Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:935

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder had de bijstandsuitkering van eiser over de periode 01-06-2015 tot 17-12-2015 (datum primair besluit) geheel ingetrokken. Uit onderzoek bleek dat eiser in die periode veel opnames bij gokhallen had gedaan en verder was er sprake van diverse stortingen. Deze had hij niet gemeld. Verweerder meent dat hierdoor niet kan worden vastgesteld of eiser daadwerkelijk in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

De rechtbank gaat per kalendermaand na of aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand is voldaan. Voor de maanden juni, juli en augustus 2015 en de periode 1 tot en met 17 december 2015 stelt de rechtbank vast dat voldoende inzichtelijk is over welke middelen eiser beschikte. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat eiser toen nog andere inkomstenbronnen dan de bijstandsuitkering had. Voor die maanden is de bijstand ten onrechte ingetrokken. In de maanden september, oktober en november 2015 zijn kasstortingen gedaan die eiser niet heeft gemeld. Die worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen beschouwd. De storting van eiser van 200 euro in de maand september 2015 moet op de uitkering over die maand in mindering worden gebracht. In de maanden oktober en november 2015 heeft eiser een bedrag gestort dat hoger is dan zijn bijstandsuitkering. Eiser heeft daarom over die maanden geen recht op bijstand. Verweerder heeft de bijstand over die twee maanden terecht, zij het op andere gronden, ingetrokken.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5843

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. T. de Heer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: drs. A.A. Brouwer).

Procesverloop

Bij het besluit van 17 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juni 2015 ingetrokken.

Bij het besluit van 29 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser ontvangt sinds 22 december 2014 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 20%. Vanaf 1 juli 2015 ontvangt eiser een bijstandsuitkering van 70% van de norm voor gehuwden op grond van de Pw.

1.2.

Verweerder heeft naar aanleiding van een interne melding onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstandsuitkering. Bij verweerder is het vermoeden ontstaan dat eiser mogelijk onbekende inkomsten heeft. Vanwege dit onderzoek is eiser voor een gesprek op kantoor bij verweerder opgeroepen. Tijdens dit gesprek heeft eiser verklaringen afgelegd over onder meer de herkomst van de stortingen op en geldopnamen van zijn bankrekening. Ook heeft eiser bankafschriften overgelegd over de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 november 2015. Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat eiser in de maanden september, oktober en november 2015 een bedrag van € 3.115,- op zijn rekening heeft gestort en veel betalingen heeft gedaan in gokhallen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 december 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om in het primaire besluit de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 1 juni 2015 in te trekken.

1.4.

In het bestreden besluit is het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw ongegrond verklaard. Verweerder concludeert dat eiser naast voldoening van de vaste lasten, ziektekosten en uitgaven voor levensonderhoud maandelijks gemiddeld € 650,- betaalt in gokhallen en ook nog geld op zijn rekening stort. Verweerder meent dat eiser onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn inkomsten- en uitgavenpatroon. Hierdoor kan niet vastgesteld worden of eiser in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde vanaf 1 juni 2015. Daarom heeft eiser volgens verweerder vanaf 1 juni 2015 geen recht op bijstand.

2. Eiser voert in beroep allereerst aan dat hij duidelijkheid heeft verschaft over de herkomst van de stortingen. Hij heeft nooit inkomsten ontvangen. Het recht op bijstand is dan ook ten onrechte ingetrokken. Indien dat betoog niet slaagt, stelt eiser dat de stortingen aangemerkt kunnen worden als middelen zodat het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld. Eiser verwijst hierbij naar het overzicht van verweerder in het rapport van 10 december 2015. Op grond van dit overzicht bestaat volgens eiser een volledig recht op bijstand over de maanden juni, juli, augustus en december, over de maand september een aanvullend recht op bijstand, en over de maanden oktober en november geen recht.

Het oordeel van de rechtbank

3.1.

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft ingetrokken vanaf juni 2015. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

3.2.

