Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8992

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
13/684299-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 45-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1,5 jaar (waarvan 15 maanden voorwaardelijk) omdat hij brandstichtte in een kinderdagverblijf en een politieagent bedreigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684299-17

Datum uitspraak: 7 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1.

brandstichting in de kelder van een kinderdagverblijf op 30 juni 2017;

2.

een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan, dan wel bedreiging van, politieambtenaar [slachtoffer] op 30 juni 2017, door een glazen fles naar hem te gooien.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage, die aan dit vonnis is gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op vrijdag 30 juni 2017 omstreeks 14.00 uur kregen brandweer en politie een melding binnen van brand in een kelder van een kinderdagverblijf. Nadat zij de brand ontdekten, begonnen de medewerkers van het kinderdagverblijf het pand meteen te ontruimen. Op dat moment waren er 47 kleine kinderen in het gebouw in de leeftijd van 1 tot 4 jaar. De kinderen zijn veilig overgebracht naar een ander gebouw. De brandweer is als eerste de kelder ingegaan en zag daar een bak staan met verbrande doeken. Dit bleken later verbrande luiers te zijn. De luiers brandden op dat moment niet meer, maar in de kelder hing wel rook. Achterin de kelder werd verdachte in verwarde toestand aangetroffen. Er lagen flesjes, een aansteker en een doek met vloeistof op de grond van de kelder. Verdachte wilde niet mee naar buiten. De brandweermannen zijn voor hun eigen veiligheid weer naar buiten gegaan en even later samen met de politie weer naar binnen gegaan. Toen de politie op verdachte afliep, sprong hij op en begon onverstaanbaar te schreeuwen. Hij had een flesje in zijn hand een gooide dat flesje in de richting van de politieagenten. Inspecteur [slachtoffer] werd geraakt door de vloeistof die in het flesje zat.

3.2.

Het oordeel over feit 1: brandstichting

De officier van justitie vindt brandstichting bewezen. De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Brandstichting is strafbaar als dit:

1. opzettelijk gebeurt en

2. gevaar oplevert voor goederen of levensgevaar voor personen.

Verdachte heeft verklaard dat hij onder invloed van veel drank en drugs in de kelder terecht is gekomen. Omdat hij dacht dat er mensen in de kelder waren, wilde hij licht maken. Hij heeft luiers in een glazen bak gedaan, er alcohol overheen gegoten en het geheel vervolgens aangestoken. Hij heeft de brand zelf geblust.

De rechtbank acht brandstichting bewezen en zal dit toelichten.

Heeft verdachte opzettelijk brand gesticht?

Ook als verdachte de luiers in brand heeft gestoken omdat hij licht wilde maken, heeft hij de luiers opzettelijk (en dus niet per ongeluk) in brand gestoken.

Leverde de brand gevaar op voor goederen en personen?

Het gevaar voor goederen of personen moet ‘voorzienbaar’ zijn geweest. Als iemand bijvoorbeeld een auto op een verlaten parkeerplaats in brand steekt, dan is er geen gevaar dat ook andere zaken in vlammen zullen opgaan. Maar dit gevaar kan wel bestaan als iemand een auto in brand steekt die op korte afstand van een woning staat.

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval wel gevaar voor goederen en personen te vrezen was.

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de flesjes die op de grond lagen en het flesje dat verdachte in zijn hand had Alcohol Ketonatus 70% (hierna: Alcohol Ketonatus) bevatten. Eén flesje lag op de grond zonder dop. In de kelder stonden op stellages nog meer flesjes Alcohol Ketonatus.

Alcohol Ketonatus is een gemakkelijk ontvlambare vloeistof. Verdachte heeft de Alcohol Ketonatus gebruikt om de luiers in de bak aan te steken, zo heeft hij zelf verklaard. De doek met vloeistof op de grond rook ook naar deze alcohol. Verdachte heeft dus kennelijk ook een doek overgoten met de alcohol, die niet in de glazen bak lag. Volgens één van de brandweermannen die ter plaatse was, kan Alcohol Ketonatus steekvlammen geven.

Verdachte heeft gevaarlijk gehandeld toen hij de luiers met Alcohol Ketonatus aanstak. Er had een steekvlam kunnen ontstaan waardoor goederen buiten de bak met luiers in brand hadden kunnen vliegen. In de kelder stonden namelijk veel goederen opgeslagen en de ruimte was klein en smal. Het gevaar werd vergroot doordat verdachte zich, vanwege de inname van verdovende middelen en alcohol, in een verwarde toestand bevond en hallucineerde. Hij had niet of nauwelijks besef van wat hij deed. Dat blijkt ook wel uit het feit dat zich een doek met alcohol buiten de bak met luiers bevond.

