Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:895

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
AMS 16/1743
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op grond van de Wet bibob kunnen weigeren aan eiseres een exploitatievergunning te verlenen voor de realisatie van een openbaar toilet en verkooppunt voor het bedrijf in een pand op de wallen. De hypothecaire lening waarmee het pand is gefinancierd, bestaat uit middelen, afkomstig van wederrechtelijk verkregen voordeel. De gronden dat eiseres niet met de eigenaar van het pand zou zijn gelijk te stellen, dat de lening al van lang geleden is en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer zou kunnen worden benut, slagen niet. De aan de verdachte opgelegde ontnemingsmaatregel is voorts nog niet betaald, zodat verweerder daarmee geen rekening hoefde te houden. De stelling dat met het conservatoir beslag op (on)roerende goederen van de verdachte de betaling van de ontnemingsmaatregel verzekerd is, slaagt evenmin. De weigering van de vergunning betekent tot slot geen schending van het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/1743

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] ., te Amsterdam, eiseres I

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] ., te Amsterdam, eiseres II

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] ., te Amsterdam, eiseres III,

samen te noemen: eiseressen

(gemachtigde: mr. D. op de Hoek),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van Stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. Luttik en mr. S.A. de Wied).

Procesverloop

Namens eiseres I is een aanvraag ingediend tot verlening van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de begane grond van het gebouw [adres] te Amsterdam.

Bij besluit van 22 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Op 30 juli 2015 hebben eiseressen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 11 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriften-commissie van 4 februari 2016 en het advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) van 29 juni 2015 (het bibob-advies).

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Namens eiseres I en eiseres II is verschenen [betrokkene] . Namens eiseres III is verschenen [betrokkene 1] . Eiseressen zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres I heeft de omgevingsvergunning aangevraagd voor het pand aan de [adres] (hierna: het pand) om er een openbaar toilet en kaartverkooppunt voor [bedrijf 3] te realiseren. Eiseres I heeft voor de realisatie van dit plan een besloten vennootschap opgericht, genaamd [bedrijf 1] . (eiseres II). [bedrijf 1] . huurt het pand van de eigenaar, [bedrijf 2] . (eiseres III, voorheen genaamd: Gebouw [naam gebouw] . [betrokkene 1] is via [bedrijf 4] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] . In 2002 heeft [betrokkene 1] (handelend als directeur) het pand, samen met andere panden, gekocht van [de persoon] . [de persoon] heeft [betrokkene 1] daarvoor destijds een hypothecaire lening verschaft. De panden zijn in 2003 geherfinancierd met een hypothecaire lening van 1,75 miljoen euro, verstrekt door het bedrijf [bedrijf 5] . van [de persoon 1] . [de persoon 1] is op [datum 1] 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld voor het witwassen van [bedrag] van in totaal ruim [bedrag] . Deze veroordeling is onherroepelijk. Verder is aan [de persoon 1] bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van [datum 2] 2013 een ontnemingsmaatregel opgelegd van ruim [bedrag] . Dit vonnis is nog niet onherroepelijk.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob). Verweerder heeft zich gebaseerd op het bibob-advies en stelt zich op het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. De hypothecaire lening voor het pand van [de persoon 1] aan [betrokkene 1] bestaat namelijk uit geld dat uit een misdrijf afkomstig is. Verweerder verwijst naar de veroordeling van [de persoon 1] , naar de hypotheekakte van 24 februari 2003 en naar een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 12 maart 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BV8515). Verweerder meent dat [betrokkene 1] kan worden gelijkgesteld met de aanvrager van de vergunning, omdat hij feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed over het pand heeft. Hij is eigenaar van het pand en uit artikel 17 van de huurovereenkomst met [bedrijf 1] . blijkt bovendien dat hij de bevoegdheid heeft de vergunning te laten uitvoeren, aangezien dat artikel vermeldt dat de beoogde werkzaamheden ter goedkeuring aan de verhuurder dienen te worden voorgelegd. Verweerder volgt niet de stelling van eiseressen dat de lening vanwege tijdsverloop niet meer actueel is, nu een groot deel van de hypothecaire lening nog niet is afgelost. De aan [de persoon 1] opgelegde ontnemingsmaatregel maakt dit niet anders, omdat deze maatregel nog niet onherroepelijk is en het bedrag ook nog niet is voldaan. De belangen van eiseressen wegen volgens verweerder tot slot niet op tegen het algemeen belang dat is gediend bij het weren van activiteiten die tot doel hebben om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten. Er is derhalve geen sprake van een disproportionele weigering en evenmin van strijd met het eigendomsrecht uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus verweerder.

