Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8997

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/13/620670 / FA RK 16-8591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De erfenis die bij uitsluiting is ontvangen staat deels op een gemeenschappelijke aandelenrekening die in waarde is gedaald. Nominaal vergoedingsrecht op grond van 1:95 lid 2 BW wordt beperkt tot het huidige saldo van die rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/620670 / FA RK 16-8591 en C/13/630488 / FA RK 17-3866

Beschikking d.d. 22 november 2017 betreffende de echtscheiding en nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.M. Uittenhout, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L. van Wassenberg, gevestigd te Alphen aan den Rijn,

1 De procedure

1.1.

Bij beschikking van 16 november 2016 van deze rechtbank is in het kader van de voorlopige voorzieningen bepaald dat de vrouw met ingang van 23 november 2016 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de hiertoe behorende inboedel. Het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie is afgewezen.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het verzoekschrift van de man, ingekomen op 12 december 2016;

  2. het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

  3. het formulier Verdelen en Verrekenen van de zijde van de vrouw;

  4. het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens houdende aanvullende verzoeken;

  5. het verweerschrift op de aanvullende verzoeken;

  6. het aangepaste formulier Verdelen en Verrekenen met bijlagen van de zijde van de man;

  7. de brief d.d. 27 september 2017 met bijlagen van de zijde van de man;

  8. de brief d.d. 28 september 2017 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  9. de brief d.d. 29 september 2017 met bijlagen van de zijde van de man.

1.3.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 oktober 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen en hun advocaten.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 23 februari 1990 te Amstelveen . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Hun drie kinderen zijn inmiddels meerderjarig.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Onderhoudsbijdrage

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 2.855,- per maand. De man heeft zich hiertegen verweerd.

2.3.2.

De vrouw heeft een lijst opgesteld van haar kosten op grond waarvan zij stelt een behoefte van € 1.883,96 netto per maand te hebben. De man heeft het door de vrouw gemaakte overzicht op punten betwist.

2.3.3.

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de benzinekosten die de vrouw heeft. De vrouw voert € 56,- per maand op en stelt dat dit ziet op de kosten van haar brommobiel. De man stelt dat de vrouw bij een dergelijk bedrag 1.200 kilometer per maand zou kunnen rijden op haar brommobiel en betwist dat dit het geval is. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw met de door haar overlegde bankafschriften voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij € 56,- per maand aan benzinekosten heeft, al wordt er daarbij gelet op de hoogte van de gepinde bedragen vanuit gegaan dat het daarbij niet slechts om benzine voor de brommobiel gaat maar ook voor een (geleende) auto.

2.3.4.

De vrouw voert € 100,- per maand aan ‘reservering overige’ en € 115,- per maand aan interieurkosten op. De man betwist beide posten. Hoewel de vrouw in verband met haar verhuizing naar alle waarschijnlijkheid kosten heeft moeten maken voor het interieur van haar huidige woning, volgt de rechtbank de man in zijn standpunt dat deze kosten niet opgenomen dienen te worden bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Nu een nadere onderbouwing van de vrouw ontbreekt, gaat de rechtbank ervanuit dat zij met de ‘reservering overige’ een spaarpotje voor noodgevallen bedoelt. Hoewel sparen kan bijdragen aan de huwelijksgerelateerde behoefte, heeft de vrouw echter niet aangevoerd dat tijdens het huwelijk vermogen werd gevormd door te sparen, zodat deze reservering buiten beschouwing wordt gelaten.

2.3.5.

De vrouw heeft onder de noemer ‘gemeente’, ‘OZB’ en ‘gemeentelijke belastingen’ een totaal bedrag van € 54,- per maand opgenomen. De man stelt dat hier sprake is van een driedubbeltelling. Op basis van de door de vrouw overlegde bankafschriften acht de rechtbank het passend om rekening te houden met een totaalbedrag van € 15,- per maand.

2.3.6.

De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw wordt door de rechtbank op grond van het voorgaande vastgesteld op (afgerond) € 1.630,- netto per maand.

2.3.7.

De man stelt dat de vrouw volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien omdat zij naast haar uitkering inkomsten heeft uit de verkoop van zelfgemaakte kralen en sieraden, uit de verkoop van schoonheidsproducten voor Jeunesse en uit schoonmaakwerkzaamheden. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist en stelt dat zij naast haar eigen inkomsten van € 848,- netto aan WAO-uitkering geen andere inkomsten heeft of kan verwerven, zodat zij behoeftig is aan een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud. Zij stelt dat het maken van kralen en sieraden een hobby betreft, waarvan de kosten de opbrengsten van (incidentele) verkoop overstijgen. De verkoop van de schoonheidsproducten is zij in 2015 gestart, maar ook daar overstijgen de kosten de opbrengsten en het schoonmaakwerk heeft zij incidenteel als mantelzorger verricht en levert geen inkomen op.