Er bestond dus gevaar dat de door verdachte gestichte brand zou overslaan naar goederen die in de kelder opgeslagen stonden en vervolgens naar andere ruimtes van het gebouw.
De locatiemanager van het kinderdagverblijf heeft verklaard dat zich op het moment van de brandstichting 47 zeer jonge kinderen, die nog niet allemaal zelf konden lopen, en 11 volwassenen in de ruimtes boven en naast de kelder bevonden. Deze personen zijn dus door de brandstichting in levensgevaar gebracht.

Dat verdachte de brand al gedoofd had toen de brandweer en politie in de kelder kwamen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het vuur had zich voor die tijd namelijk al verder kunnen verspreiden.

3.3.

Het oordeel over feit 2: poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel dan wel bedreiging

De officier van justitie vindt het bewezen dat verdachte geprobeerd heeft om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De raadsman heeft vrijspraak voor dit feit bepleit. Bedreiging kan volgens de raadsman wel worden bewezen.

Vrijspraak van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot zware mishandeling.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte agressief reageerde toen de agenten hem in de kelder wilden aanhouden. Volgens [slachtoffer] en zijn collega’s [naam 1] en [naam 2] begon verdachte te schreeuwen, met zijn armen te zwaaien en heeft hij meerdere flessen in hun richting gegooid. [slachtoffer] voelde dat zijn bovenbeen nat werd en hij rook een alcoholhoudende lucht. Meerdere flessen zouden op de grond kapot zijn gevallen.

Op welke manier verdachte de flessen heeft gegooid (op welke hoogte, met welke snelheid) kan niet worden vastgesteld. Daar komt bij dat niet duidelijk is welke fles wordt bedoeld in de tenlastelegging. [slachtoffer] , [naam 1] en [naam 2] hebben namelijk gezien dat verdachte zowel met een bruine als een groene fles heeft gegooid. We weten dus niet of er in dit geval wel zwaar lichamelijk letsel kon worden toegebracht.

Bewezenverklaring van bedreiging

De rechtbank vindt dat wel bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd.

Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat [slachtoffer] , [naam 1] en [naam 2] de kelder van het kinderdagverblijf in zijn gegaan nadat er melding was gedaan van brandstichting in die kelder. Door de brandweer is hen verteld dat de persoon in de kelder, een ‘zwerverstype’, vermoedelijk een licht ontvlambare stof en een aansteker had, wat onder andere steekvlammen kon veroorzaken.

De kelder bestond uit meerdere kleine ruimtes. Het was er donker en er was sprake van rookontwikkeling, waardoor het zicht van de agenten mogelijk enigszins belemmerd was. Toen de agenten verdachte aantroffen en hem zeiden dat hij was aangehouden, reageerde hij agressief door te schreeuwen en met zijn armen te zwaaien.

Verdachte heeft vervolgens een fles in de richting van verbalisant [slachtoffer] gegooid. Dit moet voor [slachtoffer] , gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden en nu hij ook niet wist wat de inhoud van die fles was, een bedreigende situatie zijn geweest. Dat er een bedreigende situatie is geweest, blijkt volgens de rechtbank ook uit het feit dat een van de agenten een schot heeft gelost. Door een fles naar [slachtoffer] te gooien heeft verdachte [slachtoffer] bedreigd met zware mishandeling.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:brandstichting

op 30 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in de kelder van een kinderdagverblijf door open vuur in aanraking te brengen met Alcohol Ketonatus 70%, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemd kinderdagverblijf aanwezige goederen en levensgevaar voor de in voornoemd kinderdagverblijf aanwezige personen te duchten was;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair: bedreiging

op 30 juni 2017 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling door een glazen fles in de richting van voornoemde [slachtoffer] te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 Bewijsmiddelen

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bewezen geacht: brandstichting en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft de volgende straf gevorderd: een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 21 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie heeft ook gevorderd de in het reclasseringsrapport van 26 september 2017 geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen, en ook de bijzondere voorwaarde dat verdachte moet meewerken aan urinecontroles. De voorwaarden moeten volgens de officier van justitie dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Dat betekent dat de voorwaarden vanaf het moment van deze uitspraak al gelden.

