Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8984

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
C/13/630606 / HA ZA 17-615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzet van Turkmenistan tegen een verstekvonnis uit 2015 is tijdig ingesteld. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 9 aanhef en onder c Rv (forum necessitatis). Op grond van de door Chemix gestelde en door Turkmenistan onvoldoende weersproken feiten, wordt in het kader van het bevoegdheidsincident aangenomen dat Turkmenistan een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd om de indirect bestuurder van Chemix te belemmeren en dat Chemix geen eerlijk proces bij de Turkmeense overheidsrechter zal krijgen vanwege de betrokkenheid van de rechtstreekse belangen van de Turkmeense staat en president. Deze omstandigheden zijn zo zwaarwegend dat het onaanvaardbaar is om van Chemix te vergen dat zij bij de Turkmeense overheidsrechter tegen de Turkmeense staat procedeert. De in de overeenkomst opgenomen forumkeuze voor de Turkmeense overheidsrechter staat het beroep op artikel 9 Rv niet in de weg. Er is voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer, omdat Chemix op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Het verweer van Turkmenistan dat Chemix niet haar wederpartij is, slaagt niet. Er zijn op dit moment geen gronden om de executie van het verstekvonnis te verbieden of de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/630606 / HA ZA 17-615

Vonnis in de incidenten in verzet van 29 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHEMIX INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het verzet,

verweerster in het bevoegdheidsincident en in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

advocaat mr. J.E. van der Wolf te Soest,

tegen

de vreemde staat

DE REPUBLIEK TURKMENISTAN,

gevestigd te Asjchabad (Turkmenistan),

gedaagde,

eiseres in het verzet,

eiseres in het bevoegdheidsincident en in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

advocaat mr. T.L. Claassens te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Chemix en Turkmenistan genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de hoofdzaak (C/13/590122 / HA ZA 15-625):

  • -

    de dagvaarding van 24 juni 2015, met producties,

  • -

    het verstekvonnis van 11 november 2015,

in het incident (C/13/630606 / HA ZA 17-615):

  • -

    de verzetdagvaarding tevens houdende bevoegdheidsincident en incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 8 juni 2017,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord,

  • -

    het verkort proces-verbaal van het op 19 oktober 2017 gehouden pleidooi met de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in het incident

2.1.

Chemix hield zich bezig onder meer met het opruimen en verwerken van vervuilde olie. Chemix heeft een kantoor in Moskou (Russische Federatie).

2.2.

De aandelen in Chemix worden gehouden door CHEMIX BV (INTERNATIONAL) LIMITED (hierna: Chemix BV International), een in Gibraltar statutair gevestigde rechtspersoon. [Naam middellijk bestuurder] (hierna: [Naam middellijk bestuurder] ) is via deze rechtspersoon de middellijk bestuurder en aandeelhouder van Chemix. [Naam middellijk bestuurder] heeft woonplaats in [Woonplaats middellijk bestuurder] .

2.3.

In 2008 heeft Chemix in opdracht van Turkmenistan de technische en economische haalbaarheid van de verwerking van oliehoudend slib onderzocht.

2.4.

Op 29 december 2009 is Chemix door de rechtbank Alkmaar in staat van faillissement verklaard.

2.5.

Op 1 november 2011 hebben Chemix en (het Ministry of Oil and Gas Industry and Mineral Resources van) Turkmenistan een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst) op grond waarvan Chemix oliehoudend slib zou verwerken en daarvoor installaties, apparatuur en machines (hierna gezamenlijk: de installatie) beschikbaar zou stellen.

2.6.

In de Engelse tekst van de overeenkomst staat vermeld:

[…] CONTRACT […] Between:

The Ministry of Oil and Gas Industry and Mineral Resources of Turkmenistan […] and CHEMIX BV International (The Netherlands Kingdom) duly established and functioning in the person of General Director [Naam middellijk bestuurder] […]:

8.3.

All disputes, disagreements and claims arising between the Parties under this Contract to which the Parties’ consent has not been reached within thirty (30) days shall be transferred to the Arbitration Court of Turkmenistan (Ashgabat city) for consideration. The applicable legislation is the legislation of Turkmenistan […].