2.3.8.

Uitgangspunt van de wetgever is dat ieder van partijen in beginsel in eigen levensonderhoud voorziet. Pas indien een van beiden daartoe niet in staat is, is er aanleiding voor vaststelling van de partneralimentatie. Op de vrouw rust als verzoekende partij de verplichting om aan te tonen dat in dit geval sprake moet zijn van een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud. Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daar de gevolgtrekkingen uit maken die geraden worden geacht.

2.3.9.

Uit de door de man overlegde stukken blijkt dat de vrouw de beschikking had over een volledig ingerichte werkkamer, een grote hoeveelheid materialen, een groot aantal visitekaartjes en een groot bedrag aan contant geld in kleine coupures. Tevens heeft hij uitdraaien van websites, mails en Facebook-berichten overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw maandelijks nieuwe producten bestelde bij Jeunesse, workshops gaf, beurzen bezocht, stukken verkocht via internet en zij in een poging mensen te werven voor de verkoop van schoonheidsproducten zelf spreekt over inkomsten van € 1.000,- tot € 3.000,- per maand. In samenhang met het feit dat de vrouw slechts voor 35-45%% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft hij hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw naast haar uitkering extra inkomsten heeft, althans zou kunnen genereren. De betwisting van de vrouw en de door haar daartoe overgelegde stukken zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, aangezien zij heeft nagelaten een compleet overzicht te verschaffen waarmee haar stelling dat de kosten de baten overstijgen wordt onderbouwd. Nu de behoeftigheid van de vrouw niet is komen vast te staan, zal haar verzoek een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen worden afgewezen.

2.4.

Verdeling

2.4.1.

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben ieder voor zich verzocht te bepalen dat de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door henzelf voorgestelde wijze.

2.4.2.

Tussen partijen staat vast dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van ontvangst van het echtscheidingsverzoek is, te weten 12 december 2016. Vanaf dat moment is de gemeenschap vatbaar voor verdeling. Voor wat betreft de waarde van de boedelbestanddelen zal in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum dan wel de waarde op het moment van de feitelijke verdeling. Voor zover relevant wordt ten aanzien van de peildatum hieronder nader overwogen.

2.4.3.

Tussen partijen staat vast dat tot de huwelijksgoederengemeenschap in ieder geval de navolgende vermogensbestanddelen behoren:

  1. de woning aan de [adres] ;

  2. de Rabobank-hypotheek met nummer [hypotheeknummer] ad € 77.142,-;

  3. de Rabobank-hypotheek met nummer [hypotheeknummer] ad € 70.000,-;

  4. e Rabobank-hypotheek met nummer [hypotheeknummer] ad € 58.500,-;

  5. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van beiden;

  6. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van beiden;

  7. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van beiden;

  8. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van beiden;

  9. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van beiden;

  10. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van beiden;

  11. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van de vrouw;

  12. de bankrekening [rekeningnummer] op naam van de man;

  13. de inboedel;

  14. juwelen;

  15. een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ;

  16. een motor van Suzuki met kenteken [kenteken] ;

  17. een motor van Yamaha met kenteken [kenteken] ;

  18. een caravan Swift Corniche met kenteken [kenteken] ;

  19. het gereedschap en de voorraad voor het maken van kralen en sieraden;

2.4.4.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de navolgende vermogensbestanddelen al dan niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren:

de bankrekening [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer;

de bankrekening [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer;

‘zelf beleggen’-rekening [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer;

de bankrekening [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer;

een Mitsubishi ;

een Alexrekening met nummer [rekeningnummer] op naam van beiden;

een Alexrekening met nummer [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer;

een Alexrekening met nummer [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer;

een schilderij van Ria Kuijken ;

€ 4.700,- aan contant geld;

€ 3.450,- aan schenkingen van de ouders van de vrouw;

een vordering op de ouders van de vrouw;

een schuld aan vader van de vrouw;

2.4.5.

ad a, b, c, d, woning en hypotheken: verdeling en bijkomende verzoeken

2.4.5.1. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort de voormalige echtelijke woning aan de [adres] . Op deze woning zijn bij de Rabobank drie hypothecaire gevestigd, de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] , de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] en de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] .

2.4.5.2. De vrouw heeft het verzoek tot voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden ingetrokken, aangezien zij inmiddels elders woont.

2.4.5.3. De man heeft ter zitting zijn verzoek een gebruikersvergoeding vast te stellen ten laste van de vrouw ingetrokken, aangezien de vrouw de woning inmiddels niet meer gebruikt.