3.1

Op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo kan het bevoegd gezag – voor zover hier van belang – de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.

3.2

Op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Op grond van het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Op grond van het vierde lid – voor zover van belang – staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

Op grond van het vijfde lid – voor zover van belang – vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar.

4.1

Eiseresen voeren in beroep ten eerste aan dat [betrokkene 1] niet is gelijk te stellen met de aanvrager in de zin van de Wet bibob. Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet bibob en de (toenmalige) Woningwet (TK 2003-2004, 29 243, nr. 3) en uit de Memorie van Toelichting bij de Wabo (TK 2006-2007 30 844, nr. 3) blijkt dat met name is beoogd stromanconstructies tegen te gaan. Daarvan is hier geen sprake. Er wordt niet gehandeld voor een opdrachtgever. Er is slechts sprake van een zakelijke huurovereenkomst. [betrokkene 1] zal op geen enkele wijze betrokken zijn bij de feitelijke exploitatie van het pand en zal evenmin de werkzaamheden aan het pand uitvoeren. De kosten zijn ook geheel voor eiseres I. Daarom kan niet worden volgehouden dat eiseres I handelt als ‘administratieve schakel’ of ‘stroman’ voor [betrokkene 1] . De benodigde toestemming van de verhuurder uit artikel 17 van de huurovereenkomst, waar verweerder naar verwijst, is tot slot slechts een standaard toestemmingsvereiste en komt om die reden nauwelijks betekenis toe volgens eiseressen.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank volgt eiseressen ten eerste niet in de stelling dat uit voormelde Memories van Toelichting blijkt dat met de Wet bibob enkel is beoogd stromanconstructies tegen te gaan. Uit de tekst van de Memories van Toelichting is niet op te maken dat sprake is van een limitatieve opsomming of dat van een dergelijke beperkte uitleg moet worden uitgegaan. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit de tekst van met name de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet bibob veeleer valt af te leiden dat van doorslaggevend belang is, of degene tegen wie de bezwaren bestaan feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed heeft. In dat geval kan diegene met de aanvrager gelijk worden gesteld.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene 1] inderdaad feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed heeft op (de exploitatie van) het pand. Ten eerste is [betrokkene 1] eigenaar van het pand, wat een bepaalde zeggenschap veronderstelt. Verder acht de rechtbank van belang dat [betrokkene 1] zelf de initiatiefnemer is geweest van het plan tot exploitatie van een toiletvoorziening, ten uitvoering waarvan de onderhavige aanvraag is gedaan, nadat hij een aantal andere panden met [bedrijf 6] had moeten sluiten. Al in 2012 heeft [betrokkene 1] partijen gezocht om dit plan te verwezenlijken en contact gehad met het bedrijf “ [bedrijf 7] ”. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is vervolgens al ingediend, nog voordat de huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] . en [bedrijf 1] . op 15 januari 2015 werd ondertekend. Tot slot blijkt uit die huurovereenkomst dat het gehuurde ook enkel bestemd is om te worden gebruikt voor een voor publiek toegankelijke toiletvoorziening in combinatie met een ticketverkooppunt en dat het de huurder niet is toegestaan het pand een andere bestemming te geven. De rechtbank ziet niet in dat aan deze bepaling geen betekenis tussen contractpartijen toe zou komen. Het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voor de conclusie dat [betrokkene 1] feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed heeft op het gebruik van het pand. Dat verweerder in eerste instantie ook enthousiast was over het plan en zelf ook potentiële huurders aan [betrokkene 1] heeft voorgesteld, doet hieraan niet af. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de omstandigheid dat eiseres I of eiseres II het pand feitelijk zullen gaan exploiteren.

5. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de hypothecaire lening waar het pand mee is geherfinancierd, uit middelen bestaat, afkomstig van wederrechtelijk verkregen voordeel. In geschil is wel of deze lening uit 2003 nog kan worden tegengeworpen en of dit wederrechtelijk verkregen voordeel door verlening van de omgevingsvergunning nog kan worden benut.

6.1

Eiseressen voeren aan dat het niet redelijk is de oude lening uit 2003 nog tegen te werpen, te minder omdat verweerder alle pogingen van [betrokkene 1] om van de gewraakte lening af te komen, heeft gefrustreerd. Verweerder had aan eiseres I ten behoeve van een toekomstige geldverstrekker bijvoorbeeld een vergunning onder voorwaarden kunnen verlenen, maar heeft dit geweigerd. Ook kon [betrokkene 1] door ‘naming and shaming’ door verweerder in een vorige vergunningprocedure een toekomstige financiering van een bonafide partij wel vergeten. In die procedure was aan [betrokkene 1] een vergunning geweigerd, onder meer omdat hij strafbare feiten zou hebben gepleegd. Dit werd gepubliceerd in de pers, terwijl later in hoger beroep bleek dat dat onterecht door verweerder was tegengeworpen. Wat betreft de pogingen om van de lening af te komen, verwijzen eiseressen ook naar een uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2721). Tot slot hebben eiseressen tevens een beroep gedaan op een uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 (ECLI:NL: RVS:2015:2226).

6.2

De rechtbank stelt voorop dat, hoewel uit laatstgenoemde uitspraak volgt dat tijdverloop onder omstandigheden bij de beoordeling dient te worden meegenomen, in beginsel geldt dat hoe groter het wederrechtelijk verkregen voordeel is, des te eerder wordt geconcludeerd dat een ernstig gevaar van benutting daarvan bestaat. Hoewel eiseressen kan worden toegegeven dat niet alle leningen van [de persoon 1] aan [betrokkene 1] van in totaal 4 miljoen euro hier aan de orde zijn, maar enkel de hypothecaire lening van 1,75 miljoen euro, is de rechtbank van oordeel dat ook dit laatste bedrag aanzienlijk is. Ook als daarbij de door eiseressen naar voren gebrachte aflossing van 525.000 euro wordt meegerekend, is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds sprake van zeer groot verkregen financieel voordeel. Daarnaast is, anders dan in de door eiseressen genoemde Afdelingsjurisprudentie voor lag, niet in geschil of de belanghebbende nog in het bezit is van het voordeel. Vaststaat immers dat het voordeel in dit geval is geïnvesteerd in het pand en, aangezien de lening grotendeels nog niet is afgelost, dus nog bestaat. Het feit dat de lening stamt uit 2003 betekent in dit geval daarom niet dat verweerder deze in redelijkheid niet mocht tegenwerpen. De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] door toedoen van verweerder niet in staat is om van de gewraakte lening af te komen. Uit het dossier blijkt immers dat het voor [betrokkene 1] al sinds 2003 problematisch is om een andere financier – anders dan [de persoon 1] – voor de panden te vinden, waarbij eiseressen er zelf op hebben gewezen dat de Rabobank destijds bijvoorbeeld geen financiering wilde verstrekken vanwege “de huidige status rond [de persoon] ”. Het betoog van eiseressen slaagt niet.

