Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9135

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van twee bewonersvergunningen voor auto’s, omdat kan worden beschikt over een stallingsplaats en beide bewoners geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule toekomt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4843

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bewonersvergunning van eiseres met ingang van 1 mei 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 10 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en bepaald dat de bewonersvergunning met ingang van 1 november 2017 wordt ingetrokken.

Eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres huurt sinds 15 maart 2015 een woning op het adres [adres 1] te Amsterdam. De woning behoort tot het appartementencomplex [naam 1] ( [naam 1] ). [naam 1] is sinds 15 maart 2015 beschikbaar en bestaat uit 70 woningen. Eiseres woont hier met haar elfjarige dochter. Sinds 15 maart 2015 hebben alle bewoners van [naam 1] een parkeervergunning gekregen. Op de parkeerplekken die door de bewoners van [naam 1] in gebruik waren, komt een nieuw appartementencomplex. De bewoners van [naam 1] kunnen voor ongeveer € 155,- per maand een parkeerplek huren in de nabijgelegen parkeergarage [naam 2] . Haar bewonersvergunning kostte € 8,- per maand. Eiseres werkt in [plaats] . Zij reist hier per auto naartoe.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan eiseres verleende bewonersvergunning voor haar auto met het kenteken [kenteken] ingetrokken, omdat zij kan beschikken over een stallingsplaats. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking gehandhaafd.

3.1

Eiseres bestrijdt de intrekking van haar bewonersvergunning. Toen zij naar de [adres 1] verhuisde, had zij wat vermogen. Nu heeft zij geen vermogen meer en een laag inkomen. Zij heeft daarom geen financiële ruimte voor het huren van een parkeerplaats in de garage en ook geen kans om een ander appartement in Amsterdam te vinden. Zij blijft in het belang van haar dochter in Amsterdam wonen, omdat de vader van haar dochter het enige familielid van haar dochter is dat in Nederland woont. De vader van eiseres woont in het buitenland en komt maandelijks op bezoek. Hij is slecht ter been. Eiseres heeft van medebewoners vernomen dat de parkeergarage niet altijd over plaatsen beschikt. Bij evenementen komen veel mensen van buitenaf in de parkeergarage parkeren. Iedereen kan de parkeergarage dan binnenrijden.

3.2.1

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 (Verordening 2013) kan verweerder een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunningsgebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

3.2.2

Niet in geschil is dat eiseres bewoner is van een zelfstandige woning in het vergunninggebied en houder is van één auto. In geschil is of eiser kan beschikken over een stallingsplaats.

3.2.3

In de toelichting bij artikel 9, eerste lid, van de inmiddels ingetrokken Parkeerverordening 2009 (Verordening 2009) is vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of een bewoner over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie. Als men bijvoorbeeld de beschikking heeft, op grond van huur of koop, over een individuele garage of een parkeerplaats bij of in de buurt van de woning, dan moet ervan worden uitgegaan dat men kan beschikken over een stallingsplaats.

3.2.4

In de toelichting bij artikel 9, eerste lid, van de Verordening 2013 is eveneens vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of een bewoner over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, van een ruime interpretatie moet worden uitgegaan. Onder ‘kan beschikken’ wordt dus ook verstaan dat de aanvrager een stallingsplaats kan kopen of huren in de garage die hoort bij het blok(deel) waar hij gevestigd is. Het gaat daarbij niet om de vraag of men financieel in staat is een stallingsplaats te kopen of huren, maar om de vraag of er een stallingsplaats te koop of te huur is.

3.2.5

Niet in geschil is dat de bewoners van het [adres 2] in z’n algemeenheid een abonnement kunnen aanschaffen waarmee 24 uur per dag en 7 dagen per week gebruik kan worden gemaakt van een plaats in de parkeergarage. Ook is niet in geschil dat de eigenaar van de parkeergarage te allen tijde plekken vrijhoudt voor de bewoners die daar een plaats hebben gehuurd. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, bestaat de parkeergarage uit 560 plaatsen. In een situatie dat 60 bewoners een plaats in de parkeergarage hebben gehuurd, hebben deze bewoners een gegarandeerde toegang tot een plaats in de parkeergarage. Dit is, zoals verweerder op de zitting heeft uiteengezet, geen vaste maar een flexibele plaats. De resterende 500 plaatsen zijn beschikbaar voor het parkeren door andere personen. Omdat uit het vorenstaande blijkt dat de door de bewoners gehuurde flexibele plaatsen niet door anderen dan bewoners kunnen worden ingenomen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de door de bewoners gehuurde plaatsen in de parkeergarage niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk zijn. Dat de parkeergarage openbaar toegankelijk is en het tijdens evenementen mogelijk is dat veel mensen van buitenaf hun auto in de parkeergarage parkeren, maakt dat niet anders. Voor zover een bewoner in een incidenteel geval door drukte in verband met een evenement geen gebruik kan maken van een in de parkeergarage gereserveerde plaats overweegt de rechtbank dat dit een omstandigheid is die primair ligt in de civielrechtelijke verhouding tussen huurder en de verhuurder en dat eiseres zich in verband daarmee dan ook moet wenden tot de eigenaar of beheerder van de parkeergarage. Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de aan de bewoners verhuurde plaatsen in de parkeergarage als stallingsplaatsen in de zin van artikel 1, aanhef en onder gg, van de Verordening 2013 moeten worden aangemerkt.