2.4.5.4. De woning staat inmiddels te koop via Amstel Makelaardij o.g . De vraagprijs is onlangs verlaagd naar € 600.000,-. De vrouw stelt dat deze vraagprijs in overleg met de makelaar is vastgesteld, terwijl de man stelt dat deze prijs niet reëel is maar dat de vrouw niet bereid was in te stemmen met een lager bedrag, zodat hij zijn verzoek handhaaft de vrouw te veroordelen om uiterlijk twee dagen na de in deze te wijzen beschikking haar volledige medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot dienstverlening bij verkoop van de echtelijke woning voor een verkoopprijs van € 550.000,- en een laatprijs van € 525.000,-.

2.4.5.5. In beginsel dienen partijen in overleg met de makelaar de vraagprijs te bepalen, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning. De rechtbank ziet geen aanleiding de huidige vraagprijs per ommegaande naar beneden bij te stellen. In de huidige onroerend goed markt is er echter aanleiding te veronderstellen dat een woning die niet op korte termijn serieuze belangstellenden aantrekt, niet marktconform is geprijsd. Indien zich uiterlijk 1 januari 2018 geen serieuze gegadigden melden, zal opnieuw overleg moeten plaatsvinden over de vraagprijs. Indien partijen er voor 15 januari 2018 niet in slagen om gezamenlijk de nieuwe vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar een marktconforme vraagprijs dienen te bepalen.

2.4.5.6. Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zo ver die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen.

2.4.5.7. Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken.

2.4.5.8. Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

2.4.5.9. Tussen partijen staat vast dat na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning de verkoopopbrengst, benut wordt om de hypotheek nummer [hypotheeknummer] ad

€ 77.142,-, de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] ad € 70.000,- en de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] ad € 58.500,- af te lossen.

2.4.5.10. Na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de drie hypothecaire schulden, gelijkelijk tussen partijen verdeeld.

2.4.6.

ad e, f, g, h, i en j bankrekeningen op beider naam

2.4.6.1. Ten aanzien van de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] staat tussen partijen vast dat deze zijn opgeheven en dat ter zake niets meer te verdelen valt.

2.4.6.2. Ten aanzien van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] staat tussen partijen vast dat het huidige saldo verdeeld dient te worden, waarna de rekeningen opgeheven worden.

2.4.7.

ad k en l, bankrekeningen op eigen naam

2.4.7.1. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw het saldo op de rekening met nummer [rekeningnummer] behoudt en de man het saldo op de rekening met [rekeningnummer] , onder verrekening van deze beide waarden.

2.4.8.

ad m, inboedel

2.4.8.1. De vrouw heeft ter zitting verklaard geen inboedelgoederen meer van de man te willen ontvangen, maar zij verlangt nog wel een financiële vergoeding van de man. Ter zitting heeft de man gesteld dat de verdeling van de inboedel wat hem betreft is afgerond, hij is niet bereid een financiële vergoeding te betalen.

2.4.9.

In beginsel dient de inboedel feitelijk verdeeld te worden. Nu de vrouw geen inboedelgoederen meer wenst te ontvangen van de man, gaat de rechtbank er vanuit dat de verdeling van de inboedel is afgerond, waarbij op grond van voornoemde feiten naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte is voor vaststelling van betalingsverplichtingen over en weer.

2.4.10.

ad n, sieraden

2.4.10.1. Tussen partijen staat vast dat de trouwringen en een hartvormige bedel tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren. Partijen verschillen van mening over welke sieraden er nog meer aanwezig zijn. Nu de verklaringen van partijen tegenstrijdig zijn is het voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of en, zo ja, welke sieraden er nog meer deel uit maken van de huwelijksgoederengemeenschap, zodat op dit punt geen beslissing kan worden gegeven. Vast staat dat de aanwezige sieraden bij helfte verdeeld moeten worden.

2.4.11.

ad o, p, q, en r auto, motoren en caravan

2.4.12.

Tussen partijen staat vast dat de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] aan de man wordt toegedeeld. De vrouw stelt tegen een waarde van € 10.000,- en de man gaat uit van € 8.000,-. De rechtbank ziet hierin aanleiding om uit te gaan van een waarde van € 9.000,-, zodat de man gehouden is de vrouw hiervoor een vergoeding van € 4.500,- te betalen.

2.4.13.

Tussen partijen staat vast dat de motor met kenteken [kenteken] aan de man wordt toegedeeld. De vrouw stelt tegen een waarde van € 13.500,- en de man gaat uit van een waarde van € 12.500,-. De rechtbank ziet hierin aanleiding om uit te gaan van een waarde van € 13.000,-, zodat de man gehouden is de vrouw hiervoor een vergoeding van € 6.500,- te betalen.

