Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8980

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
13/654013-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 24-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 140 uur voor zware mishandeling samen met een ander en heling van een iPhone.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654013-17 (Promis)

Datum uitspraak: 6 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.E.P.M. Kersten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S. Gerson naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam op de openbare weg, de Blauwbrug, in elk geval op de openbare weg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge en/of een geldbedrag van (ongeveer) 100 euro en/of een I-phone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die van [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- (meermalen) in/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd en/of het lichaam van die van [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt;

subsidiair:

hij in de periode van 29 december 2016 tot en met 25 januari 2017 te Amsterdam en/of Diemen, een I-phone, in elk geval een telefoon, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of voorhanden krijgen van de telefoon, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit goed een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een afgebroken voortand, heeft toegebracht, door (meermalen) in/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen;

subsidiair:

hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,(meermalen) in/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt;

3.

hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermalen) in/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vraagt verdachte vrij te spreken van de diefstal met geweld of bedreiging met geweld van een horloge, een bedrag van € 100 en een iPhone van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . Wel kan bewezen worden dat verdachte de iPhone heeft geheeld, en al dan niet samen met een ander [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en al dan niet samen met een ander geprobeerd heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zij komt hiertoe op grond van de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Daarnaast acht zij hiervoor van belang de letselverklaringen opgemaakt door OLVG Locatie Amsterdam-Oost, de huisarts en het Spaarne Gasthuis en de deels bekennende verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 1] vier klappen heeft gegeven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal met geweld van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . De raadsvrouw verzet zich niet tegen een bewezenverklaring van de heling van de iPhone. Verdachte dient ook te worden vrijgesproken van de zware mishandeling van [slachtoffer 1] of de poging daartoe omdat verdachte niet het opzet daarop had. Bovendien is er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking zodat ook niet kan worden bewezen dat hij het samen met een ander heeft gedaan. Ook dient vrijspraak te volgen van de poging om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Getuigen hebben enkel de mishandeling van [slachtoffer 1] waargenomen en niet (ook) een mishandeling van [slachtoffer 2] . Bovendien volgt uit de letselverklaring niet dat [slachtoffer 2] enig letsel heeft opgelopen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, degene is geweest die de iPhone, het horloge en een geldbedrag van [slachtoffer 1] heeft gestolen. Verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken. .

4.3.2.

Vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde

Verdachte zal ook worden vrijgesproken van de poging tot mishandeling van aangever [slachtoffer 2] . Uit het dossier volgt onvoldoende dat die mishandeling (mede) is gepleegd door verdachte.

4.3.3.

Oordeel over het onder 1. subsidiair ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij toen hij de iPhone in handen kreeg, wist dat deze van één van de aangevers was en ook dat hij deze nadien heeft doorverkocht. Op grond van deze verklaring en de aangifte van [slachtoffer 2] oordeelt de rechtbank dat dit feit is bewezen.

4.3.4.

Oordeel over het onder 2. primair ten laste gelegde

Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde zware mishandeling van [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.4.1. (Voorwaardelijk) opzet

[slachtoffer 1] heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij en zijn vriend [slachtoffer 2] een groep jongens zagen en dat zij door een Hollandse jongen uit die groep werden aangesproken met de vraag: ‘Waar komen jullie vandaan?’. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij kort daarna op de grond lag, dat hij een klap of een duw heeft gekregen, en dat hij tegen zijn hoofd is geschopt toen hij op de grond lag. Hij voelde dat hij met kracht met een schoen tegen zijn hoofd werd getrapt.

Verdachte heeft bekend dat hij aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gevraagd waar zij vandaan kwamen en dat hij degene was die [slachtoffer 1] als eerste sloeg. Ook heeft hij bekend dat hij op [slachtoffer 1] is gesprongen, met hem ten val is gekomen en hem vuistslagen heeft gegeven.

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] (ook) tegen het hoofd heeft getrapt. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] kan echter worden afgeleid dat verdachte [slachtoffer 1] wel heeft geschopt. [slachtoffer 2] heeft immers verklaard dat een blanke jongen uit de groep (door [slachtoffer 2] ook aangeduid als: NN1) aan [slachtoffer 1] en hem vroeg “Waar komen jullie vandaan?”, dat NN1 zijn aandacht op enig moment op [slachtoffer 1] richtte, dat NN1 [slachtoffer 1] een vuistslag in het gezicht gaf en dat NN1 daarna samen met een andere jongen (door [slachtoffer 2] aangeduid als NN3) bleef inslaan en schoppen op het hoofd en lichaam van [slachtoffer 1] . Gelet op onder meer de eigen verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat met NN1 verdachte is bedoeld.

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Door samen met zijn medeverdachte (NN3) in te slaan op, en te schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is immers algemeen bekend dat het schoppen met schoenen aan tegen het blote hoofd van een persoon kan leiden tot ernstig hoofdletsel bij die persoon, met alle gevolgen van dien.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, dat verdachte zijn medeverdachte heeft proberen weg te trekken toen deze [slachtoffer 1] op zijn hoofd trapte, wordt door de bewijsmiddelen weersproken en daarmee verworpen.