Allereerst heeft verweerder de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) bestrijkt in zo’n geval de beoordeling door de rechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit (zie de uitspraak van 11 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:287). Dat betekent dat in de zaak van eiser de periode van 1 juni 2015 tot en met 17 december 2015 (hierna: periode in geding) beoordeeld wordt.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het besluit tot intrekking van bijstand, waarvan in de zaak van eiser sprake is, een belastend besluit. Het is dan aan het bestuursorgaan, in dit geval verweerder, om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan (zie de uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5962). Verweerder meent dat dit het geval is omdat sprake is van een ondoorzichtige financiële situatie over de periode in geding.

3.4.

In artikel 45, eerste lid, van de Pw is het uitgangspunt neergelegd dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. De rechtbank zal daarom in deze zaak per kalendermaand in de periode in geding beoordelen of aan de voorwaarden voor intrekking zoals neergelegd in artikel 54, derde lid, van de Pw is voldaan.

3.4.1.

Wat de maand juni 2015 betreft, blijkt uit de bankafschriften die eiser heeft overgelegd dat hij op 4 juni 2015 een betaling van verweerder van € 2.361,03 heeft ontvangen. Dit is een nabetaling naar aanleiding van de toekenning van de bijstandsuitkering per 22 december 2014. Verder heeft eiser in die maand nog een bedrag van in totaal € 433,- van de Belastingdienst ontvangen. Eiser heeft in juni 2015 de vaste lasten zoals huur en de zorgverzekering betaald en geld gepind bij levensmiddelenwinkels. Ook heeft hij geld opgenomen bij gokhallen. Eiser heeft in de maand juni 2015 geen bedragen op zijn bankrekening gestort. Met de gegevens zoals die blijken uit de bankafschriften is naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk over welke middelen eiser in de maand juni 2015 beschikte om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, en ook is inzichtelijk dat eiser die middelen (mede) voor dat doel heeft gebruikt. Het inkomsten- en uitgavenpatroon over de maand juni 2015 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor verweerders standpunt dat sprake moet zijn geweest van andere inkomstenbronnen. Het enkele feit dat eiser in de maand juni 2015 ook veel gepind heeft in/bij gokhallen leidt niet tot een ander oordeel. Uit het uitgavenpatroon zoals dat blijkt uit de bankafschriften komt namelijk niet naar voren dat eiser daarmee bedragen heeft gewonnen en dat hij die hij heeft aangewend om onder meer in zijn dagelijkse bestaan te voorzien. Zo heeft eiser regelmatig geld gepind voor levensmiddelen en heeft hij bij geldautomaten contante geldopnamen gedaan. Niet uitgesloten kan worden dat eiser het contant opgenomen geld onder meer heeft besteed aan boodschappen en andere kosten van het dagelijks bestaan. Verweerder heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat eiser over de maand juni 2015 zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De bijstandsuitkering van eiser over die maand is daarom ten onrechte ingetrokken.

3.4.2.

Wat de maand juli 2015 betreft, stelt de rechtbank vast dat eiser op 21 juli 2015 een nabetaling van verweerder van € 1.659,45 heeft ontvangen. Daarnaast heeft eiser een bedrag van in totaal € 289,- van de Belastingdienst ontvangen. Verder heeft eiser in juli 2015 een aantal keren bedragen overgeboekt van zijn spaarrekening naar zijn privérekening. Eiser heeft blijkens de bankafschriften in die maand geen stortingen gedaan. Wel heeft hij veelvuldig geld opgenomen in onder meer gokhallen. Daarnaast heeft eiser pinbetalingen gedaan in levensmiddelenwinkels en bij betaalautomaten contant geld opgenomen. Uit de bankafschriften blijkt verder dat eiser in de maand juli 2015 de vaste lasten zoals huur en de energierekening heeft betaald. Uit deze bankafschriften blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat eiser in de maand juli 2015 over voldoende middelen beschikte om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat eiser die middelen (mede) voor dat doel heeft gebruikt. Het uitgavenpatroon over de maand juli 2015 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor verweerders standpunt dat tijdens deze maand sprake moet zijn geweest van andere inkomstenbronnen. Het feit dat eiser in die maand ook veel gepind heeft in gokhallen leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volstaat in dit verband met een verwijzing naar zijn overwegingen in rechtsoverweging 3.4.1. Verweerder heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat eiser over de maand juli 2015 zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De bijstandsuitkering van eiser over die maand is daarom eveneens ten onrechte ingetrokken.