2.4.14.

Ter zitting heeft de vrouw ingestemd met toedeling aan de man van de motor met kenteken [kenteken] en de caravan Swift Corniche met kenteken [kenteken] aan de man, zonder nadere verrekening.

2.4.15.

ad s, gereedschap om kralen en sieraden te maken

2.4.15.1. Tussen partijen staat vast dat het gereedschap wordt toebedeeld aan de vrouw. De man stelt dat hierbij uitgegaan moet worden van een waarde van € 10.000,- terwijl de vrouw stelt dat de waarde nagenoeg nihil bedraagt.

2.4.15.2. Wat de rechtbank betreft heeft de man het door hem gestelde bedrag onvoldoende onderbouwd. Nu vaststaat dat het gereedschap al geruime tijd in het bezit is van de vrouw, volgt de rechtbank haar in haar standpunt dat daaraan geen waarde meer kan worden toegekend in het economisch verkeer.

2.4.16.

ad t, u, v, w, x, y, z, aa de bankrekeningen en de beleggingsrekeningen op naam van de man en zijn broer, de Alexrekening op naam van partijen en de Mitsubishi

2.4.16.1. De man stelt dat voornoemde zeven vermogensbestanddelen geen deel uit maken van de huwelijksgoederengemeenschap, aangezien ze afkomstig zijn uit de erfenis die hij bij uitsluiting van zijn moeder heeft verkregen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

2.4.16.2. De moeder van de man is op 21 juli 1998 overleden. In haar testament is een uitsluitingsclausule opgenomen. De vrouw stelt dat partijen tot de echtscheidingsprocedure niet hebben geweten van deze uitsluitingsclausule zodat deze buiten beschouwing moet worden gelaten.

2.4.16.3. Of een erfenis in een huwelijksgoederengemeenschap valt, is overgelaten aan de wil van de erflater. Of partijen al dan niet op de hoogte waren van de uitsluitingsclausule is daarmee niet relevant. De erfenis is bij uitsluiting verkregen. Vervolgens moet beoordeeld worden of de verkregen gelden nog altijd privévermogen van de man vormen.

2.4.16.4. De erfenis is gestort op de rekening [rekeningnummer] . Deze rekening stond in eerste instantie alleen op naam van de moeder van de man. Nog tijdens haar leven is deze rekening eveneens op naam van de man en zijn broer gesteld. De vrouw merkt terecht op dat een uitsluitingsclausule geen vooruitwerkende kracht heeft, zodat beoordeeld moet worden of deze rekening voor het overlijden van de moeder tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoorde. Nu de tenaamstelling van een rekening niets zegt over wie rechthebbende is op het saldo op die rekening en gesteld noch gebleken is dat het saldo op de rekening [rekeningnummer] tijdens haar leven aan een ander toekwam dan aan de moeder van de man, is de rechtbank van oordeel dat (het saldo van) de rekening voor het overlijden geen deel uit maakte van de huwelijksgoederengemeenschap. Pas na het overlijden van hun moeder werden de man en zijn broer rechthebbende op het saldo, doordat zij haar erfgenamen waren. Op grond van de uitsluitingsclausule is (het saldo op) de rekening ook op dat moment niet tot de huwelijksgoederengemeenschap gaan behoren.

2.4.16.5. De man heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat de rekening [rekeningnummer] en de beide rekeningen [rekeningnummer] , alsmede de Alexrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] uitsluitend gevoed zijn met geld dat afkomstig is uit de erfenis van zijn moeder. Deze vermogensbestanddelen behoren derhalve niet tot de huwelijksgoederengemeenschap en komen niet voor verdeling in aanmerking.

2.4.16.6. Op de rekening [rekeningnummer] is op 14 oktober 2016 € 27.588,- gestort vanuit de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] , waarbij de man stelt dat het saldo voor deze storting nagenoeg nihil was. In de periode van 14 oktober 2016 tot 12 december 2016 hebben geen andere bijschrijvingen op de rekening plaatsgevonden. Op grond van deze feiten gaat de rechtbank ervanuit dat het gehele saldo ad € 5.918,50 op de peildatum tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoorde. Dit saldo wordt aan de man toegedeeld, zodat hij gehouden is de vrouw ter zake € 2.959,25 te voldoen.

