Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:906

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
EA VERZ 16-726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het Sociaal Plan is voor werknemers van 62+ de ontslagvoorziening opgenomen dat zij de mogelijkheid hebben gebruik te maken te maken van het vroegpensioen. Voor andere werknemers is een ontslagvergoeding op grond van de oude kantonrechtersformule opgenomen, zij het dat die voor werknemers die de vroegpensioenleeftijd naderen ook wordt afgetopt tot de datum van dat vroegpensioen. Dat is ergens tussen 62 en 63 jaar. De kantonrechter oordeelt dat de regeling voor de oudere werknemers te schril afsteekt bij de vergoedingen voor de jongere werknemers. Bovendien ontbreekt een regeling voor werknemers die willen dan wel moeten doorwerken en geen gebruik maken van het vroegpensioen. De regeling is daarom niet evenwichtig en niet geschikt. De werkgever heeft onvoldoende aangevoerd om de regeling passend en noodzakelijk te achten. Deze regeling in het SP past evenmin in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (Andersen en Toftgaard)

Wetsverwijzingen
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0177
AR 2017/876
PJ 2017/42
JAR 2017/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5179594 EA VERZ 16-726

beschikking van: 8 februari 2017

func.: 17243

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekster

nader te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. G.J. Dijks (Arag Rechtsbijstand)

t e g e n

de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V.

gevestigd te Amsterdam

verweerster

nader te noemen: ABN AMRO

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft een verzoek ingediend ex artikel 7:673 juncto 7:686a van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot toekenning van een vergoeding. Daarop is door ABN AMRO een verweerschrift ingediend.

Op 29 augustus 2016 is de zaak mondeling behandeld. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. ABN AMRO is verschenen bij [naam 1] , medewerker arbeidszaken, en [naam 2] , leidinggevende, bijgestaan door de gemachtigde en mr. F. Dekker. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

ABN AMRO heeft een akte na mondelinge behandeling ingediend, waarop door [verzoekster] bij akte (met producties) is gereageerd. ABN AMRO is in de gelegenheid gesteld op de producties te reageren.

Beschikking is nader bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1952, is op [datum] 1981 in dienst getreden bij ABN AMRO. De laatste functie die zij vervulde is die van [functie] , met een salaris van € 2.445,75 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

1.2.

De functie die [verzoekster] laatstelijk vervulde, is als gevolg van een reorganisatie per 28 november 2014 vervallen. [verzoekster] is met ingang van die datum boventallig verklaard.

1.3.

Over de personele gevolgen van de reorganisatie zijn afspraken gemaakt door ABN AMRO en de betrokken bonden. Van toepassing is het Sociaal Plan CAO (hierna het Sociaal Plan). Ingevolge IV.3 Sociaal Plan wordt een werknemer voor wie na verval of wijziging van de functie door reorganisatie geen passende functie beschikbaar is, geplaatst in de Mobiliteitsorganisatie. Als alternatief voor gebruikmaking van de diensten van de Mobiliteitsorganisatie kan de werknemer ook kiezen voor een vrijwillig vertrek bij ABN AMRO onder uitkering van een 100%-stimuleringspremie ( IV.4 Sociaal Plan) en twee bruto maandsalarissen (IV.6 Sociaal Plan). Op grond van IV.8 Sociaal Plan geldt indien gebruik wordt gemaakt van de Mobiliteitsorganisatie een zoektermijn van maximaal 12 maanden. Na deze datum wordt indien er geen nieuwe functie is gevonden de arbeidsovereenkomst beëindigd, waarbij een vergoeding wordt aangeboden van 75% van de hiervoor bedoelde stimuleringspremie. De stimuleringspremie is voor wat betreft de A-factor (dienstjaren) gebaseerd op de oude tot 1 januari 2009 geldende kantonrechtersformule. De stimuleringsregeling is ingevolge IV.5 Sociaal Plan gemaximeerd op een bedrag gelijk aan de inkomstenderving tot de leeftijd waarop de betreffende werknemer op grond van de Pensioenregeling 2006 een uitkering ontvangt die gelijk is aan de uitkering die hij zou hebben ontvangen als hij omstreeks de 62 jarige leeftijd met pensioen was gegaan onder de vigeur van de Pensioenregeling 2000 (de zogenaamde aftoppingsregeling)

1.4.