7.1

Eiseressen voeren verder aan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat [de persoon 1] in 2003 heeft verkregen, thans niet meer kan worden benut. Dit voordeel, bestaande uit [gelden] , is in 2003 al volledig door [de persoon 1] benut toen hij daarmee via [bedrijf 5] . de lening van [de persoon] aan [betrokkene 1] heeft afbetaald. Op deze manier zijn de [gelden] weer in het economisch verkeer gebracht. Niet valt in te zien hoe deze gelden op een later moment nog eens zouden kunnen worden benut. Er is verder ook geen geld fysiek van [de persoon 1] naar [betrokkene 1] gegaan. Voor [betrokkene 1] veranderde er niets behalve dat hij de periodieke aflossing en rente aan [de persoon 1] in plaats van aan [de persoon] moest overmaken. Eiseressen voeren daarnaast aan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer kan worden benut, omdat er conservatoir derdenbeslag ligt op de hypothecaire lening. Er mag niet meer op worden afgelost noch rente over worden betaald. Volgens eiseressen is het tot slot de vraag of het verhuren en exploiteren van het pand op één lijn kan worden gesteld met ‘benutten’ zoals bedoeld in de Wet bibob. De huurpenningen hebben een legale afkomst en de door verweerder gestelde omzetverhoging, huurverhoging en waardevermeerdering van het pand zijn speculatief en niet gespecificeerd of toegelicht. Eiseressen betwisten ook dat de waarde van het pand zal stijgen. De specifieke inrichting voor toiletten en kaartverkoop zou juist een prijsdrukkende omstandigheid kunnen zijn.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog faalt. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vergelijkbare situatie als in de zaak betreffende [betrokkene 1] die is geëindigd met de door verweerder genoemde uitspraak van het CBB van 12 maart 2012. De hypothecaire lening waarmee het pand is geherfinancierd, is – net als in die zaak – nog niet afbetaald. Deze witwasgelden behoorden ten tijde van het bestreden besluit dus nog altijd tot het vermogen dat voor de exploitatie van het pand wordt gebruikt. Verweerder mocht daarom gevaar aanwezig achten dat de [gelden] zouden worden benut na verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. Niet is relevant dat [de persoon 1] door de veroordeling en het beslag op zijn vermogen de witwasgelden zelf niet kan benutten, noch dat [betrokkene 1] de lening niet mag aflossen. [betrokkene 1] zal immers gebruik blijven maken van de financiering door [de persoon 1] zolang het pand wordt geëxploiteerd. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat, hoewel [betrokkene 1] niet degene is die het pand feitelijk zal exploiteren, hij wel de huurpenningen zal ontvangen die op hun beurt wel degelijk in relatie staan tot de exploitatie van het pand. De huurovereenkomst is er immers specifiek op gericht om het pand op de hiervoor in overweging 4.2 genoemde wijze te exploiteren. Verweerder hoefde dan ook niet aan te tonen dat sprake zal zijn van een huurverhoging, omzetstijging of waardevermeerdering van het pand. Dat de huurpenningen zelf een legale afkomst zouden hebben, is een vereiste op zichzelf en doet aan het voorgaande niets af.

8.1

Eiseressen brengen tot slot naar voren dat de aan [de persoon 1] opgelegde ontnemingsmaatregel maakt dat niet aannemelijk is dat [de persoon 1] nog steeds de beschikking heeft over het wederrechtelijk verkregen voordeel. Eiseressen verwijzen naar rechtsoverweging 3.3 van de al genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015 en menen dat hun zaak vergelijkbaar is. Volgens eiseressen volgt daaruit dat, indien het bedrag van de ontnemingsmaatregel is betaald óf de betaling ervan voldoende is verzekerd doordat er conservatoir beslag is gelegd op (onroerende) goederen van de beslagene, dit van belang is voor de vraag of de beslagene nog steeds de beschikking heeft over het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit geval heeft de rechtbank Noord-Holland aan [de persoon 1] een ontnemingsmaatregel opgelegd van ruim [bedrag] en heeft het Openbaar Ministerie al in 2010 conservatoir beslag gelegd op vele van zijn (onroerende) goederen. Hoewel de ontnemingsmaatregel nog niet onherroepelijk is, menen eiseressen dat geenszins aannemelijk is dat die maatregel in hoger beroep geen stand zal houden. Verweerder meet bovendien met twee maten door ten aanzien van die maatregel te eisen dat deze onherroepelijk is, terwijl een nog niet onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling wel leidt tot een afwijzing van een vergunningsaanvraag op grond van de Wet bibob.

8.2

De rechtbank overweegt dat, hoewel uit het bibob-advies blijkt dat het LBB rekening houdt met eventuele specifieke verminderingen, zoals een ontnemingsmaatregel, dit enkel geldt voor zover deze daadwerkelijk betaald zijn. Verweerder heeft in dit kader terecht onder verwijzing naar het bibob-advies overwogen dat de ontnemingsmaatregel nog niet is betaald. Het betoog van eiseressen dat daarvan wél moet worden uitgegaan, omdat de betaling ervan voldoende is verzekerd door het conservatoir beslag op praktisch alle goederen van [de persoon 1] , slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank volgt in dit kader het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat onvoldoende duidelijk is of het onder [de persoon 1] gelegde beslag voldoende zekerheid biedt voor de betaling van de ontnemingsmaatregel van ruim [bedrag] . Het is aan eiseressen om dit voldoende aannemelijk te maken. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt immers dat verweerder, gelet op de deskundigheid van het LBB, in beginsel van het bibob-advies mag uitgaan. Het ligt daarom op de weg van eiseressen om te onderbouwen dat verweerder daarvan niet mocht uitgaan. Dat het voor eiseressen moeilijk is om bewijs van het beslag en de hoogte daarvan te verkrijgen, maakt dat niet anders. De rechtbank volgt verder niet de stelling van eiseressen dat slechts aannemelijk hoeft te worden gemaakt dat de betaling van [bedrag] (in plaats van de gehele ontnemingsmaatregel van ruim [bedrag] ) voldoende is verzekerd. Zelfs al zou een dergelijk deel door [de persoon 1] zijn betaald, dan is het niet aan eiseressen om te bepalen dat dit ziet op de hypothecaire lening betreffende de door [betrokkene 1] aangekochte panden. Onbekend is welke andere financiële verplichtingen en overeenkomsten [de persoon 1] heeft. Zo heeft ook [betrokkene 1] zelf bijvoorbeeld nog een andere lening bij [de persoon 1] van 2,25 miljoen euro.

9. Gezien het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. De vraag rest of het weigeren van de vergunning evenredig is met de mate van het gevaar.

10.1

Eiseressen voeren aan dat de weigering niet evenredig is met de mate van het gevaar en dat de weigering een ongerechtvaardigde inmenging vormt van het recht van [betrokkene 1] op ongestoord genot van zijn eigendom, zoals bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De motivering van verweerder dat een weigering van een vergunning waarbij de Wet bibob is toegepast nooit tot een dergelijke schending kan leiden, is te summier. Er is in dit geval sprake van een inmenging op het eigendomsrecht en deze is niet gerechtvaardigd, omdat er geen sprake is van fair balance.. De weigering van de vergunning is een buitensporige last voor eiseressen, want door de besmette financiering worden aanvragen steevast geweigerd. Daarmee is feitelijk sprake van een volledige inperking van het eigendomsrecht, terwijl het slechts gaat om de bouw van een paar toiletten en een kaartverkooppunt waarmee een geringe bouwsom gepaard gaat. Bovendien wordt de bouw uit legale middelen gefinancierd en gaat er al jaren geen cent meer naar [de persoon 1] . Tot slot blijkt uit de al genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 dat de wetgever niet heeft gewenst dat iemands misstappen hem tot in de eeuwigheid worden nagedragen. Dat dreigt nu echter wel te gebeuren.

10.2

De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog faalt. Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke - of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. In artikel 1 is ook vermeld dat deze bepaling op geen enkele wijze het recht aantast, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid om de gevraagde vergunningen te weigeren, bij wet is voorzien. Voorts is het algemeen belang gediend met de toepassing van deze bevoegdheid in dit geval, aangezien, zoals hiervoor in 7.2 is overwogen, verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede gebruikt zullen worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de grootte van het gevaar, bestaat geen grond voor het oordeel dat geen redelijk evenwicht bestaat tussen het met de weigering van de vergunning gediende algemeen belang en de nadelige gevolgen daarvan voor [betrokkene 1] . Daarom kan niet worden geoordeeld dat weigering van de vergunning in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

11. Gelet op al het voorgaande, mocht verweerder de gevraagde vergunning weigeren op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob.

12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. P. Vrugt, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.