Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9341

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
13/684113-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling, meermalen gepleegd. Mishandeling levensgezel en diefstal (met geweld)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684113-17

Datum uitspraak: 1 september 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Gerson, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-levensgezel [slachtoffer 1] en dat hij op 1 februari 2017 meerdere goederen van haar heeft gestolen. Tevens is ten laste gelegd dat hij op 11 juli 2016 [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het trekken aan de haren, zoals onder 1 ten laste gelegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Over het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw bepleit dat enkel het duwen tegen de muur en het vastpakken bij de keel kan worden bewezen, omdat het letsel van de aangeefster een stomp in het gezicht uitsluit en uit de aangifte niet is gebleken dat aangeefster aan haar haren is getrokken.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van de onder 2 en 3 ten laste gelegde diefstallen vrij moet worden gesproken, omdat verdachte de spullen uit eigen beweging heeft teruggebracht. Hieruit blijkt dat hij geen opzet heeft gehad op het toe-eigenen.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat hij geen opzet had op de mishandeling. Hij werd benaderd door drie personen en heeft in reactie hierop met zijn hand [slachtoffer 2] in het gezicht weggeduwd.

Voor onder 4 en 6 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Grondslag voor de bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar oordeel dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die uit het dossier en het verhandelde ter zitting zijn gebleken. De rechtbank slaat daarbij acht op de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de letselverklaring van [slachtoffer 1] , de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de deels bekennende verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] op 14 januari 2017 (onder meer) tegen haar gezicht heeft gestompt, nu dit volgt uit haar aangifte, haar letsel en de getuigenverklaring van [getuige 1] .

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de onder 2 en 3 ten laste gelegde diefstallen kunnen worden bewezen. Verdachte heeft de goederen, zonder toestemming van aangeefster, uit haar woning weggenomen en deze uit haar heerschappij onttrokken. Daarmee is sprake van een voltooide diefstal. Dat verdachte de goederen later heeft teruggebracht, maakt dit niet anders.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op 14 januari 2017 te Amsterdam zijn ex-levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het vastpakken bij de keel van voornoemde [slachtoffer 1] en duwen van voornoemde [slachtoffer 1] tegen een kast en stompen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] ;

op 1 februari 2017 te Amsterdam zijn ex-levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het duwen van voornoemde [slachtoffer 1] tegen een muur.

2.

op 1 februari 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemde telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft getrokken;

3.

op 1 februari 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een OV-chipcard en sleutels en een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

4.

op 1 februari 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, in totaal ongeveer 700 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij hij, verdachte, dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het gebruik van een valse sleutel, te weten door geld over te maken van een bankrekening van voornoemde [slachtoffer 1] naar zijn, verdachtes, eigen rekening;

5.

(gevoegde zaak 13/706559-16)

op 11 juli 2016 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het stompen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] ;

6.

(gevoegde zaak 13/706020-16)

op 10 januari 2016 te Amsterdam zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen met kracht vastpakken van voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel en polsen en met kracht duwen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , waardoor zij ten val is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank leest het in de tweede regel van het onder 5 ten laste gelegde vermelde “zijn vriendin [slachtoffer 2] ” als “ [slachtoffer 2] ”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, waarvan een gedeelte, groot 60 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een groter deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat verdachte binnenkort begint met een nieuwe baan en zoveel mogelijk tijd aan zijn zoon wil besteden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling. Daarmee heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn ex-vriendin en haar broer en heeft hij hen angst aangejaagd. De rechtbank rekent verdachte de gepleegde mishandelingen zwaar aan, omdat het slachtoffer zijn ex-vriendin en de moeder van zijn kind is, die van sommige voorvallen zelfs getuige is geweest. Ook de mishandeling van de broer van zijn ex-vriendin kwam voort uit de relatieproblemen. Naast de mishandelingen heeft verdachte tijdens een ruzie ook nog geld en spullen van het slachtoffer weggenomen. Verdachte was tijdens het plegen van de feiten telkens onder invloed van alcohol. Verdachte heeft met zijn handelen op grensoverschrijdende wijze zijn frustraties geuit over het eindigen van de relatie in juli 2016 en het niet krijgen van toestemming van zijn ex-vriendin om zijn zoon te erkennen.

In het voordeel van verdachte weegt dat de situatie sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 9 maart 2017 aanzienlijk is verbeterd en dat verdachte dit op eigen kracht en samen met zijn ex-vriendin heeft bewerkstelligd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen alcohol meer drinkt en dat er met zijn ex-vriendin goede afspraken zijn gemaakt over het contact met hun zoon en dat deze afspraken worden nageleefd. De ex-vriendin en haar broer hebben dit ter zitting bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit vertrouwen dat deze verbetering in de toekomst standhoudt. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat verdachte het belang van zijn zoon voorop stelt en dat hij er ter zitting blijk van heeft gegeven in te zien welke nadelige invloed alcohol op hem heeft.

De rechtbank houdt verder rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de ernst van de feiten wel tot uitdrukking komen in de op te leggen straf. Om de kans op herhaling te minimaliseren, zal de rechtbank aan de straf voor een deel voorwaardelijk opleggen. Alles samen genomen acht de rechtbank de eis van de officier van justitie redelijk en passend.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 300, 304, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 5 bewezen verklaarde:

mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

diefstal, vergezeld van geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

diefstal;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 (honderdtwintig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 60 (zestig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.