Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9152

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
13/679046-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarig automobilist krijgt een taakstraf van 60 uur omdat hij door rood reed en op een andere automobilist botste die daar een dwarslaesie aan overhield. Ook diens bijrijdster raakte bij het ongeluk op 23 juli 2016 in Amstelveen gewond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/679046-16

Datum uitspraak: 11 december 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 november 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.C. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. D.J.P. van Omme en C.T. van Weerd, naar voren hebben gebracht.

1.3.

De rechtbank heeft ten slotte geluisterd naar de (slachtoffer)verklaring van [naam echtgenote] , echtgenote van [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Beneluxbaan en/of de kruising van de Beneluxbaan met de Bovenkerkerweg, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een dwarslaesie, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Beneluxbaan, komende uit de richting van Aalsmeer en gaande in de richting van Amstelveen, - terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was, verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, op de rijstrook voor het links afslaande verkeer stil gaan staan voor het in zijn (rij)richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn (rij)richting geldend ROOD licht uitstralend verkeerslicht, verdachte is vervolgens, terwijl voornoemd verkeerslicht (nog) ROOD licht uitstraalde, voornoemde kruising opgereden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor een personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van rechts, bij GROEN licht voornoemde kruising was opgereden, voornoemde personenauto is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst, waardoor voornoemde [slachtoffer] , voornoemd zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994).

2.2.

Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Beneluxbaan en/of de kruising van de Beneluxbaan met de Bovenkerkerweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Beneluxbaan, komende uit de richting van Aalsmeer en gaande in de richting van Amstelveen, - terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was, verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, op de rijstrook voor het links afslaande verkeer stil gaan staan voor het in zijn (rij)richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn (rij)richting geldend ROOD licht uitstralend verkeerslicht, verdachte is vervolgens, terwijl voornoemd verkeerslicht (nog) ROOD licht uitstraalde, voornoemde kruising opgereden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor een personenauto, waarin [slachtoffer] gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van rechts, bij GROEN licht voornoemde kruising was opgereden, voornoemde personenauto is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.1.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende is komen vast te staan. Verdachte reed op 23 juli 2016 in Amstelveen op de Beneluxbaan, komend uit de richting van Aalsmeer en gaande in de richting van Amstelveen. Bij de kruising van de Beneluxbaan met de Bovenkerkerweg wilde verdachte linksaf slaan. Het verkeerslicht dat gold voor het linksaf slaand verkeer was rood. Verdachte is gestopt op de rijbaan voor linksaf slaand verkeer en is, nadat hij ongeveer vijftig seconden voor het rode licht had staan wachten, opgetrokken terwijl het licht nog rood was en naar links voornoemde kruising opgereden. Terwijl verdachte over de kruising reed is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) met een snelheid van ongeveer 56 kilometer per uur tegen de rechterzijde van de auto van verdachte aangereden. [slachtoffer] reed samen met zijn echtgenote [naam echtgenote] (hierna: [naam echtgenote] ) op dat moment op de Beneluxbaan rechtdoor, komende uit de richting van Amstelveen en gaande in de richting van Aalsmeer, en had groen licht op het moment dat hij de kruising opreed.

Als een gevolg van de aanrijding is de auto van verdachte omgeslagen. Verdachte heeft aan het ongeval nauwelijks letsel overgehouden. [slachtoffer] heeft zeer ernstig letsel opgelopen. Ook [naam echtgenote] heeft fors letsel opgelopen.

4.1.2.

Het is onduidelijk gebleven waarom verdachte is gaan rijden terwijl hij nog geen groen had. Verdachte heeft hierover zelf verklaard dat hij meende groen te hebben gekregen. Hij vermoed dat hij een groen licht van een andere rijrichting ten onrechte heeft aangezien voor groen licht in zijn rijrichting.

4.2.1.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) en het volgende betoogd. Bewezen kan worden verklaard dat de aanrijding het gevolg is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte. Het is aannemelijk dat verdachte, op het moment dat hij optrok zich heeft vergist en ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat hij groen had gekregen. Dat laat onverlet dat sprake is van schuld. Kern van deze zaak is niet het door rood rijden, maar het feit dat verdachte, nadat hij een rood licht had genegeerd, geen voorrang heeft verleend aan de door [slachtoffer] bestuurde auto omdat deze ten opzichte van hem was te beschouwen als rechtdoor gaand verkeer.

4.2.2.

De verdediging heeft betoogd dat uit het enkele door rood rijden niet kan volgen dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er is geen sprake van bijkomende fouten of andere omstandigheden die de schuld onderbouwen, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

4.3.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Van belang is voorts dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). De enkele omstandigheid dat sprake is geweest van een moment van onachtzaamheid bij verdachte is onvoldoende voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544).

4.3.2.

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie en met de verdediging – van oordeel dat verdachte geen aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid kan worden verweten en dat hij dus dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte, nadat hij ongeveer vijftig seconden heeft gewacht voor het rode verkeerslicht, is gaan rijden omdat hij (ten onrechte) in de veronderstelling verkeerde dat hij groen licht had en dat de weg voor hem dus vrij was. Voor zover verdachte zich – eenmaal op de kruising – al heeft gerealiseerd dat hij door rood was gereden, was het te laat om nog voorrang te kunnen verlenen aan het kruisende verkeer dat wel groen licht had.