[verzoekster] is na 28 november 2014 in de Mobiliteitsorganisatie geplaatst. Gedurende de herplaatsingstermijn is er geen andere passende functie gevonden. Met toestemming van de ABN AMRO Ontslagadviescommissie is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2016 opgezegd.

1.5.

[verzoekster] heeft (tot op heden) ervoor gekozen haar pensioenaanspraak niet geldend te maken en zich te richten op het vinden van ander werk. Zij zal de AOW gerechtigde leeftijd bereiken op [geboortedatum] 2018.

Verzoek

2. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van primair een ontslagvergoeding van € 97.974,08 bruto (75% van de stimuleringspremie) en subsidiair de transitievergoeding van € 76.000,00 bruto. Een en ander onder verstrekking van een specificatie op straffe van de in het verzoekschrift vermelde dwangsommen, met wettelijke rente vanaf 1 mei 2016, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3. Aan het primaire verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat de aftopping van de stimuleringsregeling als opgenomen in IV.5 Sociaal Plan nietig is wegens verboden leeftijdsdiscriminatie op grond van artikel 13 van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBLA). Verder doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel waar het gaat om een mogelijke afwijking van het Sociaal Plan.

4. Aan het subsidiaire verzoek ligt onder verwijzing naar de uitspraak van 15 oktober 2015 van de kantonrechter Rotterdam (JAR 2015/290) ten grondslag dat toepassing van artikel XXII lid 7 van het Overgangsrecht WWZ in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5. Hetgeen verder is aangevoerd zal - voor zover relevant - hierna bij de beoordeling verder aan de orde komen.

Verweer

6. ABN AMRO verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – kort samengevat – dat de aftoppingsregeling in het Sociaal Plan een legitiem doel dient en een passend en noodzakelijk middel vormt ter bereiking van dat doel. De aftoppingsleeftijd, gelegen tussen de 62 en 63 jaar, is weliswaar lager dan de huidige AOW leeftijd maar historisch gezien verklaarbaar en biedt een goede pensioenvoorziening. Ook ten aanzien van andere werknemers is niet afgeweken van het Sociaal Plan.

7. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek beroept ABN AMRO zich primair op het overgangsrecht in artikel XXII lid 7 van het Overgangsrecht WWZ. ABN AMRO stelt daarbij onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis dat de wetgever zich bewust is geweest van het risico dat collectieve afspraken tot een lagere vergoeding kunnen leiden dan de transitievergoeding. Overigens is er geen substantieel verschil tussen hetgeen [verzoekster] op grond van het Sociaal Plan zou ontvangen en de transitievergoeding, mede in aanmerking genomen (de kosten van) de periode in de Mobiliteitsorganisatie en de periode tot het ontslag. ABN AMRO doet in dat verband ook een beroep op artikel 7:673b BW.

8. Voor het geval geoordeeld wordt dat [verzoekster] aanspraak heeft op een transitievergoeding dient op grond van artikel 5 van het ‘Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op de transitievergoeding’ een bedrag van € 41.298,96 in mindering te worden gebracht. [verzoekster] verzoekt ten onrechte meer dan de inkomstenderving tot haar AOW gerechtigde leeftijd.