4.3.4.2. Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het aan [slachtoffer 1] toegebrachte letsel, als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in juridische zin) valt aan te merken.

Uit de letselverklaring van de huisarts van 3 januari 2017 en de MKA-chirurg van OLVG Locatie Amsterdam-Oost van 29 december 2016 blijkt dat [slachtoffer 1] een neusfractuur/os nasale fractuur, een barst in zijn linker kaak en tandletsel (kroonfracturen en (sub)luxatie 11 en 21) heeft opgelopen. Uit de toelichting van [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 22 november 2017 blijkt dat het tussenschot van zijn neus scheef staat, dat hij daarvan last heeft met ademhalen en dat hij hieraan geopereerd moet worden. [slachtoffer 1] heeft ter zitting ook verklaard dat zijn voortanden waren afgebroken. Dit is ook geverbaliseerd bij de aangifte van [slachtoffer 1] .

Uit het voorgaande blijkt dat met betrekking tot het letsel aan de tanden van [slachtoffer 1] medisch ingrijpen van een tandarts nodig was. De tandarts heeft herstelwerkzaamheden aan de tanden verricht, maar kan de tanden niet in de natuurlijke staat terugbrengen. Voorts heeft [slachtoffer 1] neusletsel, te weten een gebroken scheefstaand neusschot, waaraan hij nog geopereerd moet worden.

Gezien de aard en ernst van het uitgeoefende geweld, het met geschoeide voet trappen en met (gebalde vuist) slaan tegen het hoofd van [slachtoffer 1] ten gevolge waarvan hij ook nog enige tijd buiten bewustzijn is geweest, in combinatie met het letsel dat daaruit is voortgekomen zoals dat hiervoor is omschreven, de noodzaak van medisch ingrijpen en de langdurige gevolgen die dit letsel voor [slachtoffer 1] met zich mee heeft gebracht, is sprake van letsel dat naar gewoon spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt.

4.3.4.3. Medeplegen

Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het voltooien van het delict. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter in zijn algemeenheid rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier volgt dat verdachte zich, samen met de medeverdachte [medeverdachte] , in de nachtelijke uren van 29 december 2016 heeft schuldig gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] door hem te slaan, te stompen en tegen het hoofd te schoppen terwijl deze (bewusteloos) op de grond lag. Door zowel verdachte als de medeverdachte zijn daarbij geweldshandelingen uitgevoerd. Medeverdachte [medeverdachte] zei even daarvoor tegen verdachte, die meende twee van de jongens te zien die hem kort daarvoor hadden mishandeld, ‘Pak ze terug dan’. Op grond van het voorgaande is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] , zodat medeplegen kan worden bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1, subsidiair:

in de periode van 29 december 2016 tot en met 25 januari 2017 te Diemen een I-phone heeft verworven en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving van de telefoon wist dat dit goed een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 2, primair:

op 29 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een afgebroken voortand heeft toegebracht, door meermalen tegen het gezicht, in elk geval het hoofd te slaan en/of te stompen en te schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten, zoals weergegeven onder4.1, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft zij de rechtbank verzocht aan verdachte een taakstraf van 240 uren op te leggen, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Verder heeft zij gevorderd aan het voorwaardelijke strafdeel, als bijzondere voorwaarde, een meldplicht te verbinden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht, ingeval van een bewezenverklaring, rekening te houden met de proceshouding van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De reclassering heeft positief over hem gerapporteerd en verdachte volgt een hbo-opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van onder meer een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in de nacht van 29 december 2016 te Amsterdam, samen met een ander, een onschuldig slachtoffer op straat ernstig mishandeld. Door deze plotselinge explosie van geweld is [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Uit de aangifte en de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] blijkt dat hij ten tijde van het voorval buiten bewustzijn is geweest en naar het ziekenhuis is vervoerd waar werd geconstateerd dat hij een gebroken neus, een barst in zijn kaak, een gat in zijn hoofd, blauwe plekken bij het rechteroog en op de linkerzij en verwondingen aan zijn handen en knie had. Door de gebroken neus is het tussenschot scheef gaan staan met als gevolg dat [slachtoffer 1] moeilijker kan ademhalen. [slachtoffer 1] moet zijn neusschot nog operatief recht laten zetten, maar heeft dit nog niet gedaan omdat hij hierdoor een tijd uit de roulatie zal zijn en dit negatieve gevolgen kan hebben voor zijn studie. Van de barst in zijn kaak heeft hij veel last gehad. Hij heeft twee tot drie weken na het incident alleen maar vloeibaar voedsel kunnen innemen. Het heeft een paar maanden geduurd voordat hij geen pijn meer had aan zijn kaak bij het eten van vast voedsel. Uit zijn letselverklaring van blijkt dat het incident een enorme impact op [slachtoffer 1] heeft gehad. Niet alleen heeft hij de pijnlijke lichamelijke gevolgen ervaren, ook kampt hij met psychisch nadelige gevolgen. Hij kan moeilijk in slaap komen en slaapt onrustig. Hij wordt vaak uit het niets bezweet wakker. Daarnaast is hij veranderd, treedt hij minder op de voorgrond, is hij in zijn contacten met anderen terughoudender en kan hij veel minder hebben. Vanwege de impact die het voorval nog steeds op hem heeft, is [slachtoffer 1] doorverwezen naar een psycholoog.

