Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9339

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
13/706295-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging, meermalen gepleegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/706295-17 (Promis)

Datum uitspraak: 17 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.W.M. van der Linde en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte
mr. B.J.H. Sijbom naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 2 april 2017 en/of op of omstreeks 11 april 2017 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer voertuigen heeft weggenomen een of meer navigatiesystemen en/of een of meer airbags en/of airbag-onderdelen, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 11 april 2017 kreeg de politie omstreeks 02.09 uur opdracht naar de [adres] te Diemen te gaan in verband met een melding van een auto-inbraak. De melder, getuige [getuige] (hierna: [getuige] ), hoorde vanuit zijn huis een doffe klap. Toen hij naar buiten keek zag hij dat twee jongens bij een witte Mercedes stonden. Hij zag dat één man links achter een ruit insloeg en zag vervolgens dat beide mannen in de witte Mercedes gingen zitten. Toen zij uit de Mercedes Benz stapten, zag [getuige] dat de mannen iets in hun hand hielden. Vervolgens zag hij dat ze naar een zilver/grijze Citroën of Renault liepen en in auto wegreden richting de parkeerplaats op de [parkeerplaats] . De politie arriveerde voordat de mannen de parkeerplaats [parkeerplaats] hadden verlaten.

Toen de politieagenten arriveerden bij de parkeerplaats [parkeerplaats] zagen zij een grijze Citroën C1 met kenteken [kenteken 1] geparkeerd staan. Een politieagent voelde dat de motorkap van deze auto nog warm was en zag twee mannen in de auto zitten. De man die ineengekrompen met zijn hoofd tussen zijn benen op de bijrijdersstoel zat, was verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ). De man, die helemaal ineengekrompen op de achterbank zat, was medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ).

Vervolgens hebben politieagenten onderzoek verricht naar ingebroken voertuigen op de [adres] . Door een getuige werden zij op de parkeerplaats gewezen naar een witte Mercedes met kenteken [kenteken 2] , waarin was ingebroken. De politieagenten zagen dat de linker achterruit was ingeslagen en dat de stuurairbag was verwijderd. Bij onderzoek op de parkeerplaats bleek dat ook in drie andere auto’s was ingebroken, waaronder een witte Seat met kenteken [kenteken 3] . De rechter voorruit van de Seat was ingeslagen en de politieagenten zagen dat op het dashboard van de Seat een aansluiting zat voor een navigatiesysteem, maar dat er geen navigatiesysteem aanwezig was. Van de vier auto-inbraken is door de vier eigenaren, zijnde [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ), [benadeelde 5] (hierna: [benadeelde 5] ), [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) en [benadeelde 4] (hierna: [benadeelde 4] ), afzonderlijk aangifte gedaan. [benadeelde 1] en [benadeelde 5] hebben aangifte gedaan van diefstal van een stuur airbag en airbag onderdelen en [benadeelde 2] heeft aangifte gedaan van diefstal van een navigatiesysteem en twee lifehammers. [benadeelde 4] heeft aangifte gedaan van diefstal van goederen.

De politieagent die de Citroën C1 op 11 april 2017 onderzocht vond op de plek waar [verdachte] zat een navigatiesysteem en één lifehammer. Uit onderzoek naar het navigatiesysteem bleek dat op het opstartscherm het logo van Seat stond en dat als ‘mijn adres’ was ingesteld ‘ [adres] ’. Uit de aangifte van [benadeelde 2] bleek dat hij woont op [adres] . Toen een politieagent aan [benadeelde 2] een foto toonde van het in beslag genomen navigatiesysteem, verklaarde [benadeelde 2] dat deze van hem was en dat hij als thuisadres ‘ [adres] ’ had ingesteld.

Uit het dossier is ook gebleken dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op 4 april 2017 zijn aangehouden in de Citroën C1 met kenteken [kenteken 1] . Verdachte en medeverdachte werden mogelijk gekoppeld aan een auto-inbraak van 2 april 2017, waarbij een Citroën C1 was betrokken. Tijdens de fouillering op 4 april 2017 is niets bij verdachte en medeverdachte aangetroffen.

Op 11 april 2017 heeft een man een vuilniszak aangetroffen in de bosschages aan de [parkeerplaats] . In deze vuilniszak zaten meerdere airbags. De man heeft deze vuilniszak bij de politie afgegeven.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gedeeltelijke bewezenverklaring van het ten laste gelegde, namelijk het medeplegen van diefstal met braak uit de voertuigen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , op grond van de getuigenverklaring van [getuige] , de bevindingen van de politieagenten ter plaatse en de aangiftes van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het overige.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht zijn cliënt vrij te spreken van alle ten laste gelegde auto-inbraken, omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de diefstal op 2 april en de diefstallen van [benadeelde 5] en [benadeelde 4]

Ten aanzien van de diefstal van 2 april 2017 en de diefstallen uit de voertuigen van [benadeelde 5] en [benadeelde 4] bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs om verdachte en zijn medeverdachte hier aan te kunnen koppelen. De door [benadeelde 5] en [benadeelde 4] opgegeven gestolen goederen zijn immers niet bij verdachte of zijn medeverdachte aangetroffen. Ook zijn op de vuilniszak met de airbags geen (dactyloscopische) sporen van verdachte of zijn medeverdachte aangetroffen. De rechtbank zal verdachte van deze diefstallen vrijspreken.