9. Hetgeen verder is aangevoerd zal - voor zover relevant - hierna bij de beoordeling verder aan de orde komen.

Beoordeling

10. Tussen partijen is niet in geschil dat met de aftoppingsregeling in IV.5 Sociaal Plan op zich een onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd. Immers deze regeling brengt met zich dat de stimuleringspremie wordt verminderd dan wel op nihil gesteld op de enkele grond dat de leeftijd van 62 jaar wordt genaderd dan wel die leeftijd is gepasseerd. Dit is een direct onderscheid in de zin van artikel 7 lid 1 onder c WGBLA. Het gaat om de vraag of het hanteren van deze fictieve pensioenleeftijd een ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd oplevert of dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging daarvoor. Voor dat laatste moet sprake zijn van een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt, en de gehanteerde middelen voor het bereiken van dat doel dienen passend en noodzakelijk te zijn. Deze vraag moet beoordeeld worden naar de gehele groep van werknemers, en niet naar die van een individuele werknemer. Mede gelet op artikel 12 van de WGBLA ligt het thans op de weg van ABN AMRO te bewijzen dat er geen sprake is van een ongeoorloofd onderscheid. Bij de beoordeling dienen alle relevante omstandigheden te worden betrokken. Een van die omstandigheden is dat het Sociaal Plan tot stand is gekomen met de betrokken bonden en dat deze volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een ruime beoordelingsmarge hebben bij de keuze van een doelstelling van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid en de maatregelen waarmee deze doelstelling kunnen worden verwezenlijkt.

10. ABN AMRO heeft aangevoerd dat het hoofddoel van het Sociaal Plan is het bewerkstelligen van een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen onder alle bij het ontslag betrokkenen. Het doel van de aftopping is allereerst gelegen in het mogelijk maken van een royaal (op de oude vóór 2009 geldende kantonrechtersformule gebaseerd) sociaal plan voor hen die dat het hardst nodig hebben. Omdat de financiële middelen beperkt zijn en niet iedereen evenveel toekomstig economisch nadeel lijdt, is het noodzakelijk om de beschikbare middelen rechtvaardig te verdelen en binnen de beschikbare financiële ruimte het toekomstig economisch nadeel van de werknemers die hun arbeidsplaats verliezen zoveel mogelijk te beschermen. Dit zijn, aldus ABN AMRO, legitieme doelen, nu zij geen discriminerend oogmerk hebben en voorzien in een werkelijke behoefte van ABN AMRO en haar werknemers.

10. [verzoekster] heeft niet gemotiveerd weersproken dat deze doelen op zich legitiem zijn om een onderscheid naar leeftijd te rechtvaardigen. De kantonrechter ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen, zij het dat daarbij de kanttekening past dat het doel zo algemeen geformuleerd is, dat het ruimte laat voor een scala aan middelen om dat doel te bereiken. De keuze voor een bepaald middel zal daarom gemotiveerd moeten worden.

10. Het bezwaar van [verzoekster] ziet ook met name op het gekozen middel om deze doelen te bereiken. Dit is volgens [verzoekster] niet passend en noodzakelijk.

10. ABN AMRO heeft in dat verband aangevoerd dat gekozen is voor het middel om aan de vertrekkende werknemers, eventueel na een periode van twaalf maanden waarin naar een passende functie is gezocht, een afvloeiingsvergoeding toe te kennen. De hoogte van die vergoeding loopt op naarmate de leeftijd en het aantal dienstjaren van de werknemer toenemen, waarbij dienstjaren na 40-jarige leeftijd voor 1,5 en na 50-jarige leeftijd voor 2 meetellen. Het Sociaal Plan gaat er daarmee van uit dat trouwe dienst billijkheidshalve behoort te worden beloond. Middels de wegingsfactor wordt met de slechtere arbeidsmarktpositie van oudere werknemers rekening gehouden. Het plafond aan de stimuleringspremie in IV.5 is echter gemaximeerd op de inkomstenderving van de werknemer tot de leeftijd waarop hij onder de vigeur van de Pensioenregeling 2000 met pensioen was gegaan (ergens tussen 62 en 63 jaar), omdat er bij het ontvangen van een individuele pensioenuitkering volgens ABN AMRO geen behoefte is aan inkomensbescherming. Op dat moment gaat ook de slechtere arbeidsmarktpositie niet meer op, aldus ABN AMRO. Daarmee wordt voldaan aan de doelstellingen van het Sociaal Plan: het beperken van de financiële gevolgen van de reorganisatie voor de werkgever en de in dienst blijvende werknemers en het bewerkstelligen van een eerlijke en rechtvaardige verdeling van de beschikbare middelen van alle bij het ontslag betrokkenen. Onder verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van het huidige Sociaal Plan en de ontwikkelingen in de (verhoging van de) pensioenleeftijd en pensioenuitkeringen stelt ABN AMRO dat werknemers bij ABN AMRO al op 57 jaar met pensioen kunnen en hoewel in 2006 een nieuwe Pensioenregeling in werking is getreden met een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar, kunnen de werknemers onder meer door bijstortingen door ABN AMRO in de pensioenpot ook onder de nieuwe regeling rond de 62e verjaardag met pensioen en wel met een pensioen gelijk aan het pensioen dat hij/zij onder de oude Pensioenregeling 2000 op ongeveer dezelfde leeftijd zou hebben gehad. Die laatste regeling werd algemeen als een zeer goede pensioenregeling beschouwd. Bij akte na mondelinge behandeling heeft ABN AMRO toegelicht dat voor de vraag wat een redelijk pensioen is heden ten dage moet worden uitgegaan van 75% van het gemiddeld genoten loon en niet van 70% van het laatstverdiende loon. De aanspraak uit het Sociaal Plan voldoet hieraan, ook voor [verzoekster] , aldus ABN AMRO.

10. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

10. Het Sociaal Plan waarin de in geding zijnde regeling is opgenomen is op 28 april 2014 overeengekomen. Op dat moment waren de AOW- en pensioenrichtleeftijd al aanzienlijk omhoog gegaan (van 65 naar 67 jaar, met afbouwregelingen), zodat voor de vraag of de aftoppingsregeling een geschikt en noodzakelijk middel is rekening gehouden moest worden met een overbruggingsperiode van minimaal 5 jaar. Vanuit arbeidsmarktperspectief is verder van belang dat de overheidsmaatregelen op dat moment waren gericht op een langere deelname van de oudere werknemer aan het arbeidsproces en dat daarnaast sprake was van voorgenomen en in een vergaand stadium verkerende wijzigingen in het ontslagrecht, waarin een wettelijke transitievergoeding was opgenomen die enerzijds bedoeld was als compensatie voor het ontslag en anderzijds om de werknemer met de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen transitie naar een andere baan te vergemakkelijken.

10. De transitievergoeding is uiteindelijk geregeld in artikel 7:673 lid 1 BW, dat per 1 juli 2015, dus voor het onderhavige ontslag, in werking is getreden en dat directe werking heeft. Op grond van deze bepaling is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst tenminste 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is opgezegd. Ingevolge het zevende lid is de transitievergoeding niet verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet in verband met of na het bereiken van de ingevolge de AOW bepaalde pensioengerechtigde leeftijd of andere overeengekomen pensioenleeftijd. De wet voorziet niet in een aftoppingsregeling tot die leeftijd bij ontslag (kort) vóór die datum. Voor gevallen als de onderhavige voorziet artikel XXII lid 7 van het Overgangsrecht WWZ in een overgangsregeling voor de werknemer waarvoor wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vergoeding of voorziening is geregeld.

10. De vraag of het door ABN AMRO gekozen middel passend en noodzakelijk is dient naar het oordeel van de kantonrechter mede tegen de hiervoor geschetste achtergrond te worden beoordeeld. Hoewel, zoals gezegd, sociale partners een grote vrijheid hebben bij de keuze van de doelstellingen en de middelen om die te bereiken, dient de rechter bij de vraag of daarbij voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit alle relevante omstandigheden te betrekken, waaronder voorgaande ontwikkelingen (zie onder meer HR 18 december 2015, JAR 2016,41).

