Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:9

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5450
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nummeraanduiding / artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag / sprake van twee zelfstandige verblijfsobjecten / functionele zelfstandigheid / zelf in de zaak voorzien / geen pkv in bezwaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser, en

[eiseres] , eiseres,

beiden te [woonplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. E. van Bennekom),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Tomson).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) de nummeraanduiding [nummer] toegekend en bepaald dat [nummer] en [nummer] komen te vervallen.

Bij besluit van 13 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Eiser en eiseres zijn elkaars partner en zijn eigenaar van het pand aan de [nummer] te [woonplaats] , alwaar zij woonden en stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Amsterdam (BRP). Zij hebben het naastgelegen pand aan de [nummer] te [woonplaats] gekocht met als doel om daar te gaan wonen en het pand met huisnummer [nummer] voor een groot gedeelte als praktijkruimte te gaan gebruiken. Eiser is namelijk [functie] en [functie] en wil met zijn [omschrijving] het mogelijk maken om ten behoeve van zijn beroep en bedrijven, [naam] en [naam] , werkzaamheden te kunnen uitvoeren.

1.2

Om dit te kunnen bewerkstelligen is aan eiseres op 2 maart 2016 een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en samenvoegen van de begane grond van de onderhavige panden door de steunmuur tussen deze panden te doorbreken met bestemming daarvan tot één woonfunctie. Tegen deze beschikking hebben eisers op 7 april 2016 een bezwaarschrift ingediend en – kort gezegd – aangevoerd dat naast de woonfunctie nog een gebruiksfunctie dan wel een nevenfunctie moet worden toegekend, zijnde een kantoor-, praktijk- of bedrijfsruimte.

1.3

Verweerder heeft naar aanleiding van de verleende omgevingsvergunning bij het primaire besluit ambtshalve de nummeraanduiding [nummer] toegekend en bepaald dat [nummer] en [nummer] komen te vervallen. Tegen het primaire besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat is voldaan aan de eis dat beide objecten, voorheen ieder in gebruik als zelfstandige woning, bereikbaar zijn via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg. Aan de eis dat sprake dient te zijn van functionele zelfstandigheid wordt volgens verweerder niet voldaan, omdat eiser niet permanent werkt in het pand met huisnummer [nummer] en dit pand niet uitsluitend als bedrijfsruimte wordt gebruikt, maar ook als woning waar eisers gebruik maken van de slaapkamers. Ook de omstandigheid dat eiser zich met ingang van 29 februari 2016 in de BRP heeft laten inschrijven op huisnummer [nummer] , terwijl eiseres en drie kinderen stonden ingeschreven op huisnummer [nummer] , maakt volgens verweerder aannemelijk dat beide panden worden bewoond en dat er van functionele zelfstandigheid geen sprake is.

Wettelijk kader

2.1

Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder verblijfsobject verstaan de kleinste binnen een of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

2.2

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet bag deelt de gemeenteraad het grondgebied van de gemeente in een of meer stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

2.3

Artikel 4 van de Verordening op de vastgoedregistratie Amsterdam 2011 bepaalt het volgende:

1. Het college:

a. deelt het totale gemeentegebied in een of meer woonplaatsen, deelt desgewenst een woonplaats in stadsdelen, buurtcombinaties en buurten, en kent daaraan namen en codes toe;

b. stelt de openbare ruimten vast, kent namen daaraan toe en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen;

c. stelt de standplaatsen en ligplaatsen, en de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen vast.

2. Voordat het college een naam toekent aan een openbare ruimte als bedoeld in het eerste lid, onder b, vraagt het advies aan de Commissie naamgeving openbare ruimten. Het college besluit conform dit advies, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn dat niet te doen.

3. De Commissie naamgeving openbare ruimten adviseert schriftelijk na ontvangst van het verzoek van het college.

4. Onder vaststellen, indelen en toekennen, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.

Beoordeling

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van één verblijfsobject in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag. Er is namelijk geen sprake van functionele zelfstandigheid van het pand met huisnummer [nummer] , aangeduid als bedrijfsruimte en het pand met huisnummer [nummer] , aangeduid als woning.

3.2

In beroep hebben eisers aangevoerd dat weliswaar een gedeelte van het pand met huisnummer [nummer] wordt gebruikt als praktijkruimte en dus een gedeelte is betrokken bij woning met huisnummer [nummer] , maar dit niet wegneemt dat de praktijkruimte een zelfstandig verblijfsobject is. Eisers hebben daarbij betoogd dat aan alle voorwaarden van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag wordt voldaan.

