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van de minderjarigen vorm te worden gegeven?

  • -

    Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?

2.5.6.

De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling pro forma aanhouden als na te melden, in afwachting van het rapport en advies van de Raad.

2.6.

Onderhoudsbijdragen

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 500,00 per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.200,00 per maand vast te stellen.

2.6.2.

De man verweert zich tegen deze verzoeken.

2.6.3.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub a en c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en levensonderhoud van de vrouw.

2.6.4.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlandse recht toepassen, nu de onderhavige zaak in Nederland is aangebracht alwaar de onderhoudsplichtige gewone verblijfplaats heeft.

2.6.5.

Vast staat dat de man een WIA-uitkering ontvangt van € 1.138,- netto per maand. Niet langer in geschil tussen partijen is dat de man, nu zijn netto besteedbaar inkomen gelet op de hoogte van deze uitkering lager is dan € 1.325,- per maand, een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand voor beide kinderen tezamen en dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De rechtbank zal daarom een door de man te betalen kinderbijdrage van € 50,- per maand vaststellen en het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een partnerbijdrage afwijzen.

2.7.

Bruidsgave

2.7.1.

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Bij het aangaan van het huwelijk is een zogenaamde huwelijksakte opgemaakt. In deze akte is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“(…) is in het huwelijk getreden [de man] (…) met [de vrouw] (…) met een gezegende bruidsgave van vierduizend Nederlandse guldens (4000), die de echtgenoot geheel schuldig blijft tot ontbinding [door echtscheiding of overlijden]. (…)”

2.7.2.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van de bruidsgave aan haar van € 4.000,- (de rechtbank begrijpt: fl. 4.000,-), te voldoen binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, dan wel enig ander bedrag of met ingang van enige andere datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

2.7.3.

Op grond van artikel 4 lid 3 Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van daarmee verband houdende nevenvoorzieningen. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte voorziening met betrekking tot de bruidsgave als nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder f Rv heeft te gelden, aangezien deze voorziening voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding.

2.7.4.

De vraag naar het bestaan van een aanspraak op de bruidsgave dient te worden beoordeeld naar het recht waarnaar die aanspraak tot stand is gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. De bruidsgave vormt in Marokko een formeel vereiste voor de rechtsgeldigheid van een huwelijk. De bruidsgave vloeit derhalve voort uit het door partijen naar Marokkaans recht gesloten huwelijk, zodat de bepaling ter zake de bruidsgave, opgenomen in de huwelijksakte, moet worden bezien naar Marokkaans recht.

2.7.5.

Ingevolge artikel 32 van de Mudawwana heeft de vrouw recht op de volledige bruidsgave zoals overeengekomen na daadwerkelijke consummatie van het huwelijk. Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen geen sprake is van een geldig gesloten huwelijk en/of van consummatie van het huwelijk. Vanaf het moment dat aan deze vereisten werd voldaan, had de vrouw derhalve recht op betaling van de bruidsgave en is de bruidsgave derhalve opeisbaar. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het beroep van de man op de zinsnede in de huwelijksakte “tot ontbinding door echtscheiding of overlijden”. In het midden kan blijven wat deze zinsnede voor gevolgen zou hebben, nu de vrouw betaling van de bruidsgave reeds vóór ontbinding van het huwelijk heeft opgeëist.

2.7.6.

De man heeft ter zitting gesteld dat hij de bruidsgave reeds heeft voldaan. Voor zover hij heeft betoogd dat hij het geld aan de vrouw heeft betaald en dat zij het geld naar haar moeder in Marokko heeft gestuurd, geldt dat nu de vrouw deze stelling heeft betwist, dit onvoldoende is komen vast te staan, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Voor zover de man heeft betoogd dat hij de bruidsgave reeds heeft betaald door geld aan de moeder van de vrouw te betalen, geldt dat dit, zo dit al is komen vast te staan, niet geldt als een bevrijdende betaling aan de vrouw in de zin van artikel 6:32 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.7.7.

Nu niet in geschil is dat partijen bij overeenkomst (de huwelijksakte) zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw de hiervoor genoemde bruidsgave is verschuldigd alsmede is vast komen te staan dat de man de bruidsgave nog niet heeft voldaan en deze bruidsgave wel opeisbaar is, zal de rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave toewijzen.

2.7.8.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van de bruidsgave, te voldoen binnen twee weken na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke te stand, welk bedrag dient te worden vermeerderd - zo stelt de vrouw - “met de inflatie, al dan niet met de wettelijke rente daarover”.

2.7.9.

Nu de vrouw haar verzoek tot vermeerderen met de inflatie niet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan bij gebrek aan (wettelijke) grondslag voorbij. Ten aanzien van de betaling van de wettelijke rente geldt dat wettelijke rente eerst ingevolge 6:119 BW is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Nu niet is gesteld dat de man reeds in verzuim is en betaling van de geldsom eerst wordt verzocht binnen twee weken na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke te stand, zal de rechtbank bepalen dat de wettelijke rente zal zijn verschuldigd vanaf twee weken na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke te stand.

2.7.10.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] ;

3.2.

bepaalt dat de man € 50,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.3.

wijst af het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in haar levensonderhoud;

3.4.

veroordeelt de man ter voldoening van de bruidsgave aan de vrouw te voldoen binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te voldoen een bedrag van fl. 4.000,-, omgerekend € 1.815,12 (duizend achthonderd vijftien euro en twaalf eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke te stand;

3.5.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam advies uit te brengen omtrent de hiervoor in rechtsoverweging 2.5.5 geformuleerde vragen;

3.6.

bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemde Raad zal toezenden;

3.7.

bepaalt dat de behandeling omtrent de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, pro forma wordt voortgezet op 19 maart 2018, in afwachting van het raadsrapport;

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 8 december 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..