3.4.3.

Uit de bankafschriften over de maand augustus 2015 blijkt dat eiser een bijstandsuitkering van € 894,39 heeft ontvangen en daarnaast een huur- en zorgtoeslag van de Belastingdienst van in totaal € 289,-. Verder blijkt dat eiser in die maand gepind heeft bij levensmiddelenwinkels, de tandarts en een gokhal. Daarnaast heeft eiser contante geldopnames gedaan en zijn vaste lasten betaald. De rechtbank is van oordeel dat uit die bankafschriften voldoende duidelijk is wat het inkomsten- en uitgavenpatroon van eiser is geweest. Het uitgavenpatroon over de maand augustus 2015 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor verweerders standpunt dat tijdens deze maand sprake moet zijn geweest van andere inkomstenbronnen. De rechtbank volstaat in dat verband met een verwijzing naar de hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2 gegeven oordelen. Verweerder heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat eiser over de maand augustus 2015 zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De bijstandsuitkering van eiser over die maand is daarom eveneens ten onrechte ingetrokken.

3.4.4.

Uit de bankafschriften over de maand september 2015 blijkt dat eiser pinopnames bij gokhallen en betaalautomaten heeft verricht. Ook neemt hij geld op bij supermarkten, boekt hij geld over van zijn spaarrekening naar zijn betaalrekening, en boekt hij geld terug van zijn creditcard naar zijn betaalrekening. Verder blijkt uit de bankafschriften dat eiser een bedrag van € 200,- op zijn rekening heeft gestort.

3.4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

3.4.6.

Eiser stelt dat het gestorte bedrag van € 200,- afkomstig is van eerder opgenomen geld. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk, temeer omdat eiser ter zitting ook heeft verklaard dat hij in die periode geldproblemen had. De herkomst van het bedrag van € 200,- heeft eiser dan ook niet inzichtelijk gemaakt. Dit bedrag moet daarom als inkomsten bij de bijstandsverlening in aanmerking worden genomen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de storting van € 200,- niet gemeld heeft bij verweerder. Hij had dit echter wel op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw moeten doen, omdat eiser redelijkerwijs had kunnen weten dat deze storting van belang is voor de hoogte van zijn bijstand over die maand. Door het niet te melden heeft eiser dan ook zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Hierdoor is aan eiser teveel bijstand verleend over de maand september 2015. Verweerder is daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht de bijstandsuitkering van eiser over die maand te herzien door het bedrag van € 200,- op de bijstandsnorm die voor eiser geldt, over de maand september 2015 in mindering te brengen. Er is echter, anders dan verweerder stelt, niet voldaan aan de voorwaarden voor een intrekking van het gehele recht op bijstand over de maand september 2015. De bankafschriften over die maand maken namelijk inzichtelijk wat het inkomsten- en uitgavenpatroon is geweest over de maand september 2015 en bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat, naast het bedrag van € 200,-, sprake is geweest van andere inkomsten.

3.4.7.