3.2.6

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2013 gestelde voorwaarden. Verweerder is daarom op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2013 gehouden om de aan eiseres verstrekte bewonersvergunning in te trekken. Omdat artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2013 dwingendrechtelijk is geformuleerd, heeft verweerder geen beleids- en beoordelingsvrijheid, waaraan in beleid invulling kan worden gegeven. Omdat verweerder hier geen beleid voert, kan eiseres niet worden gevolgd in het aangevoerde dat verweerder in strijd met beleid heeft gehandeld. Uit het bovenstaande volgt ook dat verweerder geen ruimte heeft om in zijn besluitvorming de hierboven in 3.1 door eiseres naar voren gebrachte belangen, zoals het ontbreken van financiële draagkracht om een plaats in de parkeergarage te huren, te betrekken.

4.1

Eiseres voert daarnaast aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op haar, naast haar huidige woning gelegen, oude adres de bewoners een eigen parkeerplek voor de woning en een parkeervergunning van verweerder hebben gekregen.

4.2

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2333), volgt dat het aan eiseres is om haar beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. Omdat zij dit niet heeft gedaan, slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder heeft toegezegd dat hij zal overgaan tot de intrekking van de aan de bewoners van de [adres 3] verleende bewonersvergunningen als uit onderzoek van verweerder blijkt dat die bewoners over een stallingsplaats kunnen beschikken.

5.1

Eiseres voert ook aan dat het besluit tot intrekking pas na meer dan anderhalf jaar is genomen. Als zij wist dat zij geen bewonersvergunning kreeg of behield, zou zij naar een andere plek zijn verhuisd.

5.2

Voor zover eiseres hiermee bedoelt aan te voeren dat verweerder haar vergunning in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft ingetrokken, volgt de rechtbank haar hierin niet. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet op basis van de opeenvolgende, stilzwijgende verlengingen erop kon vertrouwen dat zij ook in de toekomst steeds over de aan haar verleende bewonersvergunning kon beschikken. Het is mogelijk dat parkeervergunningen, ook gedurende vele jaren, telkens worden verlengd zonder dat is getoetst of aan de voorwaarden wordt voldaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1747). Verweerder heeft geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen gedaan, waaraan rechtens de verwachting kon worden ontleend dat eiseres ook in de toekomst over de bewonersvergunning kon blijven beschikken.

6.1

Voor zover eiseres zich op de in artikel 40 van de Verordening 2013 neergelegde hardheidsclausule beoogt te beroepen, omdat haar financiële situatie de huur van een plaats in de parkeergarage niet toelaat en haar vader, die haar maandelijks bezoekt, slecht ter been is, overweegt de rechtbank als volgt.

6.2

Het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De rechtbank dient het niet gebruik maken door verweerder van die bevoegdheid daarom terughoudend te toetsen. De hardheidsclausule wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast.

6.3

De door eiseres genoemde omstandigheden maken echter niet dat sprake is van zeer uitzonderlijke gevallen in een hiervoor genoemde zin. De toepassing van de hardheidsclausule ziet op schrijnende gevallen, zoals personen die levensbedreigend ziek zijn en nog maar kort hebben te leven. Deze situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid van de toepassing van de hardheidsclausule heeft kunnen afzien.

7. Gelet op het vorenstaande voert eiseres tevergeefs aan dat verweerder de Verordening 2013 op onzorgvuldige wijze heeft toegepast.

8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder de bewonersvergunning terecht heeft ingetrokken.

9. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

10. Voor een proceskostenveroordeling en een vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage juridisch kader

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Verordening 2013 kan verweerder een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunningsgebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder gg, van de Verordening 2013 wordt verstaan onder stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk.

Op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2013 - voor zover hier van belang - trekt verweerder een vergunning in, indien niet voldaan of niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Verordening.

Op grond van artikel 40 van de Verordening 2013 is het college bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.