De raadsman heeft verzocht om voor de bedreiging aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de kelder van een kinderdagverblijf. Als gevolg van de brand is het kinderdagverblijf ontruimd. Op het moment van de brand lagen er kleine kinderen te slapen. Zij zijn door de medewerkers van het kinderdagverblijf in hun bedjes dan wel op blote voetjes overgebracht naar een ander gebouw. De kinderen, hun ouders en de medewerkers van het kinderdagverblijf zullen flink geschrokken zijn van wat er is gebeurd. Gelukkig hebben de medewerkers van het kinderdagverblijf voortvarend gehandeld en de kinderen snel overgebracht naar een veilige locatie.

De gevolgen van een brandstichting zijn bijna nooit te overzien. Vuur is onvoorspelbaar en de gevolgen hadden veel groter kunnen zijn als het vuur was overgeslagen op andere goederen in de kelder of als verdachte niet op tijd was aangehouden. Het feit is niet alleen voor de kinderen, hun ouders en de medewerkers van het kinderdagverblijf zeer verontrustend, maar ook voor de samenleving. Het is een beangstigend idee dat een onberekenbaar persoon als verdachte, die zich in een psychose bevond als gevolg van drugsgebruik, zo een gebouw in kan komen en daar brand kan stichten.

Verdachte heeft met zijn handelen ook schade toegebracht aan het kinderdagverblijf. In de kelder was roetschade en er lagen kapotgeslagen glazen potten. Ook blijkt uit de vordering tot schadevergoeding van het kinderdagverblijf dat meerdere medewerkers door de brandstichting langer door hebben moeten werken.

Verdachte heeft zich naast brandstichting ook schuldig gemaakt aan de bedreiging van een politieambtenaar door een glazen fles, met onbekende inhoud, naar hem te gooien toen deze hem aan wilde houden.

Verdachte heeft een uitgebreid strafblad. Hij is niet eerder veroordeeld voor brandstichting, wel voor geweldsdelicten.

Gelet op de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is eigenlijk een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De problematiek van verdachte, zoals hieronder omschreven, geeft echter aanleiding om deze straf te matigen en deels in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Uit de rapporten van de psycholoog en psychiater van 7 en 13 september 2017 kan worden afgeleid dat verdachte is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken. Daarnaast is sprake van drugs- en alcoholmisbruik. De rechtbank is met de psycholoog en psychiater van oordeel dat deze stoornissen een rol hebben gespeeld bij de brandstichting en bedreiging en dat deze strafbare feiten verdachte daarom slechts verminderd kunnen worden toegerekend. Verdachte kan niet zonder drugs en dat beperkt hem in de keuzes die hij maakt. Ten tijde van de brandstichting en bedreiging was verdachte onder invloed van voor hem onbekende drugs waardoor hij psychotisch raakte en niet meer goed wist wat hij deed. De kans dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt, is groot als hij niet behandeld wordt voor zijn problemen. Volgens de psycholoog en psychiater heeft het de voorkeur om deze behandeling te laten beginnen met een langdurige opname in een kliniek.

Verdachte is sinds 6 oktober 2017 in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgenomen in de Forensische Verslavingskliniek (FVK) De Oostvaarderskliniek. Ter terechtzitting heeft de opsteller van het reclasseringsrapport, R. Liekens-Willems, verklaard dat de ontwikkelingen van verdachte voorzichtig optimistisch te noemen zijn. Sinds de start van de behandeling in de kliniek heeft verdachte geen drugs gebruikt. Hij lijkt serieus een ander leven te willen. Hij is niet langer afwerend tegen hulp daarbij. De reclassering adviseert om de behandeling in de kliniek voort te zetten. Het behandeltraject in de kliniek duurt gemiddeld een jaar. Daarna zal buiten de kliniek nog behandeling in het kader van nazorg nodig zijn en een begeleid wonen traject.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, passend is, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Om de kliniek voldoende tijd te geven verdachte goed te behandelen, bepaalt de rechtbank de maximale duur van de klinische opname op 15 maanden. Ook zal de rechtbank verdachte verplichten mee te werken aan urinecontroles.