De rechtbank ziet het niet verlenen van voorrang in dit geval dus niet als een op zichzelf staande fout. Het verwijt dat verdachte gemaakt kan worden, is dat hij is gaan rijden terwijl het verkeerslicht in zijn rijrichting een rood licht uitstraalde. Dat verdachte toen hij eenmaal de kruising opgereden was geen voorrang heeft verleend aan rechtdoor gaand verkeer, wordt hem niet als ‘extra’ fout aangerekend. De rechtbank is van oordeel dat dit niet los kan worden gezien van de veronderstelling van verdachte dat hij groen licht had gekregen en er op grond daarvan vanuit ging dat hij voorrang had ten opzichte van rechtdoor gaand verkeer. Daarbij betrekt de rechtbank dat een en ander zich in een kort tijdsbestek heeft voorgedaan en dat er gelet op de snelheid waarmee [slachtoffer] de auto van verdachte is genaderd zeer weinig tijd is geweest om te kunnen reageren.

Verdachte heeft aldus weliswaar een verkeersfout gemaakt met voor het slachtoffer uitermate ernstige gevolgen, maar nu aannemelijk is dat deze enkele fout het gevolg is van een moment van onachtzaamheid van verdachte, is deze fout onvoldoende ernstig om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.3.3.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de kruising op te rijden terwijl het verkeerslicht voor zijn rijrichting op rood stond wel gevaar op de weg in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft veroorzaakt.

4.4.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, te weten dat hij op 23 juli 2016 te Amstelveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Beneluxbaan en de kruising van de Beneluxbaan met de Bovenkerkerweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Beneluxbaan, komende uit de richting van Aalsmeer en gaande in de richting van Amstelveen, terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was, verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, op de rijstrook voor het links afslaande verkeer stil gaan staan voor het in zijn (rij)richting gekeerd en voor het verkeer in zijn (rij)richting geldend ROOD licht uitstralend verkeerslicht, verdachte is vervolgens, terwijl voornoemd verkeerslicht (nog) ROOD licht uitstraalde, voornoemde kruising opgereden, verdachte heeft (vervolgens) niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor een personenauto, waarin [slachtoffer] gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van rechts, bij GROEN licht voornoemde kruising was opgereden, voornoemde personenauto is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van zestig dagen en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

8.2.

De verdediging heeft aangevoerd dat het ongeluk verdachte zwaar valt en dat er geen dag voorbij gaat dat hij er niet aan denkt en hij daar zichtbaar emotioneel onder is. Het contact dat hij met [slachtoffer] en diens echtgenote heeft gehad, heeft een en ander wel draaglijker gemaakt en verdachte hoopt dat dit omgekeerd ook het geval is. Verdachte is niet weggelopen van zijn schuld – in niet strafrechtelijke zin – aan het letsel van [slachtoffer] . Hij heeft van begin af aan openlijk verklaard over zijn handelen. Verdachte heeft sinds 1990 zijn rijbewijs. In verband met zijn beroep rijdt hij veel, in het verleden zo’n 15.000 km per jaar, thans 30.000 tot 40.000 km per jaar. Hij is, behalve deze zaak, nooit bij een verkeersongeluk betrokken geweest, noch heeft hij enige relevante documentatie (anders dan een gering alcoholfeit van bijna 18 jaar geleden). Verdachte heeft sinds kort een nieuwe baan waar hij dagelijks klanten voor bezoekt, verspreid over Noord-Holland. Hiervoor is zijn rijbewijs onmisbaar. Bij een rijontzegging kan verdachte zijn baan verliezen, temeer omdat hij geen vast contract heeft. De verdediging heeft ten slotte verzocht in het geval de rechtbank tot een veroordeling komt wegens het subsidiair ten laste gelegde de straf te beperken tot een geldboete.

8.3.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.4.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een verkeersovertreding met zeer ernstige gevolgen, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Het slachtoffer van dit verkeersongeval is ten gevolge hiervan zwaar gewond geraakt. Hij heeft een dwarslaesie en kan zijn romp en benen vanaf zijn armen naar beneden niet meer bewegen. Hij zit daarom permanent in een rolstoel. Ook [naam echtgenote] heeft fors letsel opgelopen.

8.5.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte zich nadien om het slachtoffer heeft bekommerd en contact met hem heeft onderhouden.

8.6.

Alles afwegend zal de rechtbank verdachte een taakstraf van zestig uur opleggen en als bijkomende straf hem, mede gelet op het nagenoeg ontbreken van documentatie en de omstandigheid dat verdachte in geval van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zijn werk niet meer kan uitvoeren, voorwaardelijk de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, zoals door de officier van justitie gevorderd. Met oplegging van een enkele geldboete, zoals door de raadsman bepleit, zou de ernst van het feit, met name de grote gevolgen die het door verdachte veroorzaakte gevaar heeft veroorzaakt, onvoldoende tot uitdrukking komen. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden volstaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, geldend ten tijde van het bewezengeachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 1 (één) maand.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en A. Meester, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. van der Burg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.