2.4.16.7. Ten aanzien van de Alexrekening [rekeningnummer] op beider naam heeft de vrouw gesteld dat deze rekening al bestond, althans dat partijen al aandelen hadden voordat op deze rekening geld van de rekening [rekeningnummer] werd gestort. Zij stelt bovendien dat er, doordat de rekening op naam van beiden staat, sprake is van een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel dat in de verdeling betrokken dient te worden. Indien de man privégeld heeft gestort op de rekening op beider naam, waarop reeds gemeenschappelijk vermogen aanwezig was, heeft naar de stelling van de vrouw vermenging van privévermogen en gemeenschappelijk vermogen plaatsgevonden. Wat haar betreft leidt dit er toe dat de aanspraak van de man op zijn privévermogen verloren is gegaan.

2.4.16.8. De man heeft gesteld dat er voor ontvangst van de erfenis geen vermogen aanwezig was en dat de Alexrekening [rekeningnummer] uitsluitend met zijn privévermogen gevoed is, zodat het saldo alleen aan hem toekomt. Subsidiair stelt hij een vergoedingsrecht van € 63.453,- te hebben voor de door hem op deze rekening gestorte bedragen.

2.4.16.9. De man heeft gesteld dat tijdens het huwelijk geen opnames hebben plaatsgevonden van de rekening [rekeningnummer] en dat het huidige lagere saldo te wijten is aan tegenvallende resultaten. De vrouw heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank hier vanuit zal gaan.

2.4.16.10. Uit de door de man als productie 19 overgelegde brief, blijkt dat de rekening op 28 juni 1999 is geopend. Het standpunt van de vrouw dat de rekening al voor het overlijden van de moeder van de man bestond, wordt derhalve niet gevolgd. Ook het standpunt van de vrouw dat de tenaamstelling bepalend is, wordt niet gevolgd. De tenaamstelling van een en/of-rekening geeft aan dat de beide echtgenoten ten opzichte van de bank gerechtigd zijn om over het saldo te beschikken, maar dit geeft geen antwoord op de vraag wie van de echtgenoten in hun onderlinge verhouding tot het saldo gerechtigd is.

2.4.16.11. Uit de bankafschriften die bij productie 17 en 20 van de man zijn gevoegd, blijkt dat vanuit de erfenis op 10 september 2001 een storting van ƒ10.000,-, op 11 september 2001 een storting van ƒ 100.000,- , op 10 16 maart 2002 een storting van € 4.537,- en op 15 juni 2002 een storting van € 9.000,- heeft plaatsgevonden op de Alexrekening [rekeningnummer] . De man heeft derhalve in ieder geval € 63.453,- uit de erfenis ingebracht op deze rekening in de periode van 10 september 2011 tot 15 juni 2002.

2.4.16.12. De man heeft als productie 42 bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat op 23 juli 1999 reeds aandelen gedeponeerd zijn op voornoemde Alexrekening. Ten aanzien van deze aandelen is op grond van de overgelegde stukken niet af te leiden hoe deze gefinancierd zijn. Mede gelet op de gezamenlijke tenaamstelling van de rekening, gaat de rechtbank er daarom vanuit dat deze eerste aandelen gefinancierd zijn uit gemeenschappelijk vermogen.

2.4.16.13. De rechtbank stelt voorop dat het door de man geïnvesteerde bedrag van € 63.453,- in ieder geval voordat dit bedrag werd overgemaakt naar de rekening [rekeningnummer] buiten de gemeenschap viel. Artikel 1:94 lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt immers dat buiten de gemeenschap vallen goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

2.4.16.14. Bij de beoordeling van de vraag hoe het huidige saldo beoordeeld moet worden, gaat het erom of aangetoond kan worden dat het geld dat uit de erfenis afkomstig is, thans nog te identificeren is. Daartoe is alleen ruimte indien deze geldsom te midden van het aanwezige geld nog als een afzonderlijk goed is te onderkennen. Nu de rechtbank niet bekend is welk gedeelte van het saldo op de rekening [rekeningnummer] ziet op de eerder gedeponeerde aandelen en welk gedeelte ziet op het door de man geïnvesteerde bedrag van € 63.453,-, is hiervan in dit geval geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het huidige saldo op deze rekening betrokken dient te worden in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2.4.16.15. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de man ten aanzien van de door hem overgemaakte bedragen aanspraak heeft op een vergoedingsrecht. De vrouw stelt dat dit niet het geval is, omdat de stortingen zonder noodzaak hebben plaatsgevonden en als giften aangemerkt moeten worden, althans als betalingen in het kader van een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

2.4.17.

Dat de man zonder duidelijke noodzaak privégelden heeft overgemaakt op de beleggingsrekening, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat daarmee reeds aangenomen moet worden dat sprake is van een schenking. Schenking is een overeenkomst die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Dat in dit geval sprake is van wilsoverstemming over een dergelijke overeenkomst, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbijgaat. Het enkele feit dat volgens de vrouw aan haar zijde sprake was van een andere inkomens- en vermogenspositie dan aan de zijde van de man, maakt bovendien niet dat aangenomen kan worden dat de stortingen van de man aangemerkt dienen te worden als betalingen in het kader van een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Beide verweren van de vrouw falen derhalve.