Ten aanzien van de diefstallen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De rechtbank acht, op grond van de bovengenoemde verklaring van [getuige] , de bevindingen van de politieagenten ter plaatse en de aangiftes van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de diefstallen met braak uit de voertuigen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bewezen, zoals hierna in rubriek 5 genoemd.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij en zijn medeverdachte in de auto lagen te slapen toen zij door de politieagenten werden aangetroffen, ongeloofwaardig. Getuige [getuige] had kort daarvoor immers twee mannen zien inbreken in de Mercedes van [benadeelde 1] , waarna zij in een Citroën zijn gestapt die vervolgens ging parkeren op de parkeerplaats aan de [parkeerplaats] . Gelet op het feit dat de politie zeer snel ter plaatse was en verdachte en zijn medeverdachte op deze parkeerplaats zijn aangetroffen in een Citroën waarvan de motorkap nog warm was, is de rechtbank van oordeel dat zij degenen zijn geweest kort daarvoor de diefstallen hebben gepleegd. Dit geldt temeer nu verdachte en zijn medeverdachte op geen enkele wijze hebben verklaard hoe het navigatiesysteem uit de Seat van [benadeelde 2] in hun voertuig terecht is gekomen.

Medeplegen

Uit het dossier volgt dat verdachte en medeverdachte bij elkaar op de parkeerplaats waren, dat zij bij elkaar waren toen de ruit van de Mercedes werd ingeslagen, dat zij beiden in de Mercedes gingen zitten, dat zij tegelijk weer naar buiten kwamen met een voorwerp in de handen, dat zij samen naar de Citroën C1 zijn gelopen, dat zij daar tegelijkertijd in zijn gaan zitten en dat zij gezamenlijk in een schuilende houding zijn aangetroffen. Op grond van al die omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte en medeverdachte handelden ter kennelijke uitvoering van een vooraf besproken plan en handelwijze, opgesteld en uitgevoerd met het doel om goederen uit auto’s weg te nemen. Gelet op deze nauwe en bewuste samenwerking acht de rechtbank het medeplegen bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 11 april 2017 te Diemen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit voertuigen heeft weggenomen een navigatiesysteem en een airbag toebehorende aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel en het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht niet af te wijken van de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: de LOVS oriëntatiepunten) en een taakstraf van 90 uren op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van twee auto-inbraken. Dit zijn uitermate ergerlijke feiten, die veel overlast veroorzaken. Door dit handelen heeft verdachte rechtstreekse schade berokkend aan de betrokkenen.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van de misdrijven, de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte is gebleken dat hij op 10 oktober 2016 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen wegens diefstal. De rechtbank merkt verdachte dan ook niet aan als first offender. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met LOVS oriëntatiepunten. Volgens deze oriëntatiepunten is bij diefstal uit een auto in geval van recidive een gevangenisstraf van zes weken het uitgangspunt. In de onderhavige zaak zijn twee diefstallen bewezen. Daarbij weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat sprake is van medeplegen. Voorts weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte niet op de zitting is verschenen om een verklaring te geven en verantwoording af te leggen en dat uit de stukken blijkt dat hij een onverschillige indruk maakt.

In strafmatigende zin weegt mee dat verdachte nog jong is en een opleiding volgt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de opleiding van verdachte kunnen doorkruisen. Al met al acht de rechtbank een forse werkstraf op zijn plaats. Wegens het herhalingsgevaar ziet de rechtbank echter wel aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert € 84,95 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, als vergoeding voor schade aan de ruit en twee lifehammers.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks materiële is toegebracht. De vordering is niet betwist. De schadevergoeding die wordt gevorderd voor de ruitschade, namelijk voor het deel groot € 65,00, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen. Deze schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding voor de twee lifehammers, zijnde een bedrag van € 19,95, omdat de diefstal van die goederen niet is tenlastegelegd en dus ook niet bewezen verklaard.

Verdachte zal hoofdelijk worden veroordeeld om het bedrag van € 65,00 te betalen aan de benadeelde partij, nu naast verdachte ook de medeverdachte voor de schade aansprakelijk is.

In het belang van [benadeelde 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte, [verdachte], tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Wijst de vordering van [benadeelde 2] gedeeltelijk toe tot € 65,00 (zegge vijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander, te weten [medeverdachte 1] , is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] , € 65,00 (zegge vijfenzestig euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 1 (één) dag. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. L.R. Wisse en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2017.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.