Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9130

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4630
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van twee bewonersvergunningen voor auto’s, omdat kan worden beschikt over een stallingsplaats en beide bewoners geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule toekomt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4630

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bewonersvergunning van eiseres met ingang van 1 mei 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 4 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en bepaald dat de bewonersvergunning met ingang van 1 november 2017 wordt ingetrokken.

Eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft een woning in een flat op het adres [adres] te Amsterdam (de woning). De bewoners van de flat kunnen een parkeerplaats huren in de onder het flatgebouw gelegen parkeergarage [naam] (de parkeergarage).

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan eiseres verleende bewonersvergunning voor haar auto met het kenteken [kenteken] ingetrokken, omdat zij kan beschikken over een stallingsplaats. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking gehandhaafd.

3.1

Eiseres bestrijdt het standpunt van verweerder dat zij over een stallingsplaats kan beschikken. Zij voert aan dat de garage door een ieder kan worden betreden en er geen apart afgesloten gedeelte binnen de garage is waar bewoners kunnen parkeren. De parkeergarage onder haar flat is enorm onveilig. De garage heeft een aanzuigende werking op criminelen. Daar is een medebewoner bij vergissing vermoord en zijn vriendin is hierbij ernstig gewond geraakt. Er zijn talloze auto’s, scooters en fietsen uit de garage gestolen, er worden met regelmaat autoruiten ingeslagen en dieven gebruiken de garage als eenvoudige toegang om de woningen in de flat binnen te komen en in te breken. Hiervoor is tot op heden geen oplossing gekomen. De wijkagent heeft de bewoners van de flat vanwege de hierboven geschetste problematiek meermalen aangeraden de auto’s op straat te parkeren. De weerstand onder de bewoners om niet op straat te mogen parkeren en tegen betaling in een zeer onveilige garage te moeten staan, is daarom enorm groot.

3.2.1

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 (Verordening 2013) kan verweerder een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunningsgebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam

3.2.2

Niet in geschil is dat eiseres bewoner is van een zelfstandige woning in het vergunninggebied en houder is van één auto en dat zij een plaats zou kunnen huren in de parkeergarage. In geschil is of de parkeerplaats voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk is.

3.2.3

In de toelichting op artikel 1, aanhef en onder dd, van de inmiddels ingetrokken Parkeerverordening 2009 (Verordening 2009) is vermeld dat een stallingsplaats in het gewone spraakgebruik ook een parkeerplaats is. In deze verordening zijn de parkeerplaatsen echter gedefinieerd. Het parkeren op eigen terrein en buiten de openbare weg, dus de garageplaats bijvoorbeeld, speelt een rol bij de parkeerregulering.

3.2.4

In de toelichting bij artikel 9, eerste lid, van de Verordening 2009 is vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of een bewoner over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie. Als men bijvoorbeeld de beschikking heeft, op grond van huur of koop, over een individuele garage of een parkeerplaats bij of in de buurt van de woning, dan moet ervan worden uitgegaan dat men kan beschikken over een stallingsplaats.

3.2.5

In de toelichting bij artikel 9, eerste lid, van de Verordening 2013 is eveneens vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of een bewoner over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, van een ruime interpretatie moet worden uitgegaan. Onder ‘kan beschikken’ wordt dus ook verstaan dat de aanvrager een stallingsplaats kan kopen of huren in de garage die hoort bij het blok(deel) waar hij gevestigd is. Het gaat daarbij niet om de vraag of men financieel in staat is een stallingsplaats te kopen of huren, maar om de vraag of er een stallingsplaats te koop of te huur is.