2.4.17.1. In artikel 1:95 tweede lid BW is bepaald dat indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, deze echtgenoot een vergoedingsvordering toekomt, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 1:87 tweede en derde lid BW wordt bepaald. De rekening is een contractuele verhouding van partijen richting de bank. Saldi die op de rekening staan, zijn een goed in de zin van artikel 3:1 BW. De rechtbank gaat er zoals reeds overwogen in 2.4.16.13 vanuit dat het door de man geïnvesteerde bedrag van € 63.453,- afkomstig was uit het eigen (privé)vermogen van de man. Op grond van het voorgaande heeft hij derhalve een vergoedingsvordering op de gemeenschap. Uit artikel V lid 3 Overgangsrecht volgt dat op vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van betalingen die voor 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden het nominaliteitsbeginsel gehandhaafd blijft. Dit is in beginsel niet anders indien de investering zoals in het onderhavige geval een negatief resultaat heeft gehad, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het onaanvaardbaar is dat aanspraak gemaakt wordt op een nominale vergoeding. Nu de man primair verzocht heeft te bepalen dat het huidige saldo van de Alexrekening [rekeningnummer] aan hem toekomt, ziet de rechtbank in deze aanleiding zijn reprise te beperken tot het huidige saldo van de rekening.

2.4.18.

De man heeft door het overleggen van het bankafschrift voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij de Mitsubishi heeft aangekocht op 6 juli 1999 van gelden uit de erfenis. Het betreft een afgescheiden vermogensbestanddeel dat privé is gebleven en niet in de verdeling betrokken dient te worden. De stelling van de vrouw dat de aanschaf van de auto als gift moeten worden aangemerkt, althans als betalingen in het kader van een dringende verplichting van moraal en fatsoen wordt niet gevolgd. Schenking is een overeenkomst die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Dat in dit geval sprake is van wilsoverstemming over een dergelijke overeenkomst, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbijgaat. Het enkele feit dat volgens de vrouw aan haar zijde sprake was van een andere inkomens- en vermogenspositie dan aan de zijde van de man, maakt bovendien niet dat aangenomen kan worden dat de aanschaf van een auto door de man aangemerkt dient te worden als het voldoen aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

2.4.19.

ad bb, schilderij van Ria Kuijken

2.4.18.1 Partijen zijn verdeeld over de vraag of het schilderij tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort of eigendom is van de ouders van de vrouw. Ter zitting heeft de man zijn verzoek tot het in de verdeling betrekken van dit schilderij ingetrokken en berust in het standpunt van de vrouw dat het schilderij eigendom is van haar ouders.

2.4.20.

ad cc, het contant geld

2.4.20.1. Tussen partijen staat vast dat de man een groot bedrag in contanten heeft meegenomen uit de echtelijke woning. De vrouw stelt dat het geld betreft dat haar ouders haar in bewaring hebben gegeven ten behoeve van de kinderen. Dit standpunt onderbouwt zij met een verklaring van haar ouders d.d. oktober 2016. De man betwist de juistheid van deze stelling en stelt dat het geld tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden.

2.4.20.2. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, in samenhang met de leeftijd van de kinderen van partijen, acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat het geld door de grootouders ten behoeve van de kleinkinderen in bewaring was gegeven bij de vrouw. De rechtbank gaat er vanuit dat het geld deel uit maakt van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, zodat de man gehouden is de vrouw in dit kader € 2.350,- te voldoen.

2.4.21.

ad dd, de schenkingen van de ouders van de vrouw

2.4.21.1. De man stelt dat de vrouw geld van haar ouders gekregen heeft, dat alsnog in de verdeling betrokken dient te worden. De vrouw betwist dit.

2.4.21.2. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat op de peildatum voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap op dit punt sprake was van een separaat vermogensbestanddeel dat in de verdeling betrokken dient te worden. Het verzoek van de man wordt derhalve afgewezen.

2.4.22.

ad ee, de vordering op de ouders van de vrouw

2.4.22.1. De man stelt dat partijen een vordering op de ouders van de vrouw hebben, die in de verdeling betrokken dient de worden. De vrouw betwist dit.

2.4.22.2. Op basis van de thans voorliggende stukken is het bestaan van de vordering onvoldoende vast komen te staan, zodat het verzoek van de man wordt afgewezen.