De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar verklaren. Dit betekent dat verdachte, ook als hij hoger beroep instelt, verplicht is om zich al aan de voorwaarden te houden. De behandeling in de verslavingskliniek is volgens de rechtbank van groot belang. Zonder die behandeling bestaat de kans dat verdachte weer een misdrijf begaat dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De rechtbank acht de kans op herhaling van een dergelijk delict groot. Daarvoor heeft de rechtbank verschillende aanwijzingen. Verdachte heeft in het verleden vaker geweldsmisdrijven gepleegd. Daarnaast staat in de rapporten van de psycholoog en psychiater dat het herhalingsgevaar groot is. Tot slot heeft verdachte uitgesproken dat hij een grote afkeer heeft van de politie, waardoor te vrezen valt voor geweld tegen de politie.

6 Beslag

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een vest, broek en schoenen, die aan verdachte toebehoren, moeten aan verdachte worden teruggegeven.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] (het kinderdagverblijf) vordert de volgende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente:

  • -

    € 2.164,- als vergoeding voor het loon dat aan de medewerkers is betaald die moesten overwerken;

  • -

    € 17.587,- als vergoeding voor het loon dat is betaald aan een medewerker die ziek is uitgevallen na de brand;

  • -

    € 331,- als vergoeding voor de tijd die is besteed aan (a) het indienen van de vordering benadeelde partij en (b) het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Daarnaast bestaat dit bedrag uit vergoeding van parkeerkosten en reiskosten.

De raadsman heeft de vordering van € 2.164,- en € 331,- niet betwist. Ook de rechtbank vindt deze vorderingen redelijk en zal deze vorderingen dan ook toewijzen.

De raadsman heeft de rest van de vordering wel betwist. Het betreft het loon dat is betaald aan een zieke werknemer. De raadsman vindt dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Ook de officier van justitie vindt dit. De rechtbank komt ook tot dit oordeel. Het betreft een hoge vordering. Mede gelet daarop mag worden verwacht dat de vordering wordt onderbouwd met in ieder geval medische stukken en loonstroken. Dat is niet gebeurd. Als de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld om nadere stukken aan te leveren, zou dit betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in deze vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan deze vordering bij de civiele rechter aanbrengen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal 2.495,- (tweeduizend vierhonderdvijfennegentig euro) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal als extra waarborg voor betaling van de schadevergoeding de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opleggen. Dit houdt in dat de Staat de schadevergoeding bij verdachte zal innen. Deze maatregel wordt eveneens opgelegd voor een bedrag van € 2.495,- (zegge: tweeduizend vierhonderdvijfennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 57, 63, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert de volgende juridische kwalificatie op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 15 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde

Meldingsgebod

zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet al zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich zo spoedig mogelijk melden bij Tactus Reclassering in Almere of een andere reclasseringsinstelling in Nederland. Hierna moet hij zich blijven melden zo vaak als de reclassering dat nodig acht. In de periode van klinische plaatsing zal veroordeelde door de reclassering in de kliniek worden bezocht.

Opname in een zorginstelling

gezien de directe samenhang van de verslavingsproblematiek en de psychische problematiek met de criminele gedrag van veroordeelde, wordt verplicht om zich voor deze verslavings- en psychische problematiek in een intramurale inrichting of (forensische) te laten diagnosticeren en behandelen, gedurende de termijn van maximaal 15 maanden, of zoveel korter als de leiding van de instelling in overleg met de reclassering wenselijk acht.

Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

wordt verplicht om mee te werken aan een plaatsing in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en in deze instelling moet verblijven en zich moet houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Behandelverplichting

gezien de directe samenhang van de psychiatrische problematiek en het middelengebruik van veroordeelde met het criminele gedrag, wordt verplicht om zich voor deze psychiatrische problematiek en middelengebruik te laten behandelen bij een Forensische Polikliniek of een Polikliniek van de GGZ. Daarbij behoort een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek tot de mogelijkheden. Deze kortdurende klinische opname kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject.

Andere voorwaarde het gedrag betreffende

wordt verplicht mee te werken aan urinecontroles, zolang de behandelaar of reclassering dat nodig acht.

Geeft aan Tactus Reclassering, of een andere reclasseringsinstelling in Nederland, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

- Gelast de teruggave aan verdachte van: broek, vest en schoenen.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd te Amsterdam, toe tot een bedrag van € 2.495,- (tweeduizend vierhonderdvijfennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] te betalen de som van € 2.495,- (tweeduizend vierhonderdvijfennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

- Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2017.