3.3

De rechtbank overweegt dat een object een verblijfsobject is in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag, indien aan de in deze bepaling cumulatief gestelde criteria wordt voldaan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:423) overweegt de rechtbank dat het Objectenhandboek een handreiking is van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over hoe om te gaan met de afbakening van de begrippen ‘panden’ en ‘verblijfsobjecten’. Volgens dit handboek is een verblijfsobject de kleinste eenheid van gebruik binnen een of meer panden, indien en voor zover er een aaneengesloten samenhangend gebruik is. Als voorbeeld van een verblijfsobject wordt een dokterspraktijk genoemd. Praktijkruimten van een dokter zijn vaak inpandig in de woning. In dat geval wordt de praktijkruimte alleen dan als verblijfsobject aangemerkt als de ruimte beschikt over een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte. Beschikt de ruimte niet over een dergelijke eigen toegang, dan is de ruimte geen verblijfsobject. Heeft de dokterspraktijk een voordeur waarachter zich de doktersruimte bevindt en een toegang tot de woning, dan is er een enkel verblijfsobject. Indien een zij-ingang toegang geeft tot de dokterspraktijk, zijn er twee verblijfsobjecten. Voorts dient een verblijfsobject functioneel zelfstandig te zijn. Dat betekent dat afzonderlijke afbakening van een verblijfsobject niet plaats vindt ten aanzien van een object waarvan het daadwerkelijke gebruik dienstbaar moet worden geacht aan een andere eenheid van gebruik, aldus het Objectenhandboek.

3.4

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de plattengrond zoals in de bezwaarfase is overgelegd, nu ter zitting is vastgesteld dat deze de feitelijke situatie weergeeft. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de praktijkruimte in het pand met huisnummer [nummer] beschikt over een afsluitbare toegang vanaf de openbare weg en evenmin in geschil is dat de praktijkruimte onderwerp kan zijn van een goederenrechtelijke rechtshandeling. Gelet op de definitie van verblijfsobject in de Wet bag moet ook worden voldaan aan het criterium dat de praktijkruimte in functioneel opzicht zelfstandig is. Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet bag (Kamerstukken II 2008/09, 31726, nr. 3, blz. 17) blijkt dat het daarbij gaat om de vraag of sprake is van eenheid van gebruik van de ruimte. Het standpunt van verweerder dat geen sprake is van functionele zelfstandigheid omdat het pand met huisnummer [nummer] wordt gebruikt als bedrijfsruimte en voor woondoeleinden kan de rechtbank onder verwijzing naar de toelichting in de aangehaalde uitspraak van de Afdeling niet volgen. Verweerder miskent allereerst dat het in het onderhavige geval niet gaat om de vraag of het pand met huisnummer [nummer] en het pand met huisnummer [nummer] functioneel zelfstandig zijn, maar om de vraag of de praktijkruimte (in het pand met huisnummer [nummer] ) en de woning (in het pand met huisnummer [nummer] en deels [nummer] ) in functioneel opzicht zelfstandig zijn. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat de praktijkruimte en de woning functioneel zelfstandig zijn, omdat beide eenheden wat betreft hun gebruik van elkaar zijn te onderscheiden. De praktijkruimte is immers naar haar aard geschikt en bestemd voor bedrijfsdoeleinden, terwijl de woning naar haar aard geschikt en bestemd is voor woondoeleinden. De praktijkruimte wordt niet gebruikt voor woondoeleinden en kan niet dienstbaar worden geacht aan het gebruik van de woning. Eiser gebruikt de praktijkruimte alleen om werkzaamheden uit te voeren ten behoeve van de uitoefening van zijn beroep als [functie] en voor zijn bedrijven. De omstandigheid dat eiser zijn beroep of bedrijf niet volledig uitoefent vanuit de praktijkruimte, brengt niet met zich dat de woning en praktijkruimte als één verblijfsobject moeten worden aangemerkt.

3.5

De rechtbank is gelet op de feitelijke situatie zoals vastgesteld in de vorenstaande rechtsoverwegingen van oordeel dat de praktijkruimte als een afzonderlijk verblijfsobject als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag moet worden aangemerkt. Dat eiseres en de kinderen nog steeds ingeschreven staan op huisnummer [nummer] maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt.

4. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank acht, nu de feiten duidelijk zijn, termen aanwezig met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb zelf in de zaak voorzien. Het bezwaar zal gegrond worden verklaard en het besluit in primo van 2 maart 2016 zal worden herroepen.

5. Met betrekking tot het verzoek van eisers tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is van belang dat gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op die vergoeding recht bestaat indien het besluit, dat wil zeggen het primaire besluit, wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft het primaire besluit gebaseerd op de tekening die eisers bij de aanvraag om de omgevingsvergunning hebben ingediend en de nadere toelichting van eiser op 28 januari 2016, zoals weergegeven in het bestreden besluit. Hieruit blijkt dat de ruimte die grenst aan de voordeur van de woning aan de [nummer] aangeduid was als master bedroom. Gelet hierop beschikte de praktijkruimte niet over een afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, zodat verweerder de praktijkruimte terecht niet heeft aangeduid als verblijfsobject. Eisers hebben eerst in de bezwaarfase de tekening overgelegd die een accurate voorstelling van zaken gaf op grond waarvan de praktijkruimte kan worden aangemerkt als verblijfsobject. Hieruit volgt dat het primaire besluit terecht niet is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bestaat voor vergoeding van de kosten van het bezwaar tegen het primaire besluit geen grond.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 992,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.