2.4.23.

ad ff, de schuld aan de vader van de vrouw

2.4.23.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van een schuld aan de ouders van de vrouw waarin zij beide dienen bij te dragen. De vrouw heeft een overzicht overgelegd d.d. 6 maart 2017, waarop diverse bedragen zijn opgenomen voor een totaal van € 7.350,-. De man betwist dat deze bedragen daadwerkelijk door de vrouw aan haar ouders moeten worden voldaan.

2.4.23.2. Vooropgesteld wordt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor schulden die op de peildatum bestonden. In de bedragen die de vrouw stelt na 12 december 2016 van haar ouders te hebben geleend, hoeft de man niet bij te dragen. Voor het overige is de man wel draagplichtig voor de schuld die op de peildatum bestond, maar de omvang van deze schuld is op grond van de door de vrouw overgelegde verklaring zonder nadere onderbouwing met bewijsstukken onvoldoende vast te stellen.

2.5.

onderhoudskosten

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man gehouden is aan haar de helft van de onderhoudskosten voor de woning te voldoen. Zij stelt dat tussen partijen vast stond dat zij deze kosten, die nodig waren om de woning verkoop klaar te maken, samen zouden delen. De man erkent dat hij de helft bij moet dragen aan de onderhoudskosten, maar stelt dat volstaan had kunnen worden met een investering van € 50,-.

2.5.2.

De vrouw heeft voor een bedrag ad € 422,92 deugdelijk onderbouwd waaraan het geld is besteed. Als totaalbedrag voor het noodzakelijke onderhoud van de woning, komt dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voor, zodat bepaald wordt dat de man gehouden is de vrouw ter zake € 211,46 te voldoen.

2.6.

benadeling van de gemeenschap

2.6.1.

De vrouw stelt dat de man de gemeenschap benadeeld heeft door voor een bedrag van € 46.088,- uit de hypotheek met nummer [hypotheeknummer] , hierna [hypotheeknummer] op te nemen. Zij heeft bij haar schrijven van 28 september 2017 verzocht te bepalen dat de man gehouden is aan haar € 23.024,- te vergoeden in verband met benadeling van de gemeenschap, te vermeerderen met de rente ad € 639,43 die in verband met de opnames verschuldigd was. Zij stelt dat de man daarnaast van de gemeenschappelijke bankrekening € 7.300,- naar zijn eigen rekening heeft overgemaakt, die eveneens aan de gemeenschap vergoed dient te worden, of wel dat de man haar € 3.650,- dient te voldoen.

2.6.2.

Op grond van artikel 1:164 BW is een echtgenoot gehouden de schade aan de gemeenschap te vergoeden, indien hij na de aanvang van het echtscheidingsgeding of binnen de zes maanden daarvoor lichtvaardig schulden heeft gemaakt. Een dergelijke vordering kan als nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) worden beschouwd. De man stelt echter dat hij te laat van de vordering op hoogte is gesteld, zodat hij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om zich te verweren. De man betwist dat hij de gemeenschap heeft benadeeld. Hij heeft op 29 september 2017 een overzicht overgelegd waarin hij aangeeft waaraan de gelden volgens hem besteed zijn. Deze betalingen zijn niet onderbouwd met bewijsstukken.

2.6.3.

Ingevolge artikel 283 juncto 362 Rv was de vrouw bevoegd het verzoek schriftelijk te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het gewijzigde verzoek van de vrouw niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Aangezien zij in het namens haar op 29 maart 2017 ingediende formulier ‘Verdelen en Verrekenen’ reeds stelt dat de gehele debetstand van de hypotheek [hypotheeknummer] ten laste van de man moet komen ‘omdat hij de schuld heeft laten oplopen’, had de man rekening kunnen houden met het onderhavige verzoek, hetgeen hij blijkens het door hem op 29 september 2017 overgelegde overzicht ook heeft gedaan. De man is door het aanvullend verzoek niet onredelijk in zijn verdediging bemoeilijkt. De vrouw wordt derhalve ontvangen in haar verzoek.

2.6.4.

Het echtscheidingsverzoek is door de rechtbank ontvangen op 12 december 2016. De in artikel 1:164 BW genoemde termijn leidt er toe dat uitsluitend transacties na 12 juni 2016 in het onderhavige geding beoordeeld kunnen worden.

2.6.5.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de man op 5 juli 2016 twee maal € 2.500,- en op 14 oktober 2016 € 27.588,- heeft opgenomen uit de hypotheek [hypotheeknummer] . Alle overige door de vrouw genoemde betalingen en opnames hebben voor 12 juni 2016 plaatsgevonden en dienen derhalve buiten beschouwing te blijven.

2.6.6.