19. De kantonrechter stelt vast dat in het Sociaal Plan voor de groep werknemers die aanspraak kunnen maken op het vroegpensioen terzake van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst geen andere voorziening is getroffen dan de mogelijkheid gebruik te maken van dat vroegpensioen. Voor andere werknemers tot 62 jaar geldt de riante stimuleringspremie, zij het voor werknemers die de leeftijd van het vroegpensioen naderen met een zekere aftopping tot dat vroegpensioen. Het Sociaal Plan bevat verder geen hardheidsclausule noch een voorziening specifiek voor ouderen die na hun 62e jaar willen dan wel moeten doorwerken, anders dan de mogelijkheid na een herplaatsingsprocedure alsnog met vroegpensioen te gaan.

19. De omstandigheden, die ABN AMRO voor de ongelijke behandeling naar leeftijd heeft aangevoerd zijn naar het oordeel van de kantonrechter geen afdoende rechtvaardiging daarvoor. Allereerst omdat de getroffen voorziening voor 62+ schril afsteekt bij de riante voorziening voor werknemers tot die leeftijd, terwijl de positie van bijvoorbeeld een 62 jarige niet zodanig verschilt van een 60 jarige waar het gaat om gerichtheid en kansen op de arbeidsmarkt, dat dit verschil daardoor gerechtvaardigd wordt. Maar daarnaast en in nog belangrijker mate geldt dat er in feite geen enkele voorziening is getroffen voor werknemers die geen gebruik willen maken van het vroegpensioen en die overeenkomstig het overheidsbeleid gewoon willen doorwerken. Voor het ontbreken van een keuzemogelijkheid heeft ABN AMRO onvoldoende redengevende omstandigheden aangevoerd. De kantonrechter acht daarom de gekozen regeling niet evenwichtig, niet geschikt en niet noodzakelijk.

19. Bij het voorgaande is meegewogen dat er diverse redenen zijn waarom een werknemer wil of moet doorwerken, bijvoorbeeld indien sprake is geweest van een onderbreking in de pensioenopbouw of zoals in het onderhavige geval een langere periode van minder werken in verband met verzorging van de kinderen, waarbij de opbouw van een redelijk pensioen met name in de laatste fase van voltijd werken moet plaatsvinden. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat in die laatste fase nog een belangrijke opbouw van het pensioen plaatsvindt. Een en ander wordt ook weerspiegeld in de gegevens die ABN AMRO bij akte heeft overgelegd ten aanzien van [verzoekster] . Kort gezegd zou [verzoekster] , die laatstelijk als pensioengevend inkomen € 40.215,00 bruto per jaar verdiende, indien zij direct gebruik had gemaakt van het vroegpensioen, een vroegpensioen hebben kunnen ontvangen van € 21.791,26 bruto per jaar (bestaande uit een levenslang ouderdomspensioen van € 12.005,74 bruto per jaar en een TOP-uitkering van € 9.785,52 bruto per jaar). De betreffende TOP-uitkering komt daarbij onweersproken uit de eigen pensioenpot van [verzoekster] , hetgeen met zich brengt dat indien zij deze aanwendt zoals ABN AMRO voorstaat, haar pensioenuitkering later lager uitvalt. De kantonrechter acht gelet op de grote terugval in inkomsten, die niet alleen voor [verzoekster] geldt maar veel vaker voor zal komen, geen sprake van een regeling waarin zoals ABN AMRO stelt een afdoende inkomensbescherming wordt geboden. Ook in dit opzicht is de aftoppingsregeling niet een geschikt middel om dat doel te bereiken. Bovendien geldt voor werknemers die langer doorwerken nog steeds, anders dan ABN AMRO als uitgangspunt heeft genomen, dat zij last hebben van de slechtere arbeidsmarktpositie.

