Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9344

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
13/701201-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Plaatsing in Psychiatrisch ziekenhuis. Mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/701201-17

Datum uitspraak: 15 november 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.
P. van Laere, en van wat verdachte, zijn moeder en zijn raadsman, mr. R.J. Wortelboer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 3 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een vork, althans met een (puntig) voorwerp, in de nek, althans in het lichaam, heeft gestoken/geprikt;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 3 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht) met een vork, althans met een (puntig) voorwerp, in zijn nek, althans in het lichaam, heeft gestoken/geprikt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde en het subsidiair ten laste gelegde bewezen te verklaren. Ook de raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht poging tot zware mishandeling niet bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij. Uit het dossier is niet gebleken dat de handelingen van verdachte ertoe hadden kunnen leiden dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het slachtoffer heeft geen letsel. Niet duidelijk is geworden met welke kracht hij is gestoken en op welke exacte plaats aangever is geraakt. Daarom kan niet gezegd worden dat het opzet van verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) was gericht op het toebrengen van zwaar letsel.

Bewezenverklaring ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde (te weten: mishandeling) heeft begaan op grond van de feiten en omstandigheden die uit het dossier en het onderzoek op de zitting zijn gebleken. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 3 februari 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een vork in zijn nek heeft geprikt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van GZ-psycholoog
drs. [naam deskundige] van 8 juli 2017, het Pro Justitia-rapport van psychiater drs. [naam deskundige 2] van 7 juli 2017 en het reclasseringsadvies van 7 juni 2017.

In het rapport van psychiater [naam deskundige 2] staat onder meer het volgende:

Betrokkene heeft een ziekelijke stoornis in de vorm van een niet-aangeboren hersenletsel. Bij dit hersenletsel staan de korte concentratieboog, het vertraagde denken, het beperkte begrip en snel oplopende spanningen met ontremd, soms agressief, gedrag op de voorgrond. Daarnaast heeft hij een ziekelijke stoornis in de vorm van psychotische kwetsbaarheid, met achterdocht en akoestische hallucinaties. Ook heeft hij een ziekelijke stoornis in de vorm van een afhankelijkheid van cannabis. Gezien de directe relatie tussen het niet-aangeboren hersenletsel/de mogelijke psychose en het ten laste gelegde en het ontbreken van sturing in zijn gedrag om tot gedragsalternatieven te komen, is het advies van onderzoekster om het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen aan betrokkene.

Zowel de psychiater als de psycholoog hebben de rechtbank geadviseerd om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank neemt dat advies over. Verdachte is dus niet strafbaar voor het bewezen geachte feit. Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst, zoals bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hij niet tegen een oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is. Wel heeft hij de vraag opgeworpen of een verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verdachte op de korte en de lange termijn vooruit zal helpen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door [slachtoffer] met een vork in zijn nek te prikken. [slachtoffer] verbleef, net als verdachte, in een kliniek voor intensieve behandeling. Daarmee heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij hem angst aangejaagd. Dit kan verdachte niet worden toegerekend (de rechtbank acht hem immers ontoerekeningsvatbaar) maar dat neemt niet weg dat verdachte gevaarlijk kan zijn voor anderen, zoals in dit geval medepatiënten.

De rechtbank heeft ter beoordeling van de vraag of de verdachte voldoet aan de eisen voor plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en de vraag of plaatsing ook passend en geboden is, acht geslagen op de inhoud van de eerder vermelde Pro Justitia-rapporten. Beide gedragsdeskundigen hebben geadviseerd tot oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor één jaar op grond van artikel 37 Sr. Het recidiverisico wordt door de deskundigen ingeschat als hoog als verdachte niet intensief behandeld wordt voor zijn stoornis. Volgens het psychiatrisch rapport moet het recidiverisico voornamelijk ingeperkt worden door omgevingsfactoren, omdat niet te verwachten is dat er nog verbetering van de symptomen zal plaatsvinden, anders dan door rust, structuur en regelmaat. Het psychologisch rapport voegt daaraan toe dat artikel 37 Sr voldoende kader biedt om verdachte de beveiligde behandeling te bieden in een forensische kliniek die meer dan de reguliere GGZ is toegerust op de problematiek van verdachte, met mogelijk onverwachte agressie. Binnen de artikel 37 Sr-maatregel kan dan op relatief korte termijn een intensief zorgtraject ingezet worden, wat verdachte duidelijkheid geeft over zijn plek/traject.

Op de zitting hebben verdachte, zijn moeder en de raadsman naar voren gebracht dat het verdachte op dit moment ontbreekt aan duidelijkheid en structuur met betrekking tot zijn plek en behandeling. Verdachte wordt van de ene kliniek naar de andere gestuurd, kan nergens langere tijd blijven en tot nu toe kunnen ze hem gezien zijn complexe problematiek nergens echt goed helpen. De raadsman heeft aangegeven dat er op dit moment geen andere behandelingen of alternatieven voorhanden zijn.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan de criteria van artikel 37 Sr. De rechtbank ziet plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op dit moment ook als beste optie. Op die manier wordt enerzijds verdachte gedurende één jaar duidelijkheid en structuur geboden en kan hij verblijven in een omgeving die wellicht meer is toegespitst op zijn specifieke problematiek. Anderzijds kan op deze manier het recidiverisico worden beperkt omdat een forensische GGZ-instelling een hoger beveiligingsniveau kent dan reguliere GGZ-instellingen. Daarmee wordt ook tegemoet gekomen aan het belang van de maatschappij om tegen verdachte te worden beschermd. Gelet hierop, en wegens het ontbreken van een reëel alternatief, acht de rechtbank de oplegging van de maatregel noodzakelijk.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 500,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en € 143,00 aan kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde (mishandeling) rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, omdat hij van de mishandeling is geschrokken en er pijn van heeft gehad. De hoogte van de vordering is door verdachte betwist. Ook heeft de raadsman bepleit dat de hoogte van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank ziet - gelet op de ernst van de mishandeling en rekening houdend met bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters in Nederland worden toegekend - reden om de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag € 150,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank legt daarbij ook de schadevergoedingsmaatregel op.

Voor de resterende € 350,00 zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat het onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast komt de rechtbank de gevorderde vergoeding van € 143,00 voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal die vordering daarom worden toegewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Gelast dat verdachte voor de termijn van 1 (één) jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

Wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot € 150,00 (zegge honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] € 150,00 (zegge honderdvijftig euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 3 (drie) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer] voor de kosten van rechtsbijstand toe tot € 143,00 (zegge honderddrieënveertig euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. J. Huber en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2017.