Volgens het bankafschrift dat door de vrouw als productie 37 is overgelegd, is op 5 juli 2016 € 2.500,- overgemaakt naar de gemeenschappelijk rekening [rekeningnummer] en € 2.500,- naar de gemeenschappelijke rekening [rekeningnummer] . Ten aanzien van deze beide rekeningen staat, zoals reeds overwogen in 2.4.6.1., tussen partijen vast dat deze zijn opgeheven en dat ter zake niets meer te verdelen valt. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om aan te nemen dat de man in dit kader nog enige vergoeding verschuldigd is.

2.6.7.

De door de wet gebruikte terminologie: lichtvaardig en verspillen, veronderstelt dat sprake moet zijn van opzettelijk benadelen dan wel zonder enige redelijke grond gemeenschapsgoederen verteren. Uit het door de man overgelegde overzicht blijkt dat hij stelt het bedrag benut te hebben voor advocaatkosten, betalingen op de hypotheek, herinrichtingskosten en overige lopende kosten. Nu tussen partijen vast staat dat de man in die periode de hypotheeklasten voldeed, eveneens vaststaat dat de man op dat moment al uit de echtelijk woning vertrokken was en partijen beide al werden bijgestaan door een advocaat, heeft de man ondanks het ontbreken van betalingsbewijzen naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het uit de hypotheek [hypotheeknummer] opgenomen bedrag heeft moeten aanwenden voor lopende kosten en er een rechtsgrond was voor de genoemde betalingen. Bovendien is het restant saldo ad € 5.918,50 zoals overwogen in 2.4.16.6 betrokken in de verdeling. Er is derhalve geen sprake van opzettelijk benadelen dan wel zonder enige redelijke grond gemeenschapsgoederen verteren. Op grond van het voorgaande wijst de rechtbank het beroep van de vrouw op artikel 1:164 BW af.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amstelveen op 23 februari 1990;

3.2.

stelt de wijze van verdeling van de gemeenschap met betrekking tot de woning als volgt vast:

3.2.1.

bepaalt dat, indien zich voor 1 januari 2018 geen serieuze gegadigden voor de aankoop van de woning aan de [adres] melden, partijen de vraagprijs in onderling overleg naar beneden dienen bij te stellen;

3.2.2.

partijen er niet uiterlijk 15 januari 2018 in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

3.2.3.

bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, partijen aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

3.2.4.

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun mede werking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;

3.2.5.

bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

3.2.6.

bepaalt dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;

3.2.7.

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

3.3.

stelt vast dat partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap het volgende zijn overeengekomen:

3.3.1.

aan ieder van partijen worden toegedeeld de saldi op 12 december 2016 van de op zijn of haar naam staande bankrekeningen, onder de gelijktijdige verplichting de helft daarvan te vergoeden aan de andere partij;

3.3.2.

aan de man wordt toegedeeld de motor met kenteken [kenteken] en de caravan Swift Corniche met kenteken [kenteken] zonder nadere verrekening;

3.3.3.

aan de man wordt toegedeeld de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en de motor met kenteken [kenteken] ;

3.3.4.

aan de vrouw wordt toegedeeld het gereedschap om kralen en sieraden de maken;

3.4.

stelt vast dat de man ter zake van de toedeling van de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en de motor met kenteken [kenteken] gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 11.000,- (ELF DUIZEND EURO) te voldoen:

3.5.

stelt vast dat de aanwezig sieraden bij helfte moeten worden verdeeld;

3.6.

stelt vast dat het saldo op 12 december 2016 van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van de man en zijn broer aan de man wordt toegedeeld, onder de gelijktijdige verplichting € 2.959,25 (TWEEDUIZEND NEGENHONDERD NEGENENVIJTIG EURO EN VIJFENTWINTIG EUROCENT daarvan te vergoeden aan de vrouw;

3.7.

stelt vast dat het op de peildatum aanwezige contant geld aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw € 2.350,- (TWEEDUIZEND DRIEHONDERDVIJFTIG EURO) te voldoen;

3.8.

stelt vast dat voor zover de schuld aan de ouders van de vrouw per 12 december 2016 komt vast te staan, het een gemeenschapsschuld betreft waarvoor ieder der partijen draagplichtig is voor de helft;

3.9.

stelt vast dat de man gehouden is aan de vrouw een vergoeding van € 211,46 te voldoen ter zake van onderhoudskosten;

3.10.

stelt vast dat het saldo op Alexrekening [rekeningnummer] tot de gemeenschap van goederen behoort en stelt vast dat de man een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap heeft ter hoogte van het saldo op Alexrekening [rekeningnummer] ;

3.11.

verklaart voornoemde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

3.12.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wesdorp rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.S. Kuijken op 22 november 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..