In de maand oktober heeft eiser een totaalbedrag van € 1.750,- op zijn rekening gestort. Eiser betwist niet dat hij dit geld gestort heeft. Eiser betoogt dat de stortingen afkomstig zijn van eerdere geldopnames. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aannemelijk is gemaakt, alleen al vanwege het feit dat de hoogte van de gestorte bedragen niet overeenkomt met het bedrag dat eiser voorafgaand aan de stortingen heeft gepind. Eiser heeft de herkomst van de stortingen dan ook niet duidelijk gemaakt. Het bedrag van € 1.750,- moet daarom als inkomsten bij de bijstandsverlening in aanmerking worden genomen. Eiser heeft de stortingen over de maand oktober 2015 niet gemeld aan verweerder. Eiser had dit wel moeten doen omdat die stortingen van belang zijn voor zijn recht op bijstand over die maand. Eiser heeft dus de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Door die schending is aan eiser ten onrechte bijstand betaald over oktober 2015. Anders dan verweerder stelt, is het recht op bijstand over die maand echter wel vast te stellen. Het bedrag aan stortingen over de maand oktober 2015 ligt namelijk hoger dan de bijstandsnorm die op eiser van toepassing is. Eiser heeft over de maand oktober 2015 dan ook geen recht op bijstand wegens voldoende middelen van bestaan. Dit betekent dat het recht op bijstand over de maand oktober 2015 terecht, zij het op andere gronden, is ingetrokken.

3.4.8.

Hetzelfde geldt voor de maand november 2015 omdat eiser gedurende die maand een totaalbedrag van € 1.165,- op zijn heeft rekening gestort. Ook van deze stortingen heeft eiser de herkomst niet duidelijk gemaakt en geen melding gedaan aan verweerder. De rechtbank verwijst in dit verband naar zijn onder rechtsoverweging 3.4.7 gegeven oordelen. Het bedrag van € 1.165,- moet daarom als inkomsten bij de bijstandsverlening in aanmerking worden genomen. Eisers recht op bijstand over de maand november 2015 is ondanks de schending van de inlichtingenplicht echter wel vast te stellen. Het bedrag aan stortingen over die maand is namelijk hoger dan de bijstandsnorm die op eiser van toepassing is. Eiser heeft over die maand dus evenmin recht op bijstand. Het recht op bijstand over de maand november 2015 is dan ook terecht, zij het op andere gronden, ingetrokken.

3.4.9.

Over de periode van 1 tot en met 17 december 2015 zijn geen bankafschriften in het dossier aanwezig. Uit de rapportage van 8 januari 2016, die ziet op een aanvraag van eiser om bijstand per 20 december 2015, blijkt dat verweerder geen bijzonderheden heeft gezien op de bankafschriften van eiser. De rechtbank begrijpt hieruit dat uit de bankafschriften niet is gebleken van stortingen en/of andere inkomstenbronnen in voormelde periode. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom eiser over deze periode zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en waarom het recht op bijstand over de periode van 1 tot en met 17 december 2015 niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het recht op bijstand van eiser over deze periode ten onrechte is ingetrokken.

Conclusies

3.5.

Uit de hiervoor gegeven overwegingen volgt dat verweerder het recht op bijstand van eiser over de periode in geding ten onrechte geheel heeft ingetrokken. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het gehele bestreden besluit wegens strijd met de wet en wegens een ondeugdelijke motivering.

3.6.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen. De rechtbank bepaalt dat de bijstandsuitkering van eiser over de maand september 2015 wordt herzien in die zin dat de storting van € 200,- als inkomsten wordt aangemerkt en daarom in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering van eiser over de maand september 2015. De rechtbank bepaalt verder dat het recht op bijstand van eiser over de maanden oktober en november 2015 geheel wordt ingetrokken wegens een inkomen dat hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm. De rechtbank zal daarnaast bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dit betekent dus dat eiser over de maanden juni, juli, en augustus 2015, en over de periode van 1 tot en met 17 december 2015 volledig recht heeft op bijstand naar de voor hem geldende norm.

4. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, herziet het recht op bijstand over de maand september 2015 door € 200,- op de toepasselijke bijstandsnorm over die maand in mindering te brengen, trekt het recht op bijstand over de maanden oktober en november 2015 in, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. Fleuren, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.