10 LEGAL ADRESS PARTIES

[…]

Company ‹‹Chemix BV International››

(The Netherlands Kingdom)

Address: [Adres Chemix] ,

Holland [Naam website]

2.7.

Bij brief van 29 maart 2012 heeft de rechter-commissaris in het faillissement van Chemix op verzoek van de curator aan de curator geschreven dat Chemix haar onderneming na het tot stand komen van een gerechtelijk (dwang)akkoord kan voortzetten. De curator had om de brief verzocht vanwege het belang dat de aanbieder van het akkoord had bij de in stand houding van de overeenkomst tussen Chemix en Turkmenistan.

2.8.

Eind 2012 heeft Chemix de eerste zending apparatuur naar Turkmenistan verscheept. Zij heeft in de periode van februari 2013 tot en met juni 2013 Turkmenistan herhaaldelijk verzocht om de locatie waar de installatie moest worden geplaatst aan te wijzen en daarover met verschillende autoriteiten in Turkmenistan gecorrespondeerd.

2.9.

[Naam middellijk bestuurder] wordt in Turkmenistan vervolgd voor (een poging tot) omkoping. In dat verband heeft Turkmenistan op 2 april 2013 een internationaal aanhoudingsverzoek uitgevaardigd. Dat verzoek is als een zogenaamde Red Notice gepubliceerd door Interpol.

2.10.

Op 2 mei 2013 is [Naam middellijk bestuurder] aangehouden in Griekenland en in afwachting van een uitleveringsverzoek van Turkmenistan in hechtenis genomen. Turkmenistan heeft geen uitleveringsverzoek gedaan, zodat de Griekse autoriteiten [Naam middellijk bestuurder] na 30 dagen in vrijheid hebben gesteld.

2.11.

Op 18 juli 2013 heeft Chemix een statement of claim (hierna: het verzoekschrift) bij de Arbitration Court of Turkmenistan (hierna: de Arbitration Court) in Ashgabat ingediend. De Arbitration Court maakt onderdeel uit van de overheidsrechtspraak in Turkmenistan. De Arbitration Court heeft het verzoekschrift geweigerd, omdat het niet aan de vereisten van artikel 77 en 22 van de Turkmeense Arbitration Procedure Code (hierna: APC) en artikel 56 van de Turkmeense Civil Code voldeed. Volgens de Arbitration Court was het verzoekschrift niet ondertekend door de bevoegde persoon, was geen griffierecht betaald, waren geen bankgegevens in het verzoekschrift opgenomen en was geen bewijs van toezending van het verzoekschrift aan het ministerie overgelegd.

2.12.

Het faillissement van Chemix is op 15 oktober 2013 opgeheven.

2.13.

Chemix heeft op 28 oktober 2013 opnieuw een verzoekschrift bij de Arbitration Court ingediend. De Arbitration Court heeft het verzoekschrift op grond van artikel 77 en 22 APC geweigerd, omdat het niet door de bevoegde persoon was ondertekend en de adres- en bankgegevens van het hoofdfiliaal niet in het verzoekschrift waren opgenomen.

2.14.

Bij verstekvonnis van 11 november 2015 (hierna: het verstekvonnis) heeft deze rechtbank de vordering van Chemix om Turkmenistan te veroordelen tot betaling van
USD 31.516.181,00 toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.15.

Chemix heeft getracht het verstekvonnis ten uitvoer te laten leggen in Duitsland door – kort gezegd – executoriaal derdenbeslag te leggen onder Duitse banken. Op 18 april 2017 heeft het Amtsgericht Frankfurt am Main (hierna: het Amtsgericht) op verzoek van Chemix een ex parte beslissing genomen en Chemix toegestaan om derdenbeslag onder de Duitse Commerzbank AG te leggen. Op 19 mei 2017 heeft de Duitse advocaat van Turkmenistan hoger beroep tegen deze beslissing ingesteld en om opheffing van het beslag verzocht. Dit verzoek is bij beslissing van 5 juli 2017 door het Amtsgericht verworpen vanwege gebrek aan belang, omdat het beslag geen doel heeft getroffen.

3 Het geschil in de hoofdzaak en in de incidenten

3.1.

In de hoofdzaak vordert Chemix primair op grond van wanprestatie en subsidiair op grond van onrechtmatige daad een schadevergoeding van ruim 31 miljoen dollar (USD) van Turkmenistan. Aan deze vordering heeft Chemix ten grondslag gelegd dat Turkmenistan naar het volgens Chemix toepasselijke Nederlandse recht toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door onder meer te weigeren de installatie vrij te geven en de plaats waar de installatie kan worden opgesteld aan te wijzen. Deze handelswijze levert ook een onrechtmatige daad op, aldus Chemix.

3.2.

In het verstekvonnis heeft deze rechtbank beslist dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 9 onder b dan wel c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht heeft om over de vorderingen van Chemix op Turkmenistan te beslissen.

3.3.

Turkmenistan is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en voert in het incident aan dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, omdat de overeenkomst een forumkeuze bevat voor de overheidsrechter van Turkmenistan. Volgens Turkmenistan komt Chemix geen beroep toe op artikel 9 onder c Rv, omdat de overeenkomst in werkelijkheid is gesloten met de Gibraltarese moedervennootschap Chemix BV International, waardoor de zaak onvoldoende is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer. Daarnaast is het volgens Turkmenistan niet onaanvaardbaar van Chemix te vergen dat zij de zaak onderwerpt aan het oordeel van de rechter in Turkmenistan. Ten slotte, heeft zij tijdens het pleidooi aangevoerd dat Chemix niet meer vorderingsgerechtigd is, omdat zij haar rechten uit de overeenkomst op 6 november 2015 heeft overgedragen aan Smart Money LLC.

3.4.

Ook vordert Turkmenistan – zakelijk weergegeven – Chemix te bevelen alle executiemaatregelen betreffende het verstekvonnis in te trekken en Chemix te verbieden verdere executiematregelen te treffen, steeds op straffe van een dwangsom van € 5 miljoen per dag, of (subsidiair) de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis te schorsen, of meer subsidiair aan de uitvoerbaarheid bij voorraad een zekerheid te stellen van € 40 miljoen, met veroordeling van Chemix in de proceskosten.

3.5.

Chemix voert verweer in de incidenten. Chemix voert aan dat Turkmenistan niet tijdig in verzet is gekomen en vordert subsidiair dat opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis wordt toegewezen onder de voorwaarde dat Turkmenistan zekerheid stelt.

3.6.

Turkmenistan heeft nog geen inhoudelijk verweer gevoerd in de hoofdzaak.

4 Tijdigheid van het verzet

4.1.

Chemix voert aan dat Turkmenistan niet tijdig in verzet is gegaan. De rechtbank is van oordeel dat Turkmenistan ter gelegenheid van het pleidooi voldoende gelegenheid heeft gehad om op dat verweer te reageren en de rechtbank zal op dit punt eerst beslissen.

4.2.

In artikel 143 Rv leden 2 en 3 is over de termijnen waarbinnen het verzet moet worden ingesteld, bepaald:

2. Het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. De in de eerste volzin bedoelde termijn is acht weken indien de gedaagde ten tijde van de in de eerste volzin bedoelde betekening of daad geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland heeft, maar zijn woonplaats of werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is.

3. Buiten de gevallen bedoeld in het tweede lid vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.

4.3.

Artikel 143 Rv heeft tot gevolg dat Turkmenistan binnen acht weken na betekening van het verstekvonnis aan haar in persoon, na het plegen door Turkmenistan van een daad van bekendheid of na ten uitvoerlegging van het vonnis verzet moet instellen. Doet zij dat niet binnen die termijnen, dan is het verzet te laat en wordt het verstekvonnis bekrachtigd.

Betekening in persoon

4.4.

Het verstekvonnis is – volgens Chemix – aan Turkmenistan betekend door betekening aan de Turkmeense ambassade in Brussel op 7 december 2015. Het verstekvonnis is ook per aangetekende post en per aangetekende luchtpost aan Turkmenistan gezonden.

4.5.

Naar Nederlands recht is het betekenen aan een ambassade (zie HR 3 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2447, NJ 1998/887) in ieder geval geen betekening in persoon aan een vreemde staat. Ook toezending per (aangetekende lucht-)post levert geen betekening, laat staan aan Turkmenistan in persoon, op. Het verstekvonnis is daarom niet aan Turkmenistan in persoon betekend.

Daad van bekendheid

4.6.

Turkmenistan heeft Duitse advocaten geïnstrueerd om, namens haar, op te komen tegen de executie van het verstekvonnis in Duitsland. Dat is een daad waaruit in beginsel voortvloeit dat het verstekvonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan Turkmenistan bekend is geworden. Het desbetreffende verzoekschrift is op 19 mei 2017 door de Duitse advocaat ingediend. De verzetdagvaarding is vervolgens aan Chemix betekend op 8 juni 2017, dat wil zeggen ruim binnen de periode van acht weken na 19 mei 2017. Chemix stelt niet dat Turkmenistan voor 19 mei 2017 (of voor 13 april 2017 de datum gelegen op 8 weken voor de datum van de verzetdagvaarding) een daad van bekendheid heeft verricht. Ook het voorgaande leidt daarom niet tot de conclusie dat Turkmenistan te laat in verzet is gekomen. Omdat Chemix geen concrete eerdere daad van bekendheid stelt, komt de rechtbank op dit punt ook niet toe aan bewijslevering.

Tenuitvoerlegging

4.7.

Op grond van artikel 144 Rv geldt voor (executoriaal) derdenbeslag dat het verstekvonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de (eerste) uitbetaling aan de beslaglegger. Betaling heeft niet plaatsgevonden, zodat het verstekvonnis ook (nog) niet ten uitvoer is gelegd.

Conclusie

4.8.

Het verzet is tijdig ingesteld, omdat het binnen acht weken na het indienen van het verzoekschrift door de Duitse advocaat van Turkmenistan is ingediend. De rechtbank komt zodoende toe aan de beoordeling van haar rechtsmacht.

5 Rechtsmacht Nederlandse rechter

5.1.

Op basis van de (destijds) onweersproken stellingen van Chemix heeft de rechtbank in het verstekvonnis aangenomen dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 9 onder b dan wel c Rv rechtsmacht heeft om over de vorderingen van Chemix op Turkmenistan te beslissen. Dit artikel bepaalt – samengevat – dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt indien een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk blijkt, of een dagvaardingszaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden en het onaanvaardbaar is van Chemix te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt.

5.2.

Turkmenistan voert aan dat het niet onaanvaardbaar is om van Chemix te vergen dat zij zich onderwerpt aan overheidsrechtspraak in Turkmenistan: dat is ook expliciet overeengekomen. Chemix heeft bewust gekozen om zaken te doen in Turkmenistan en zich willens en wetens onderworpen aan de rechtsmacht van de Turkmeense rechter. Chemix is niet (langer) vorderingsgerechtigd, omdat Chemix niet de contracterende partij is, althans omdat zij haar vorderingsrecht heeft gecedeerd of in verband met procesfinanciering niet langer de economische eigendom op de vordering heeft. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Turkmenistan een document van 6 december 2015 overgelegd waarin staat vermeld dat Chemix haar rechten uit de overeenkomst aan Smart Money LLC heeft overgedragen. Dat betekent – naast de omstandigheid dat Chemix geen activiteiten (meer) in Nederland ontplooit – dat er geen voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat. Ook Zwitserland en Rusland zijn een mogelijk forum voor dit geschil, aldus steeds Turkmenistan.

Toetsingskader

5.3.

Bij de beantwoording van de vraag of hij rechtsmacht heeft, dient de rechter zich niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet hij ook acht slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde (HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694).

Chemix vorderingsgerechtigd?

5.4.

In de overeenkomst staat als wederpartij van Turkmenistan vermeld:

Company ‹‹Chemix BV International››

(The Netherlands Kingdom)

Address: [Adres Chemix] ,

Holland [Naam website]

5.5.

Turkmenistan betoogt dat zij niet wist met welke wederpartij zij de overeenkomst sloot. Zij verkeerde in de overtuiging te handelen met Chemix, maar zij is opzettelijk door haar wederpartij op het verkeerde been gezet, omdat – zo is Turkmenistan kennelijk gebleken – de feitelijke wederpartij de in Gibraltar gevestigde vennootschap “Chemix BV International” is geweest.

5.6.

Dit betoog kan de rechtbank niet volgen. Turkmenistan meende kennelijk dat zij de overeenkomst sloot met de in Nederland gevestigde besloten vennootschap Chemix. Over het in dit kader toepasselijk recht en de uitlegstandaard naar dat recht heeft Turkmenistan geen inhoudelijk standpunt ingenomen. Er is geen reden om aan te nemen dat Turkmenistan eigenlijk met de in Gibraltar gevestigde rechtspersoon met de naam Chemix BV International heeft gecontracteerd, al was het maar omdat niet is gebleken dat de wil van Turkmenistan daarop was gericht. Daarom moet het (in ieder geval in het kader van dit incident), mede gelet op de niet voor misverstand vatbare aanduiding in de overeenkomst, ervoor worden gehouden dat Chemix de contracterende partij is geweest. De omstandigheid dat Chemix ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in staat van faillissement verkeerde maakt dit oordeel niet anders, nu Turkmenistan niet aanvoert dat Chemix niet bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan.

5.7.

Voor zover moet worden getoetst of Chemix juridisch en economisch vorderingsgerechtigd is, geldt dat voor de beoordeling van de rechtsmacht moet worden uitgegaan van de situatie zoals die was op het moment van het uitbrengen van de (oorspronkelijke) dagvaarding. Dat betekent dat het document van 6 november 2015 waar Turkmenistan zich op beroept, nog los van de vraag of het authentiek is, niet van belang is voor de beoordeling op dit punt. De zaak was immers al vanaf 24 juni 2015 aanhangig. In de hoofdzaak kan aan de orde komen of Chemix nog vorderingsgerechtigd is of dat Turkmenistan zoals Chemix stelt een vals stuk in deze procedure heeft overgelegd en welke consequenties daaraan verbonden moeten worden. De suggestie dat er sprake zou zijn van procesfinanciering is in het kader van de beoordeling van de bevoegdheid niet relevant.

Artikel 9 onder b en c Rv

5.8.

Chemix stelt dat het onaanvaardbaar zou zijn om van haar te vergen dat zij procedeert bij de overheidsrechter in Turkmenistan. Zij beroept zich op verschillende rapporten over de mensenrechtensituatie in Turkmenistan. Zakelijk weergegeven en voor zover relevant gaat het om de volgende stukken:

5.8.1.

In een rapport uit 2013 meldt Amnesty International dat er in Turkmenistan in theorie een scheiding bestaat tussen de rechtsprekende macht en de uitvoerende macht, maar dat in werkelijkheid de onafhankelijkheid van rechters maar beperkt is (“In practice judicial independence is limited.”). Ook beschrijft het rapport dat er zorgen bestaan over de eerlijkheid van strafrechtelijke procedures en dat mensenrechtenjuristen uit Turkmenistan geloven dat strafrechtelijke veroordelingen op oneigenlijke gronden worden uitgesproken.

5.8.2.

In een rapport uit 2011 meldt het Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor dat civiele rechtspraak in Turkmenistan niet onafhankelijk en niet onpartijdig is. Als de staat Turkmenistan een belang had bij de uitkomst van een zaak, legt de staat rechterlijke beslissingen op.

5.8.3.

In een rapport uit 2011 meldt de organisatie Crude Accountability dat president [Naam president] alle bevoegdheden en inkomsten met betrekking tot het winnen van olie en gas in Turkmenistan – door middel van een agentschap – naar zich heeft toegetrokken.

5.8.4.

In een rapport uit 2012 schrijft [Naam 1] (associate fellow of the Russia and Eurasia Programme at the Royal Institute of International Affairs in Londen) dat het Openbaar Ministerie geen controlerende, maar een repressieve rol speel in het rechtssysteem van Turkmenistan. Rechters en advocaten spelen maar een marginale rol. Alle rechters worden voor een periode van vijf jaar benoemd. De president kan beschikken over de inkomsten uit oliewinning.

5.8.5.

De ambassade van de Verenigde Staten adviseert dringend om in geval van overeenkomsten met de overheid van Turkmenistan te kiezen voor een arbitrage met een zetel van arbitrage buiten Turkmenistan.

5.8.6.

Human Rights Watch spreekt in rapporten over de jaren 2013 en 2014 over Turkmenistan als een van de meest repressieve regimes ter wereld en stelt dat er een persoonlijkheidscultus rondom de president bestaat.

5.8.7.

In een verklaring van juli 2017 stelt [Naam 1] dat het – gelet op de structuur, geschiedenis en modus operandi van de overheid van Turkmenistan – ondenkbaar zou zijn dat een Westerse onderneming in een geschil met de overheid van Turkmenistan een eerlijk proces zou kunnen krijgen bij de Turkmeense overheidsrechter.

5.9.

In dit concrete geval spelen er volgens Chemix nog de volgende omstandigheden.

5.9.1.

Het tegen [Naam middellijk bestuurder] uitgevaardigde arrestatiebevel maakt een eerlijk proces in Turkmenistan onmogelijk. De beschuldigingen zijn vals en de vervolging is ingestoken om Chemix – via haar bestuurder – onder druk te zetten. Turkmenistan schendt rechtstatelijke normen en zal dat ook in een civiele procedure doen.

5.9.2.

Dat Chemix wordt tegengewerkt blijkt ook uit de weigering van de Arbitration Court om de procedure te starten. De inleidende verzoekschriften voldoen aan de eisen, maar zijn tot tweemaal toe op oneigenlijke gronden geretourneerd. In ieder geval is er sprake van excessief formalisme, wat op zichzelf op gespannen voet staat met het recht op een eerlijk proces.

5.10.

Daartegenover wijst Turkmenistan op een tekst waaruit zou blijken dat Turkmenistan zich moeite betracht om haar inwoners op de hoogte te brengen van de inhoud en betekenis van “international human rights instruments”. Ook organiseert de Supreme Court van Turkmenistan lezingen over mensenrechten samen met de Verenigde Naties. De vervolging van [Naam middellijk bestuurder] is het gevolg van door hem gepleegde misdrijven. De ingediende stukken zijn door de Arbitration Court terecht conform het geldende procesrecht en onder opgave van redenen geweigerd, aldus steeds Turkmenistan.

5.11.

De rechtbank overweegt als volgt. De stukken waarop Turkmenistan zich beroept zijn door Turkmenistan zelf ingediend bij de Verenigde Naties. Wat daarin staat geeft dan ook het standpunt van Turkmenistan weer, niet de bevindingen van een orgaan van de Verenigde Naties. De stukken leggen tegenover de rapporten van onderzoekers en NGO’s waar Chemix zich op beroept, onvoldoende gewicht in de schaal. Uit deze rapporten blijkt immers dat er – in algemene zin – sprake is van een persoonlijkheidscultus rondom de huidige president van Turkmenistan, die bovendien een eigen belang heeft bij de olie en gasindustrie. Daarnaast is de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet feitelijk gewaarborgd. De juistheid en de betrouwbaarheid van de rapporten is door Turkmenistan onvoldoende weersproken.

5.12.

Daarnaast zijn er nog concrete aanwijzingen dat het voor Chemix onaanvaardbaar zou zijn om in Turkmenistan tegen Turkmenistan te procederen. Er is tegen [Naam middellijk bestuurder] (de bestuurder en middellijk aandeelhouder van Chemix) een Red Notice uitgevaardigd op grond waarvan hij in Griekenland is aangehouden. Chemix stelt in deze procedure onweersproken dat Turkmenistan nooit heeft verzocht om uitlevering en dat het openbaar ministerie van Turkmenistan aan Griekenland nooit documenten heeft verstrekt om de beschuldiging te onderbouwen. Niet alleen betekent dit dat de bestuurder van Chemix een civiel proces in Turkmenistan niet kan bijwonen zonder te vrezen voor arrestatie, het betekent ook dat het – op basis van het partijdebat in het kader van dit incident – ervoor moet worden gehouden dat Turkmenistan de Red Notice heeft uitgevaardigd om [Naam middellijk bestuurder] (en dus zijn onderneming: Chemix) te belemmeren. Tegen de achtergrond van de situatie in Turkmenistan bezien gaat het hier om misbruik van strafrechtelijke bevoegdheden die de staat Turkmenistan heeft, kennelijk met het doel om [Naam middellijk bestuurder] en Chemix te beschadigen. Dat rechtvaardigt in dit geval de concrete vrees dat Chemix in Turkmenistan geen eerlijk proces zal kunnen krijgen.

5.13.

Daarbij komt dat de belangen van het Turkmeense Ministry of oil and gas industry and mineral resources, de wederpartij van Chemix bij de overeenkomst, rechtstreeks de belangen van de staat Turkmenistan en van de president zijn. Turkmenistan heeft onvoldoende weersproken dat het formele en materiële waarborgen voor onafhankelijke rechtspraak ontbeert in zaken die de rechtstreekse belangen van de staat betreffen.

5.14.

De hiervoor genoemde omstandigheden zijn zo zwaarwegend dat het onaanvaardbaar is van Chemix te vergen dat zij haar vordering voorlegt aan de rechter in Turkmenistan.

5.15.

Gelet op het voorgaande is het niet nodig om in te gaan op de vraag of de weigering van de Arbitration Court om de verzoekschriften van Chemix in behandeling te nemen op grond van de Turkmeense APC en Civil Code terecht was of dat sprake is van een onverdedigbare toepassing van het (materiële of formele) Turkmeense recht ten nadele van Chemix, waardoor geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Forumkeuze

5.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de overeenkomst een forumkeuze is opgenomen voor “the Arbitration Court of Turkmenistan (Ashgabat City)”. Dat Chemix daar destijds mee instemde (al stelt zij nu op dat punt gedwaald te hebben) betekent nog niet dat het wel aanvaardbaar zou zijn om van Chemix te vergen dat zij het geschil aan de Turkmeense overheidsrechter voorlegt. Anders dan Turkmenistan betoogt, prevaleert de forumkeuze niet boven de regeling van artikel 9 onder c Rv. Dat een forumkeuze in het internationale recht mogelijk is, is gebaseerd op het algemeen aanvaarde beginsel van partijautonomie. De regeling van artikel 9 onder c Rv is gebaseerd op het beginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces. Een dergelijk fundamenteel recht kan niet opzij worden gezet door een forumkeuze.

Andere fora

5.17.

Het bestaan van de forumkeuze betekent dat een andere rechter alleen bevoegd kan zijn, als ook die rechter de forumkeuze zou kunnen passeren. Turkmenistan voert aan dat de Russische rechter of de Zwitserse rechter bevoegd is, omdat Chemix een kantoor in Moskou heeft en de betalingen onder de overeenkomst op een bankrekening bij BNP Paribas S.A. in Genève moeten worden gedaan. Turkmenistan legt evenwel niet uit op welke grond de Russische of Zwitserse rechter de forumkeuze zou kunnen passeren. Turkmenistan bestrijdt immers dat Chemix op dit punt heeft gedwaald. De rechtbank komt zodoende tot het oordeel dat er geen buitenlandse rechter en dus geen ander forum beschikbaar is voor Chemix.

Voldoende band met Nederland

5.18.

Artikel 9 onder c Rv vereist dat de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. Het verweer van Turkmenistan dat niet de Nederlandse vennootschap (materieel) vorderingsgerechtigd is, is verworpen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat voldoende band met Nederland in ieder geval aanwezig is indien de eiser in Nederland zijn gewone verblijf- of vestigingsplaats heeft. Ook de verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer moet – omdat het hier gaat om de bevoegdheid van de rechtbank – worden beoordeeld naar het moment van het aanhangig worden van de (verstek)zaak. Het faillissement van Chemix is door de Nederlandse rechter uitgesproken en opgeheven en Chemix is in Nederland belastingplichtig voor vennootschapsbelasting. In dat licht bezien heeft Turkmenistan onvoldoende weersproken dat Chemix – in 2015 – haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Dat de onderneming sindsdien haar activiteiten heeft gestaakt en dat de bestuurder en aandeelhouder niet in Nederland gevestigd zijn, maakt dit oordeel niet anders.

Conclusie

5.19.

De slotsom is dat aan de voorwaarden die artikel 9 onder c Rv stelt om rechtsmacht van de Nederlandse rechter te kunnen aannemen, is voldaan. De rechtbank Amsterdam is derhalve bevoegd om kennis te nemen van het geschil. De incidentele vordering van Turkmenistan tot verklaring van onbevoegdheid zal worden afgewezen.

6 Executie verstekvonnis

6.1.

Turkmenistan vordert een gebod tot het intrekken van de door Chemix gestarte executiemaatregelen en een verbod tot het nemen van verdere executiemaatregelen, althans de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis.

6.2.

Het instellen van verzet schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis niet (artikel 145 Rv). Door het verzet is het verstekvonnis nog niet onherroepelijk geworden. Bij executie van het verstekvonnis handelt Chemix dus voor eigen risico en is zij in beginsel aansprakelijk voor door de executie veroorzaakte schade, indien het verstekvonnis later wordt vernietigd. De vraag die Turkmenistan opwerpt is of Chemix bij voorbaat al (jegens Turkmenistan) onrechtmatig handelt. Materieel wenst Turkmenistan met het gevorderde verbod tot tenuitvoerlegging hetzelfde te bereiken als met de gevorderde opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, namelijk een einde aan (de dreiging van) de executie van het verstekvonnis.

6.3.

Op grond van 223 Rv kan de uitvoerbaarheid bij voorraad worden geschorst als voorlopige voorziening voor de duur van het geding. De rechtbank kan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis schorsen, indien zij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Onder dezelfde omstandigheden kan ook de (verdere) executie verboden worden.

6.4.

Eigen aan een verstekvonnis is dat het standpunt van Turkmenistan daarbij niet is meegewogen. Een juridische misslag levert dat echter niet op. Het onbevoegdheidsverweer van Turkmenistan is verworpen. Ook het betoog dat Chemix niet vorderingsgerechtigd zou zijn is verworpen. Door Turkmenistan zijn geen andere of na het verstekvonnis opgekomen omstandigheden aangevoerd, die het opheffen van de uitvoerbaarheid bij voorraad zouden kunnen rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat geen van de gelegde beslagen – zo stelt Turkmenistan zelf – doel getroffen heeft. Voor een gebod aan Chemix tot het intrekken van de reeds genomen executiemaatregelen ziet de rechtbank daarom geen aanleiding. Turkmenistan heeft onvoldoende concreet gemaakt dat Chemix als gevolg van een eventuele onrechtmatige executie schadeplichtig kan worden. Het beroep op het restitutierisico, omdat Chemix geen economische activiteiten meer ontplooit, legt daarom onvoldoende gewicht in de schaal. In het verlengde daarvan ziet de rechtbank thans geen grond voor het stellen van zekerheid door Chemix.

6.5.

De vorderingen van Turkmenistan zullen worden afgewezen. Aan de beoordeling van de (tegen)vordering van Chemix om Turkmenistan te veroordelen zekerheid te stellen bij het opheffen van de uitvoerbaarheid bij voorraad, komt de rechtbank niet toe.

7 Conclusie

7.1.

Turkmenistan is tijdig in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. De rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. Het gevolg van deze beslissingen is dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het geschil. De rechtbank acht het gelet op het geldelijk belang van de hoofdzaak en de te verwachten kosten voor partijen opportuun om tegen dit vonnis hoger beroep open te stellen.

7.2.

Turkmenistan zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de incidenten worden veroordeeld. De rechtbank begroot die kosten op tweemaal 1 punt van het toepasselijke tarief van € 452,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Ambtshalve zal de rechtbank ook de nakosten begroten en toewijzen.

In de hoofdzaak

7.3.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen van 10 januari 2018 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Turkmenistan.

7.4.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8. De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

8.1.

wijst het gevorderde af,

8.2.

veroordeelt Turkmenistan in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Chemix begroot op € 904,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening,

8.3.

veroordeelt Turkmenistan in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Turkmenistan niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

8.4.

verklaart de (proceskosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

8.5.

bepaalt dat tegen deze beslissingen hoger beroep openstaat,

in de hoofdzaak

8.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 januari 2018 voor het nemen van een conclusie van antwoord door Turkmenistan,

8.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door
mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.1

1 type: EJvV coll: MB