3.2.6

Niet in geschil is dat de bewoners van het [adres] in z’n algemeenheid een abonnement kunnen aanschaffen waarmee 24 uur per dag en 7 dagen per week gebruik kan worden gemaakt van een plaats in de parkeergarage. Ook is niet in geschil dat de eigenaar van de parkeergarage te allen tijde plekken vrijhoudt voor de bewoners die daar een plaats hebben gehuurd. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, bestaat de parkeergarage uit 560 plaatsen. In een situatie dat 60 bewoners een plaats in de parkeergarage hebben gehuurd, hebben deze bewoners een gegarandeerde toegang tot een plaats in de parkeergarage. Dit is, zoals verweerder op de zitting heeft uiteengezet, geen vaste maar een flexibele plaats. De resterende 500 plaatsen zijn beschikbaar voor het parkeren door andere personen. Omdat uit het vorenstaande blijkt dat de door de bewoners gehuurde flexibele plaatsen niet door anderen dan bewoners kunnen worden ingenomen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de door de bewoners gehuurde plaatsen in de parkeergarage niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk zijn. Dat de parkeergarage openbaar toegankelijk is en niet over een apart afgesloten parkeergedeelte voor bewoners beschikt, maakt dat niet anders. Het gaat erom dat zij een gegarandeerde plek hebben die niet voor het openbaar verkeer toegankelijk is. Voor zover een bewoner in een incidenteel geval geen gebruik kan maken van een in de parkeergarage gereserveerde plaats overweegt de rechtbank dat dit een omstandigheid is die primair ligt in de civielrechtelijke verhouding tussen huurder en de verhuurder en dat eiseres zich in verband daarmee dan ook moet wenden tot de eigenaar of beheerder van de parkeergarage. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn standpunt dat de aan de bewoners verhuurde plaatsen in de parkeergarage als stallingsplaatsen in de zin van artikel 1, aanhef en onder gg, van de Verordening 2013 moeten worden aangemerkt.

3.2.7

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2013 gestelde voorwaarden. Verweerder is daarom op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2013 gehouden om de aan eiseres verstrekte bewonersvergunning in te trekken. Omdat artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2013 dwingendrechtelijk is geformuleerd, heeft verweerder geen beleids- en beoordelingsvrijheid, waaraan in beleid invulling kan worden gegeven. Verweerder heeft daarom geen ruimte om in zijn besluitvorming het hierboven in 3.1 door eiseres naar voren gebrachte belang bij een voor de bewoners afgesloten parkeerruimte te betrekken.

4.1

Voor zover eiseres zich met de in 3.1 genoemde veiligheidsaspecten op de in artikel 40 van de Verordening neergelegde hardheidsclausule beoogt te beroepen, overweegt de rechtbank als volgt.

4.2

Het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De rechtbank dient het niet gebruik maken door verweerder van die bevoegdheid daarom terughoudend te toetsen. De hardheidsclausule wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast.

4.3

De rechtbank begrijpt dat de door eiseres geschetste criminele activiteiten leiden tot een groot gevoel van onveiligheid in de parkeergarage en tot onbegrip onder de bewoners, omdat zij door de intrekking van de bewonersvergunningen worden gedwongen hun auto’s in de garage te parkeren. Daarbij onderkent de rechtbank dat eiseres veel pogingen in het werk heeft gesteld om tot beëindiging van de overlast in de parkeergarage te komen. Dit maakt echter niet dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval in een hiervoor genoemde zin. De toepassing van de hardheidsclausule ziet op schrijnende gevallen, zoals personen die levensbedreigend ziek zijn en nog maar kort hebben te leven. Deze situatie doet zich hier niet voor. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de veiligheidssituatie in de parkeergarage zodanig ernstig is dat verweerder niet in redelijkheid van de toepassing van de hardheidsclausule heeft kunnen afzien. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft toegezegd contact op te nemen met de juiste persoon van de gemeente om met eiseres te spreken over een oplossing van de veiligheidssituatie in de parkeergarage

5.1

Eiseres voert ten slotte aan dat de intrekking van haar bewonersvergunning tot gevolg heeft dat haar kraskaartvergunning, waarmee zij haar bezoekers voor een gereduceerd tarief kan laten parkeren, komt te vervallen.

5.2

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een intrekking van een kraskaartvergunning hier niet ter beoordeling staat. Als verweerder hiertoe overgaat, kan eiseres daartegen een rechtsmiddel aanwenden. De rechtbank merkt hierbij nog op dat artikel 23 van de Verordening 2013 aan een kraskaartvergunning niet als voorwaarde stelt dat over een bewonersvergunning wordt beschikt.

6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder de bewonersvergunning terecht heeft ingetrokken.

7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling en een vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage juridisch kader

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Verordening 2013 kan verweerder een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunningsgebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

Op grond van artikel 1 van de Verordening 2013 wordt verstaan onder

(…);

aa. parkeerplaats: plaats op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop parkeren niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

(…);

gg. stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk.

Op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2013 - voor zover hier van belang - trekt verweerder een vergunning in, indien niet voldaan of niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Verordening.

Op grond van artikel 40 van de Verordening 2013 is het college bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.