Voornoemde feiten zijn ernstige feiten. Naast de lichamelijke en psychische gevolgen voor [slachtoffer 1] zal het ook voor omstanders een schokkende ervaring zijn geweest en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij versterken. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij er voor heeft gekozen om een, naar achteraf blijkt, onschuldig slachtoffer tijdens een avondje uit midden op straat ernstig toe te takelen, terwijl ander uitgaanspubliek hier ongewild getuige van is geworden.

Verder heeft verdachte de iPhone van [slachtoffer 2] doorverkocht, terwijl hij wist dat de telefoon van één van de aangevers afkomstig was en was meegenomen tijdens de vechtpartij. Dit is een kwalijk feit dat verdachte aan te rekenen is.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 8 november 2017. Hieruit blijkt dat verdachte zijn leven op pro-sociale wijze invult, een eigen aandeel in het incident erkent en de schuldvraag niet buiten zichzelf legt. Verdachte is gemotiveerd om niet meer met politie en justitie in aanraking te komen, en beschikt over voldoende vaardigheden om dit daadwerkelijk te realiseren. Verdachte is zelfredzaam, er is sprake van zelfinzicht en een steunend positief netwerk. Hij heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden en hij heeft zich open en vriendelijk opgesteld tijdens de meldplichtafspraken. Verdachte volgt de opleiding Toegepaste Psychologie aan de Hogeschool van Amsterdam. Deze opleiding verloopt goed.

De rechtbank hecht daarnaast waarde aan het feit dat verdachte zich ter terechtzitting tot [slachtoffer 1] heeft gericht en hem zijn spijt heeft betuigd. Deze spijtbetuiging kwam naar het oordeel van de rechtbank oprecht over.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het uittreksel Justitiële Documentatie van 30 oktober 2017, waaruit volgt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn neergelegd in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt voor het plegen van zware mishandeling door first offenders uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

In een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals voorgesteld door de officier van justitie, wordt de ernst van de geweldshandelingen waar verdachte zich samen met een ander aan heeft schuldig gemaakt, onvoldoende tot uitdrukking gebracht. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de door hem gevolgde opleiding, en zijn proceshouding, vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, zoals voorgesteld door genoemde oriëntatiepunten, eveneens niet passend.

De rechtbank zal daarom aan verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een taakstraf voor de duur van 140 uren opleggen. De rechtbank is van oordeel dat deze straffen passend en geboden zijn. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om verdachte eveneens te veroordelen tot een voorwaardelijk strafdeel, met daaraan gekoppeld de door de officier van justitie voorgestelde bijzondere voorwaarde.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2) vordert € 774,86 aan materiële schadevergoeding en € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd omdat het letsel van aangever [slachtoffer 1] niet door verdachte is veroorzaakt en [slachtoffer 1] geen blijvend letsel heeft opgelopen. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de tandartskosten gematigd moeten worden, omdat - volgens de tandarts - een verdere behandeling niet noodzakelijk is. De kosten van de kapper zijn niet rechtstreeks het gevolg van het ten laste gelegde feit en de kosten voor verband en pijnstillers zijn te hoog.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 2. primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De immateriële schadevergoeding wordt begroot op het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding tot matiging van de gevraagde schadevergoeding. De gevorderde materiële schadevergoeding is volgens de rechtbank rechtstreeks veroorzaakt door het ten laste gelegde feit en is voldoende onderbouwd. Dit betekent dat de schade zoals gevorderd, hoofdelijk, zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2016. Daarbij zal ook de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 3) vordert € 671,35 + € 6,78 aan materiële schadevergoeding en € 500,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3. Subsidiair voert zij aan, ten aanzien van de gevorderde materiële schade, dat de iPhone van [slachtoffer 2] reeds kapot was en dat de bijgevoegde bon, een bon voor de geschatte kosten van de reparatie betreft.

De rechtbank zal benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren, omdat verdachte van het onder 3. ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 57, 302 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1. primair en 3. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde:

- Opzetheling.

Ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde:

- Medeplegen van zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 140 (honderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 (zeventig dagen).

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] , wonende op het adres [adres 1] , [woonplaats] , toe tot € 2.774,86 (tweeduizendzevenhonderdvierenzeventig euro en zesentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , aan de Staat € 2.774,86 (tweeduizendzevenhonderdvierenzeventig euro en zesentachtig eurocent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 37 (zevenendertig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 3) niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. L.R. Wisse en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2017.