19. Ook in het licht van de jurisprudentie van het HvJ EU (HvJ EU 12 oktober 2010, JAR 2010,296 (Andersen) en 26 september 2013, JAR 2013,266 (Toftgaard)) is het gelijk stellen van personen die voor een vroegpensioen in aanmerking komen met personen die daadwerkelijk een dergelijk pensioen ontvangen een te vergaand middel, omdat dit werknemers benadeelt die op de arbeidsmarkt actief willen blijven en zonder enige vergoeding de overgang naar ander werk bemoeilijkt wordt. ABN AMRO heeft een beroep op het Andersen-arrest afgewezen omdat het bij de aftopping van de stimuleringspremie niet zou gaan om een vergoeding die tot doel heeft het faciliteren van het zoeken naar ander werk, maar de kantonrechter ziet geen wezenlijk verschil met de situatie in dat arrest, waarin het eveneens ging om een mogelijk vroegpensioen als grondslag voor het weigeren van een ontslagvergoeding, terwijl van dat vroegpensioen geen gebruik werd gemaakt omdat de werknemer wilde doorwerken. De situatie in Odar/Baxtar (HvJ 6 december 2012, JAR 2013,19) acht de kantonrechter afwijkend van de onderhavige situatie, omdat in die situatie weliswaar de ontslagvergoeding werd gemaximeerd op inkomstenderving tot de vroegst mogelijke pensioenleeftijd, maar met een substantiële ondergrens van de helft van de volgens de standaardformule berekende vergoeding. ABN AMRO heeft nog een beroep gedaan op het oordeel van het College voor de rechten van de mens van 4 oktober 2013 (Oordeel 2013-123), maar daar ging het om een werkneemster die vrijwillig ontslag had genomen en daarmee afstand had gedaan van de mogelijkheid geplaatst te worden in de mobiliteitsorganisatie. Bovendien ging het daar om een ontslag per 1 januari 2012 en hebben zich nadien zoals hiervoor overwogen relevante ontwikkelingen voorgedaan op het gebied van de pensioenen en de WWZ.

19. Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de aftoppingsregeling in artikel IV.5 van het Sociaal Plan in strijd is met de WGBLA en derhalve als nietig buiten toepassing moet blijven. Als gevolg hiervan heeft [verzoekster] in beginsel aanspraak op de door haar verzochte stimuleringspremie, tenzij dit zoals ABN AMRO heeft bepleit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

19. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. De ontslagvergoeding van [verzoekster] op grond van het Sociaal Plan voorziet weliswaar in een vrij riante vergoeding maar niet zodanig in vergelijking met de verzochte transitievergoeding dat er aanleiding bestaat om voor de eerste vergoeding een aftopping te gaan toepassen, terwijl voor de tweede vergoeding een dergelijke regeling niet in de wet is opgenomen. In dat opzicht heeft de wetgever gekozen voor een systeem met een vaste transitievergoeding zonder aftopping, hetgeen afwijkt van Aanbeveling 3.5 van de Kring van Kantonrechters die gebaseerd was op artikel 7:685 BW waarin de kantonrechter een vergoeding kon toekennen zo hem dit met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkwam. Evenmin is er aanleiding om het volledige loon gedurende de outplacementperiode in mindering te brengen, nu daarvoor met de korting van 25% van de stimuleringspremie overeenkomstig het Sociaal Plan al afdoende rekening is gehouden.

19. Het primaire verzoek zal worden toegewezen, zij het dat er onvoldoende is aangevoerd om aan het verstrekken van een specificatie een dwangsom te verbinden. De buitengerechtelijke kosten zijn als niet weersproken eveneens toewijsbaar, evenals de gevorderde rente.

19. Nu het primaire verzoek wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet meer toe aan een beoordeling van de stellingen van partijen ten aanzien van het subsidiaire verzoek.

19. De proceskosten komen voor rekening van ABN AMRO, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld, met dien verstande dat € 50,00 respectievelijk € 68,00 aan nasalaris zal worden toegewezen, omdat de onderhavige zaak een arbeidszaak betreft.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt ABN AMRO tot betaling aan [verzoekster] van € 97.974,08 bruto aan (75% van de) stimuleringspremie, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2016 tot aan de dag van de gehele betaling en onder verstrekking van een schriftelijke en deugdelijke specificatie alsmede tot betaling van een bedrag van € 1.754,74 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 471,00 aan griffierecht en € 625,00 aan salaris gemachtigde, één en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW;

veroordeelt ABN AMRO tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en ABN AMRO niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan de beschikking heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing inclusief BTW;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen, kantonrechter en op 8 februari 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter