Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8911

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
13/994031-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak over de in 2010 gekapseisde schelpenzuiger Frisia, waarbij drie bemanningsleden zijn overleden.’ Trefwoorden: dood door schuld, Arbowet, Onderzoeksraad voor de Veiligheid, feitelijk leidinggeven en artikel 9a Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994031-13 (Promis)

Datum uitspraak: 4 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] (hierna: [verdachte] ),

statutair gevestigd op het adres [adres] , [woonplaats] ,

ter zitting vertegenwoordigd door

[vertegenwoordiger] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2017 (schouw te Zoutkamp/Stroobos) en 23, 24 en 25 oktober 2017.

Het Openbaar Ministerie werd in deze zaak vertegenwoordigd door de officieren van justitie, mrs. S. Kubicz, C.A.M. van den Brand (op 9 oktober 2017) en E.A.C. Sachs (op 23, 24 en 25 oktober). In dit vonnis wordt telkens het enkelvoud ‘officier van justitie’ gebruikt.

Verdachte, ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] , werd bijgestaan door mr. R.P. van Campen.

2 De inhoud van de zaak

Op 14 december 2010 is het schip de HA38, ook genaamd de Frisia, gekapseisd. Dat gebeurde op de Noordzee ten noorden van Terschelling, terwijl het van de gronden van het Stortemelk naar Zoutkamp voer. Het schip werd gebruikt als schelpenzuiger. De bemanning heeft het ongeval niet overleefd. De namen van de overleden bemanningsleden zijn: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Deze zaak draait om de vraag of de rederij en daaraan gelieerde personen schuldig zijn aan de dood van de bemanning doordat de bemanning niet bevoegd of onvoldoende geïnformeerd was of omdat het schip niet zeewaardig of niet veilig genoeg was (of een combinatie van deze factoren).

2.1.

Tenlastelegging

Hieronder wordt – kort – weergegeven welke verwijten aan deze verdachte worden gemaakt.

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 23 oktober 2017 – ten laste gelegd dat

1. het dodelijk ongeval aan haar schuld te wijten is; dan wel aan de schuld van bedrijven waaraan verdachte leiding gaf;

2) zij als werkgever opzettelijk werknemers heeft laten varen en werken op open zee, op een schip dat niet zeewaardig was, terwijl onvoldoende veiligheidsmaatregelen waren getroffen; dan wel dat zij leiding heeft gegeven aan bedrijven voor wie die werknemers werkzaam waren;

3) zij als scheepsbeheerder niet heeft gezorgd dat de bemanningsleden voldoende vertrouwd waren met het schip waarop zij voeren; dan wel dat zij leiding heeft gegeven aan bedrijven die als scheepsbeheerder functioneerden;

4) zij een schip naar zee heeft laten gaan en gebruiken zonder dat daarvoor een geldig bemanningscertificaat was afgegeven of voorhanden was; dan wel dat zij leiding heeft gegeven aan bedrijven die dat hebben laten gebeuren;

5) zij een schip met een onbevoegde bemanning op de Noordzee werkzaamheden heeft laten verrichten.

Telkens is ten laste gelegd dat verdachte deze feiten samen met een ander heeft gepleegd. Die medeverdachten zijn: [vertegenwoordiger] (hierna [vertegenwoordiger] , [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: ‘ [medeverdachte 2] ’) en [medeverdachte 3] (hierna: ‘ [medeverdachte 3] ’).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht, en geldt als hier ingevoegd.

2.2.

Taakverdeling

Voor de leesbaarheid van dit vonnis bespreekt de rechtbank allereerst hoe zij aankijkt tegen de functies en rollen die verdachte en medeverdachten hebben gehad.

[vertegenwoordiger] is de directeur van [verdachte] . Hij is betrokken bij de dagelijkse gang van zaken, waaronder het veiligheidsbeleid in de verschillende bedrijven. Hij is ook degene bij wie werknemers langs gaan om te bespreken op welk schip zij terecht kunnen.

[medeverdachte 2] valt onder [verdachte] ; [verdachte] is haar bestuurder. [medeverdachte 3] viel daar ook onder, maar dat bedrijf is na het ongeval opgeheven.

De Zeevaartbemanningswet definieert de scheepsbeheerder als “de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die, vanuit een vestiging van een zeescheepvaartonderneming in Nederland, de dagelijkse leiding heeft over het beheer van het schip, alsmede de personen die als lid van een maatschap het beheer voeren over het vissersvaartuig”.1

[medeverdachte 3] was de eigenaar van de HA38. [vertegenwoordiger] heeft ter zitting verklaard dat de kosten en baten met betrekking tot de exploitatie van de HA38 voor rekening van [medeverdachte 3] kwamen. “De rekeningen betalen” is een handeling die zozeer past bij het uitoefenen van het beheer over een schip dat [medeverdachte 3] kan worden aangemerkt als scheepsbeheerder.

[medeverdachte 2] kan eveneens worden aangemerkt als scheepsbeheerder van de HA38. Zij was bovendien exploitant van het schip en werkgever van de bemanning. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat het schip door [medeverdachte 2] werd gebruikt. [medeverdachte 2] was de vergunninghouder en mocht uit dien hoofde schelpen zuigen met het schip. Daarnaast was zij de inlener van de bemanningsleden (die bij [naam uitzendbureau] . in dienst waren), dus degene aan wie de bemanningsleden ter beschikking werden gesteld om arbeid te verrichten, zoals de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) het begrip ‘werkgever’ in die wet definieert.2

[medeverdachte 1] was als meewerkend voorman – naast [vertegenwoordiger] – aanspreekpunt voor de bemanning van verschillende schepen en voerde overleg met [vertegenwoordiger] , onder meer over reparaties aan die schepen. [medeverdachte 1] gaf zelfstandig leiding aan het scheepsreparatiebedrijf. Hij is tegenwoordig niet meer werkzaam voor de genoemde bedrijven.

3 Voorvragen

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van een zaak moet de rechtbank een aantal formele vragen beantwoorden. De verdediging heeft gevraagd in afwijking van de wettelijke volgorde eerst de zaak inhoudelijk te beoordelen en pas daarna over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te beslissen. De rechtbank houdt zich echter aan de wettelijke volgorde, met uitzondering van de beoordeling van de ontvankelijkheid bij feit 2 (zie 3.2.4).

3.1.

Dagvaarding geldig en rechtbank bevoegd

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarvoor zijn verschillende redenen aangevoerd. Hieronder wordt per onderdeel besproken waarom de rechtbank oordeelt dat de officier van justitie wèl ontvankelijk is.

Als laatste bespreekt de rechtbank de toepasselijkheid van de Arbowet op werkzaamheden die werden verricht op de HA38 (in verband met feit 2).

3.2.1.

Rauwelijks gedagvaard?

De verdediging meent dat rauwelijks is gedagvaard, omdat voorafgaand aan de dagvaarding geen onderzoek is gedaan naar de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 2] . De verdachte rechtspersonen zijn, zo stelt de verdediging, niet eens zijn gehoord over dat wat hen is ten laste gelegd.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat dit verweer feitelijke grondslag mist. [vertegenwoordiger] treedt op als vertegenwoordiger van beide bedrijven. Aan het begin van het verhoor van [vertegenwoordiger] op 7 februari 2014 is hem meegedeeld dat hij zou worden gehoord als vertegenwoordiger van onder andere [verdachte] en [medeverdachte 2] (p. 1123). Bij het verhoor op 12 november 2013 heeft [vertegenwoordiger] die conclusie zelf getrokken. Hij heeft toen verklaard: “uit de lijn van vraagstelling maak ik op dat u mij als directeur van [verdachte] heeft willen verhoren. In ieder geval heb ik met die insteek de vragen beantwoord.” (p. 1120).

Het verweer dat rauwelijks is gedagvaard, wordt daarom verworpen.

3.2.2.

Gehandeld in strijd met het beleid van het Openbaar Ministerie?

Volgens de verdediging heeft de officier van justitie anders gehandeld dan het beleid van het Openbaar Ministerie, in het bijzonder de Aanwijzing handhaving Arbowet (hierna: de Aanwijzing), voorschrijft. Er had namelijk een onderzoek door de Arbeidsinspectie moeten worden ingesteld, naast of in plaats van een strafrechtelijk onderzoek. De officier van justitie heeft, door zich niet te houden aan de Aanwijzing, de beginselen van een goede procesorde geschonden. Hierdoor zijn verdachten in hun belangen geschaad en hebben zij nadeel ondervonden.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie zich heeft gehouden aan de Aanwijzing, zoals die op 14 december 2010 gold. Het klopt dat bij een dodelijk ongeval een onderzoek door in ieder geval de Arbeidsinspectie wordt voorgeschreven. In deze zaak is dat niet gebeurd, maar is naast het strafrechtelijk onderzoek wel onderzoek verricht door de Inspectie Verkeer en Waterstaat (hierna: IVW). In de Aanwijzing is de IVW uitdrukkelijk gelijk gesteld aan de Arbeidsinspectie voor zover het aan de IVW toegewezen categorieën van arbeid betreft. De scheepvaart is een branche waarvoor geldt dat de handhaving van de Arbowet ook is opgedragen aan de IVW.

De rechtbank verwerpt het verweer.

3.2.3.

Gehandeld in strijd met het verbod van willekeur?

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie, door uitsluitend de rederij en daaraan verwante personen te vervolgen, handelt in strijd met het verbod van willekeur. De verdediging baseert dat standpunt op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OVV), waarover hierna meer en waarin onder meer staat: “IVW heeft het schip onterecht gecertificeerd en haar handhavend toezicht op het schip en de rederij heeft gefaald.”

Aan de officier van justitie komt een grote vrijheid toe als het gaat om de vervolgingsbeslissing. Die vrijheid wordt door enkele belangrijke beginselen begrensd. Het verbod van willekeur is daar één van. Dit verbod verbiedt de officier van justitie om in gelijke gevallen verschillende vervolgingsbeslissingen te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat verbod in deze zaak niet geschonden, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Dat is alleen al zo omdat de Inspectie – anders dan de verdachten in deze zaak – een handhavende overheidsinstantie is en geen scheepsbeheerder of scheepsexploitant, of daaraan gelieerde partij. Of het opportuun is handhavers te vervolgen voor hun eigen rol is een vraag die door de officier van justitie moet worden beantwoord.

Het verweer moet dus worden verworpen.

3.2.4.

Is de Arbowet van toepassing?

Aan verdachten wordt als tweede strafbare feit verweten dat zij als werkgever hebben gehandeld in strijd met de Arbowet. De rechtbank heeft ter zitting de vraag gesteld of de scheepvaartwetgeving op onderdelen voorrang heeft op de Arbowet, omdat deze wetgeving speciaal is opgesteld voor de arbeidsomstandigheden aan boord van een schip en ook een eigen verdeling van verantwoordelijkheden kent tussen bijvoorbeeld de schipper en de eigenaar van een schip. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 16 lid 4 onder a en lid 6 Arbowet (oud). In dit artikel is bepaald dat de Arbowet buiten toepassing kan worden verklaard op arbeid verricht op een schip en dat met betrekking tot die arbeid afwijkende of aanvullende regels kunnen worden gesteld.

De vraag welke wetgeving voorrang heeft is van belang voor het beoordelen van de ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 2. Als de scheepvaartwetgeving namelijk voorrang zou hebben, dan staat het de officier van justitie niet vrij om te vervolgen voor handelen in strijd met de meer algemene Arbowet en is het Openbaar Ministerie in zoverre niet-ontvankelijk.

In het requisitoir heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, gesteld dat de Zeevaartbemanningswet uitsluitend voorrang heeft op de Arbowet voor zover deze ziet op de arbeids- en rusttijdenwetgeving en dat de Arbowet voor het overige op grond van artikel 2 onder c Arbowet onverkort van toepassing is. De rechtbank begrijpt daaruit dat de officier van justitie ervan uitgaat dat de scheepvaartwetgeving met betrekking tot de ten laste gelegde verwijten geen voorrang heeft op de Arbowet. De verdediging heeft zich over dit vraagstuk niet uitgelaten.

In de tenlastelegging van feit 2 zijn nagenoeg dezelfde omstandigheden opgesomd als in de tenlastelegging van feit 1. De rechtbank stelt vast dat de meeste van de ten laste gelegde verwijten van feit 2 zowel in de Arbowet als in de scheepvaartwetgeving zijn geregeld.
De rechtbank zal eerst de vraag, of deze feiten en omstandigheden kunnen worden bewezen, beantwoorden. De rechtbank doet dit omdat zij hoe dan ook die vraag moet beantwoorden bij de beoordeling van feit 1. Vervolgens is bij feit 2 de vraag, welke wettelijke regeling de voorrang heeft, alleen nog van belang voor die feiten en omstandigheden die bij feit 1 bewezen worden verklaard.


De algemene stelling dat de scheepvaartwetgeving, behalve met betrekking tot de arbeids- en rusttijdenwetgeving uit de Zeevaartbemanningswet, nooit voorrang heeft op de Arbowet onderschrijft de rechtbank in ieder geval niet. Dat artikel 32 Arbowet, anders dan de bepalingen uit de scheepvaartwetgeving, uitdrukkelijk voorschrijft dat de verweten gedragingen moeten hebben geleid tot levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers, maakt dit niet anders, omdat de verplichtingen uit de scheepvaartwetgeving ook ter bescherming van de bemanning zijn opgesteld.

3.3.

Geen schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Certificering

Het dossier bevat een afzonderlijk deelonderzoek naar de certificering van de HA38. In het dossier wordt geconcludeerd dat de HA38 een reis heeft ondernomen zonder te zijn voorzien van de benodigde certificaten. Omdat de HA38 gelet op haar bedrijfsvoering niet voldeed aan de definitie van een vissersvaartuig, hadden andere certificaten moeten worden afgegeven. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeert in dit verband dat de HA38 uitvoer zonder dat het over de geldige certificaten beschikte en structureel werd ingezet voor werkzaamheden die zij als visserijschip niet mocht uitvoeren.

De officier van justitie heeft de omstandigheid dat de HA38 niet was gecertificeerd voor het doel waarvoor zij werd ingezet, bij wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 23 oktober 2017 laten vallen als omstandigheid als gevolg waarvan de HA38 is gekapseisd en de drie bemanningsleden zijn overleden. Toch acht de rechtbank het van belang om kenbaar te maken hoe zij aankijkt tegen de certificering van het schip. Redenen daarvoor zijn, ten eerste, dat de typering van een schip van invloed kan zijn op de toepasselijke wet- en regelgeving. Dat geldt zowel voor wat betreft de eisen die aan de bemanning als die aan het schip en bijvoorbeeld de daarop bevindende veiligheidsmiddelen kunnen worden gesteld. Ten tweede kan door het openbare rapport van de Onderzoeksraad het beeld zijn ontstaan dat de rederij een ongecertificeerd of onjuist gecertificeerd schip heeft laten uitvaren, dat bovendien structureel in strijd met de geldende wet- en regelgeving werkzaamheden heeft uitgevoerd.

Een vissersvaartuig is een vaartuig dat gebruikt wordt voor het vangen van de levende rijkdommen van de zee. De rechtbank stelt vast dat de HA38 sinds 1990 als vissersvaartuig stond ingeschreven in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen. Ten tijde van het ongeval had de HA38 bovendien een geldend certificaat voor een bestaand vissersvaartuig, dat was afgegeven door de Scheepsinspectie (voorloper van de IVW). De HA38 is zowel vóór de verbouwing tot schelpenzuiger als ná deze verbouwing, zij het eenmalig en kortstondig in juni 2010, ingezet als vissersvaartuig. In zoverre was het afgegeven certificaat dan ook niet onjuist of ongeldig. De HA38 was immers een vaartuig waarmee de levende rijkdommen van de zee konden worden gevangen en ook werden gevangen.

De rechtbank stelt ook vast dat de HA38 ná de verbouwing tot schelpenzuiger hoofdzakelijk werd ingezet als schelpenzuiger en dus niet als vissersvaartuig. De wettelijke regeling voorziet niet expliciet in de situatie dat een schip wordt ingezet op twee manieren, die onder verschillende certificaten vallen. In ieder geval houdt de wettelijke regeling niet in dat, als een schip anders wordt gebruikt dan waarvoor het is gecertificeerd, het afgegeven certificaat daardoor ongeldig wordt. Dat zou ook een onwerkbare regel zijn voor schepen die zowel voor visserij als voor andere doeleinden kunnen worden ingezet, zoals de HA38. Wel is het zo dat als een schip voor een ander doeleinde wordt gebruikt dan waarvoor het is gecertificeerd, andere regels naast of in plaats van de oorspronkelijke regels kunnen gelden. In dit geval is uit artikel 3 van het Schepenbesluit 2004 bijvoorbeeld af te leiden dat de in dat besluit gegeven regels, die normaal niet op vissersschepen van toepassing zijn, wel voor vissersschepen gelden als zij worden gebruikt voor andere doeleinden dan het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee.

In het dossier wordt door een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (opvolger van de IVW) gesteld dat door de gewijzigde bedrijfsvoering voor de HA38 na verloop van tijd een nieuw certificaat had moeten worden aangevraagd. Het is onduidelijk waarop deze inspecteur deze stelling baseert. De rechtbank kan zo’n verplichting in ieder geval niet uit de wet- en regelgeving over certificering van schepen afleiden. Maar zelfs als zo’n verplichting zou worden aangenomen, dan kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat het geldende certificaat door enkel het afwijkend gebruik van het schip ongeldig zou zijn geworden. De rechtbank herhaalt in dit verband dat de HA38 ook ná de verbouwing geschikt was voor de inzet als vissersvaartuig en ook feitelijk als zodanig is ingezet, zij het eenmalig en kortstondig. Bovendien is van belang dat de Scheepsinspectie op de hoogte was van de verbouwing tot schelpenzuiger en daarmee van de beoogde inzet van de HA38 als zodanig. Voor het gebruik als schelpenzuiger waren bijvoorbeeld ook stabiliteitsberekeningen uitgevoerd. Niet is gebleken dat de Scheepsinspectie ondanks deze wetenschap voorwaarden heeft gesteld aan de certificering van de HA38 als vissersvaartuig of de inzet van de HA38. Gelet hierop mochten de rederij en de exploitant er op vertrouwen dat het schip ook ten tijde van het ongeval (nog steeds) juist was gecertificeerd door het bevoegd gezag.

De rechtbank onderschrijft dan ook niet de hierboven genoemde conclusies uit het dossier en het rapport van de Onderzoeksraad met betrekking tot de certificering en de structurele inzet van de HA38 in strijd met de geldende wet- en regelgeving.

5 De toedracht van het ongeval

De rechtbank acht het van belang de toedracht van het ongeval te bespreken. Daar is door verschillende personen en instanties onderzoek naar verricht. Die onderzoeken komen aan bod onder 5.1. De bewijswaarde van de resultaten van de onderzoeken wordt besproken onder 5.2. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toedracht zal onder 5.3 worden besproken.

5.1.

Onderzoeken

5.1.1.

Verrichte onderzoeken

De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapporten van de verschillende onderzoekers. Hieronder volgt een kort overzicht van die rapporten en de voor de rechtbank belangrijkste conclusies daaruit.

Onderzoek door de politie

De conclusie van het rapport van de Dienst Waterpolitie3 luidt: niet alle vragen konden worden beantwoord, het schip verkeerde in goede staat van onderhoud, bepaalde delen van het schip moeten ten tijde van het ongeval open hebben gestaan en na het ongeval waren er nog meerdere reddingsmiddelen aan boord.

De conclusie van het rapport van de Maritieme Politie4 luidt: het schip was gelet op de bedrijfsvoering onjuist gecertificeerd, het schip was vanwege die onjuiste certificering onvoldoende bemand en voer (ook als het wel juist zou zijn gecertificeerd) met een niet volledig bevoegde bemanning, verschillende openingen op het schip waren niet afgesloten, de pompcapaciteit van het schip was onvoldoende en er waren onvoldoende passende reddingsmiddelen aan boord.

Onderzoek door de Inspectie Verkeer en Waterstaat

De conclusie van het rapport van de IVW5 luidt: het schip is flink beschadigd, bepaalde openingen hebben opengestaan ten tijde van het ongeval (want leken niet zonder meer te kunnen worden afgesloten), de klokpomp was niet aangesloten, sommige afsluiters stonden ‘dicht’, een waterloospoort was gedicht met purschuim, andere waterloospoorten waren ten tijde van het ongeval vermoedelijk gedicht met kegjes en door een ventilatiekoker hing een tros.

Onderzoek door de Onderzoeksraad Voor Veiligheid

De conclusie van het rapport van de OVV6 luidt: de rederij heeft verzuimd te zorgen voor een zeewaardig schip, de schipper heeft dit geaccepteerd en ondanks de weersomstandigheden de reis ondernomen, de IVW heeft het schip onterecht gecertificeerd en het handhavend toezicht van de IVW op het schip en de rederij is tekort geschoten. In het rapport zijn ‘directe oorzaken’ opgesomd, namelijk dat ruimten in het schip niet waren afgesloten, dat de waterloospoorten wèl waren gesloten, dat de capaciteit van de lenspomp te laag was en dat de veiligheidsmiddelen gebreken vertoonden.

[verdachte] en de IVW hebben commentaar geleverd op het rapport van de OVV. Tijdens de schouw en op de zittingen is veelvuldig gesproken over het rapport van de OVV, hoe dat tot stand is gekomen en de bewijswaarde ervan. De rechtbank zal daar nog nader op ingaan.

Eerst dient nog te worden opgemerkt dat de heer [naam 1] op verzoek van de verdediging een opstel heeft ingediend waarin hij zijn visie over de oorzaken van het ongeval heeft kenbaar gemaakt.7 De rechtbank begrijpt daaruit dat volgens [naam 1] goed zeemanschap had kunnen voorkomen dat de HA38 was gekapseisd.

Vervolgens is over het opstel van [naam 1] een deskundigenrapport opgemaakt waarin de vraag is beantwoord of [naam 1] op basis van uitsluitend het OVV-rapport tot de door hem getrokken conclusies heeft kunnen komen (antwoord: ten dele)8 en een visie is gegeven op de reddingsmiddelen (antwoord: sommige reddingsmiddelen vertoonden gebreken)9.

Onderzoek door de rechtbank

Op 9 oktober 2017 heeft een schouw plaatsgevonden op het schip ‘Vertrouwen’, een schip dat vergelijkbaar is met de HA38. Welke conclusies de rechtbank heeft getrokken op basis van haar eigen waarnemingen komt aan bod bij de bespreking van de gebreken aan het schip (onder 5.4).

Ter zitting van 23 oktober 2017 is de heer [getuige 1] als getuige gehoord. Hij heeft onder meer verklaard dat de beslissing om ‘buitenom’ (daarmee wordt bedoeld over de Noordzee naar Zoutkamp, komende van de gronden van het Stortemelk) te gaan, gelet op de omstandigheden op zee, geen juiste was: “dat doe je gewoon niet”.

5.1.2.

Niet verrichte onderzoeken

Op de onderzoeken en de wijze waarop die zijn gedaan is een en ander aan te merken. De verdediging heeft terecht opgemerkt dat door de achteraf gezien voorbarige sloop van de HA38 contra-expertise grotendeels onmogelijk is geworden. De rechtbank is daarom extra kritisch ten aanzien van de bevindingen over gebreken aan het schip. De verdediging heeft er verder op gewezen dat geen (nader) onderzoek is gedaan naar (de maten van) de overlevingspakken die aan boord waren en naar de weers- en wateromstandigheden ten tijde en ter plaatse van het kapseizen. De rechtbank zal daar later op terugkomen.

Omdat verdachte – zoals later in dit vonnis zal blijken – niet verantwoordelijk wordt gehouden voor handelen of nalaten door de bemanning, ziet de rechtbank geen reden om in te gaan op het verweer dat geen toxicologisch onderzoek is uitgevoerd bij de overledenen. Uit piëteit voor de overledenen onthoudt de rechtbank zich van een bespreking van dat verweer.

5.2.

Bewijswaarde van de resultaten van de onderzoeken

Ten aanzien van het onderzoek van de OVV geldt het volgende. De OVV is een onafhankelijke instantie gericht op veiligheid. De wet beperkt de mogelijkheden voor het gebruik van de resultaten van onderzoek door de OVV in – onder meer – strafrechtelijke procedures opdat onderzoeksubjecten zich vrij(er) voelen mee te werken. In deze zaak is in het bijzonder relevant dat artikel 69, eerste lid, van de Rijkswet OVV het gebruik in strafprocedures verbiedt van:

  • -

    verklaringen van personen afgelegd in het kader van OVV-onderzoek (sub a) tenzij daarvoor uitdrukkelijk toestemming is gegeven;

  • -

    met een technisch hulpmiddel vastgelegde communicatie tussen personen die betrokken zijn geweest bij het laten functioneren van een vervoermiddel; de rechtbank verstaat daaronder ook een marifoon (sub b);

  • -

    meningen geuit in het kader van analyse van het onderzoeksmateriaal (sub e);

  • -

    door de raad opgestelde documenten (sub f).

Met de verdediging en in lijn met de parlementaire geschiedenis en literatuur over dit onderwerp oordeelt de rechtbank dat de resultaten van onderzoek door de OVV niet ten nadele van verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Voor zover het informatie betreft die ontlastend is voor verdachte kunnen deze resultaten wel als bewijs van zijn stellingen dienen.

In deze zaak is een door de OVV opgesteld document, het rapport van maart 2012, aan het dossier toegevoegd. Dat rapport bevat zowel belastende als ontlastende informatie over verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het volledige rapport. Het is ook ter zitting besproken. Voor verdachte belastende informatie hieruit wordt niet voor het bewijs gebruikt. De rechtbank zal dat – waar nodig – met zoveel woorden noemen.

Het ter zitting beluisterde fragment van het marifoonverkeer tussen [slachtoffer 1] en De Brandaris is afkomstig uit open bron. Dat fragment kan dan ook voor de beoordeling van de zaak worden gebruikt.

De rechtbank maakt geen gebruik van de verklaringen die in het kader van het OVV-onderzoek zijn afgelegd.

Het opstel van [naam 1] is onder meer gebaseerd op het OVV-rapport. Hij heeft daarvan kennisgenomen en vervolgens op basis van zijn eigen deskundigheid gerapporteerd, zo blijkt duidelijk uit het opstel.

Dat is anders als het gaat om de deskundigenrapportage van Schot en Bunschoten. Dat rapport is gebaseerd op het OVV-rapport en de bevindingen van [naam 1] daarover. Het deel van het rapport van Schot en Bunschoten dat ziet op de reddingsmiddelen is ook op andere informatie gebaseerd. Niet is komen vast te staan dat Schot en Bunschoten zelf onderzoek hebben verricht. Dat zij onderschrijven wat door anderen is onderzocht, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om die conclusies over te nemen.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toedracht

5.3.1.

De toedracht van het kapseizen en de oorzaak van het overlijden

De rechtbank zal in grote lijnen schetsen wat de meest aannemelijke oorzaken zijn voor het kapseizen van de HA38. Dit is gebaseerd op het dossier, op wat de rechtbank heeft geconstateerd bij de schouw en op wat ter zitting is besproken.

Voor zover op dit moment na te gaan is het kapseizen van de HA38 het gevolg van een aantal oorzaken. In de eerste plaats heeft schipper [slachtoffer 1] een riskante beslissing genomen door met een volledig beladen schip, in het donker, bij een voorspelde sterke wind en hoge golven de route over de Noordzee te kiezen in plaats van de veel veiliger maar langere route via Harlingen en de binnenwateren van Friesland en Groningen. Door de wind en golfhoogte is er veel water in het schelpenruim gekomen, waardoor het schip dieper is komen te liggen. Daardoor kon bij dezelfde golfhoogte steeds meer water in het schelpenruim komen. Daar kwam bij dat door verschillende oorzaken het schip voorover is gaan liggen: water dat in de ankerkettingbakken kwam, kon weglopen naar de voorpiektank, het luik van de pompkamer was niet afgesloten en een kabeldoorvoer was niet dichtgemaakt. De lenspomp in de pompkamer is niet gebruikt. De lenspomp in de machinekamer is waarschijnlijk wel gebruikt. [slachtoffer 1] heeft in marifooncontacten met De Brandaris gezegd dat de lenspomp aanstond, maar onduidelijk is wanneer deze lenspomp is ingeschakeld. Deze pomp was in ieder geval niet in staat het steeds dieper liggen van het schip te voorkomen. Daarop was ook van invloed dat de waterloospoorten naar alle waarschijnlijkheid waren afgesloten, waardoor het schelpenruim met meer water kon worden gevuld dan wanneer deze open zouden zijn geweest. Uiteindelijk heeft [slachtoffer 1] via de marifoon gemeld dat de bak (de rechtbank begrijpt: het schelpenruim) vol was en dat het schip dreigde te zinken. De bemanning lijkt de ernst van de situatie niet tijdig te hebben onderkend. Daarbij kan het feit dat het deklicht volgens getuige [getuige 1] niet aan was toen het schip wegvoer een rol hebben gespeeld. Immers zal dat tot gevolg hebben gehad dat de bemanning geen goed zicht had op de hoeveelheid water die in het schelpenruim kwam. De bemanning is waarschijnlijk ook niet bedacht geweest op de mogelijkheid van kapseizen. Dat kapseizen is vermoedelijk zo snel gegaan dat er geen gelegenheid meer was de op het achterdek voor onmiddellijk gebruik gereed liggende reddingsvlotten te gebruiken of de man-over-boord-boot in te zetten. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat [slachtoffer 1] zijn overlevingspak niet geheel had dichtgeritst.

Over de directe doodsoorzaak van de bemanningsleden bestaat geen twijfel. Uit de rapporten van de lijkschouwers blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden door onderkoeling en dat [slachtoffer 3] is overleden door onderkoeling of verstikking. [slachtoffer 3] is hoogst waarschijnlijk tijdens het kapseizen onder het schip terechtgekomen en heeft zich niet uit die positie weten te bevrijden.

5.3.2.

Hoe de rechtbank verder te werk gaat

Over de vraag of en de wijze waarop het overlijden van de bemanningsleden verband houdt met de ten laste gelegde verwijten, namelijk 1) gebreken aan het schip, 2) gebreken aan de bevoegdheden van de bemanning en 3) gebreken aan de reddingsmiddelen, moet de rechtbank een oordeel geven. Dat is de causaliteitsvraag. Die vraag kan pas worden beantwoord nadat is vastgesteld of de ten laste gelegde gebreken daadwerkelijk bestonden, oftewel: of is bewezen dat de feiten die het verwijt dragen, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Hieronder wordt telkens allereerst díe vraag beantwoord. Pas daarna komt de rechtbank, ten aanzien van de onderdelen, waarvan door de rechtbank is vastgesteld dat het daadwerkelijk een gebrek betrof, toe aan de vraag of dat gebrek heeft geleid tot het kapseizen van het schip en het overlijden van de bemanning. Ten slotte bespreekt de rechtbank de vraag welke van de overgebleven gebreken (waarvan dus het causaal verband met het kapseizen en het overlijden van de bemanningsleden is bewezen) aan verdachte zijn toe te rekenen.

Voor alle ten laste gelegde verwijten gelden dus de vragen:

  1. Zijn de ten laste gelegde gebreken bewezen?

  2. Hebben de bewezen gebreken in relevante mate bijgedragen aan het kapseizen en het overlijden?

  3. Zijn de bewezen gebreken, die in relevante mate hebben bijgedragen aan het kapseizen en het overlijden, aan verdachte toe te rekenen?

Als het antwoord op één van die vragen ‘nee’ is, dan is op de volgende vraag geen antwoord nodig. Bij dit alles maakt de rechtbank onderscheid tussen de soorten gebreken: aan het schip (7.1), aan de bevoegdheden van de bemanning (7.2) en aan de reddingsmiddelen (7.3).

5.4.

Gebreken aan het schip

De rechtbank beoordeelt de onderstaande gebreken op grond van de opgemaakte rapporten en op grond van dat wat op de zittingen en tijdens de schouw is getoond en besproken. Zoals gezegd wordt informatie uit het rapport van de OVV niet gebruikt voor zover die informatie belastend is voor verdachte.

5.4.1.

Lekkage in de schelpenpomp?

Dat de pakking in de flensverbinding van de persleiding van de schelpenpomp al langere tijd een lekkage vertoonde – zoals wordt geconcludeerd in het OVV-rapport – acht de rechtbank onwaarschijnlijk. Na het kapseizen en keren van het schip is weliswaar een opening in de pakking geconstateerd, maar als die lekkage zou hebben bestaan bij gebruik van de schelpenpomp, zou er, gezien de grootte van de opening en de capaciteit van die schelpenpomp, een grote hoeveelheid water-zand-schelpenmengsel de pompkamer in zijn gestroomd. Door zowel verdachten als andere ondervraagden is verklaard dat pompen niet mogelijk zou zijn geweest als sprake was van zo’n lek. Ook is schelpenwinning bij een dergelijke lekkage niet goed denkbaar. Dat in die ruimte een klokpomp stond, die daar permanent leek te zijn bevestigd, maakt dat niet anders. De pomp is veel te klein gebleken om grote hoeveelheden gelekt water weg te kunnen pompen. De klokpomp kan volgens [naam 1] zijn gebruikt om – in de haven – vervuild bilgewater weg te pompen, omdat dat vervuilde water niet op het oppervlaktewater mag worden geloosd. Die verklaring is aannemelijk.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de lekkage aan de pakking van de schelpenpomp vrijspraak gevorderd. De rechtbank volgt dat, omdat het gemaakte verwijt (sub a in de tenlastelegging van feit 1) niet is bewezen.

5.4.2.

Beschadigde knevel waardoor het luik niet kon worden gesloten?

Door de Onderzoeksraad is naar voren gebracht dat het luik naar de pompkamer niet kon worden gesloten vanwege een beschadiging aan één van de knevels. De rechtbank is van oordeel dat die conclusie onjuist is en begrijpt niet waarop de Onderzoeksraad die conclusie heeft kunnen baseren. Tijdens de schouw is gebleken dat ook op het schip Vertrouwen sprake is van beschadigingen aan het schroefdraad van de knevels waarmee het luik kan worden vastgezet. Het is aannemelijk dat die beschadigingen zijn ontstaan doordat de knevels worden gebruikt om het luik op een kier te zetten en dat het bij de HA38 om een vergelijkbare beschadiging ging. Zo’n beschadiging zit zo laag dat deze het gebruik van de knevels om het luik af te sluiten niet verhindert. Bij de HA38 heeft een duiker het luik bovendien nog met een knevel kunnen vastzetten.

Ook op dit punt heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. De rechtbank volgt dat, omdat het gemaakte verwijt (sub b in de tenlastelegging van feit 1) niet is bewezen.

5.4.3.

Doorvoeren dicht?

Gebleken is dat de doorvoer in het luikhoofd niet kon worden afgesloten, doordat er een afvoerslang en een walaansluitkabel doorheen liepen. De doorvoer was dus open toen het schip werd overspoeld met water en dat kan hebben bijgedragen aan het vollopen van de pompkamer. Maar dat de doorvoer niet was gesloten, is niet aan verdachte te wijten. De bemanning kon de afvoerslang en de walaansluitkabel die door de doorvoer liepen gemakkelijk weghalen. De dop waarmee de doorvoer kon worden afgesloten, was aanwezig en paste goed. In die zin was de geopende doorvoer geen gebrek aan het schip. Goed zeemanschap vereist dat dergelijke open verbindingen voorafgaand aan een reis over zee gesloten moeten worden. De bemanning heeft dat niet gedaan, maar dat is niet aan verdachte toe te rekenen. Op dit punt zal vrijspraak volgen.

Het klopt dat de doorvoeren van de ankerkettingen niet waren afgedicht. Hoewel er deskundigen zijn die stellen dat deze doorvoeren met zeildoek of beplating afgedicht hadden moeten zijn, komt de rechtbank ook op dit punt tot vrijspraak. De constructie waarbij er een beperkte hoeveelheid water in de ankerkettingbakken kon komen, wordt door de rechtbank niet bestempeld als een gebrek aan het schip dat in relevante mate heeft bijgedragen aan het kapseizen en aan verdachte is toe te rekenen. Immers zal de beperkte hoeveelheid water die via die doorvoeren kon binnenlopen geen wezenlijke invloed hebben gehad op de stabiliteit van het schip en is niet gebleken dat deze constructie in strijd is met enige rechtsregel of dat daarover door de IVW ooit opmerkingen zijn gemaakt.

De ankerkettingbakken stonden in open verbinding met de voorpiek, namelijk door een openstaande aftapkraan. Daardoor kon overkomend water, dat de ankerkettingbakken in kwam, de voorpiektank in lopen. Dat heeft vermoedelijk een wezenlijke invloed gehad op de stabiliteit van het schip. De kraan kon door de bemanning worden bediend. De rechtbank acht het anders dan de verdediging niet waarschijnlijk dat de kraan na het kapseizen door een ander voorwerp is opengegaan, maar is het evenmin met de officier van justitie eens dat verdachte ten aanzien van de kraan enige blaam treft. Hiervoor geldt immers hetzelfde als voor de doorvoeren in het luikhoofd. Goed zeemanschap vereist dat dergelijke open verbindingen voorafgaand aan een reis over zee gesloten moeten worden. De vraag of de bemanning op de hoogte was van (het openstaan van) deze kraan, acht de rechtbank niet relevant, omdat dit mogelijke gebrek aan wetenschap op zijn minst net zozeer geldt voor verdachten en de schipper de eerst aangewezene is om op de hoogte te zijn van de werking van en eventuele gebreken aan een schip. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan daarom niet worden bewezen.

De ventilatiekokers op het voorschip waren niet afgesloten. Er is een tros aangetroffen die door een van de ventilatiekokers van de voorste machine-/pompkamer heen liep. Niets wijst er op dat de tros enige functie vervulde of dat deze door de bemanning door de koker is gehangen. De rechtbank acht het waarschijnlijk dat de tros door instromend water is meegevoerd. Vermoedelijk heeft het water dat via de open kokers het voorschip in is gestroomd bijgedragen aan het kapseizen. Goed zeemanschap vereist dat de bemanning een van de twee ventilatiekokers voorafgaand aan een reis over zee had moeten afsluiten, zodat het water en de tros niet naar binnen hadden kunnen komen. Dit betekent dat geen sprake was van een gebrek aan het schip waarvan verdachte een verwijt kan worden gemaakt. Hiervoor geldt immers hetzelfde als voor de doorvoeren in het luikhoofd en de open verbinding tussen de ankerkettingbakken en de voorpiektank.

Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte geen verwijt worden gemaakt omtrent de open onderdelen. Zij zal verdachte daarvan (sub c, d en e in de tenlastelegging van feit 1) vrijspreken.

5.4.4.

Voldoende lenspompcapaciteit?

Ten laste is gelegd dat op het schip onvoldoende pompcapaciteit aanwezig was om het schelpenruim tijdig te legen. Daarbij wordt de norm aangehouden die in een memo van de Scheepvaartinspectie van 29 juni 2000 (p. 324) is opgenomen, namelijk dat het ingestroomd water binnen 15 minuten door een onafhankelijk gedreven pomp moet kunnen worden geloosd. De daarvoor benodigde pompcapaciteit is in het memo niet genoemd. De volgens deze norm benodigde pompcapaciteit is na het ongeval berekend door de OVV; volgens het OVV-rapport had er een lenscapaciteit van 940 dan wel 1.330 m3 per uur moeten zijn en was er een lenspomp met een capaciteit van 68 m3 per uur.

De rechtbank ziet twee redenen om te twijfelen aan de juistheid van de berekeningen in het OVV-rapport.

Ten eerste gaat de rechtbank er bij de beoordeling van dit onderdeel van uit dat aan boord niet slechts één lenspomp was, maar dat er twee lenspompen waren die het schelpenruim konden leegpompen, te weten één in de achterste machinekamer en één in de voorste
machine-/pompkamer. De laatstgenoemde pomp is niet gebruikt; de afsluiter stond immers dicht. In de tenlastelegging en de berekeningen in het OVV-rapport is slechts rekening gehouden met (de capaciteit van) de lenspomp in de achterste machinekamer.

Voor de tweede reden om te twijfelen aan de juistheid van de berekeningen is van belang dat bij de verbouwing van de HA38 tot schelpenzuiger aandacht is besteed aan de mogelijkheid dat er water in het schelpenruim zou kunnen komen. Een van de stabiliteitsberekeningen betreft de situatie dat het ruim is volgeslagen (p. 318-322). Dat leidt tot een diepgangsoverschrijding die is toegestaan “mits deze van tijdelijke aard is” (p. 319).

De verdediging heeft er op gewezen dat de stabiliteitsberekeningen van de OVV ervan uitgaan dat het schelpenruim binnen een kwartier geheel moet kunnen worden leeggepompt, terwijl de verdediging ervan uitgaat dat binnen een kwartier zoveel water moet kunnen worden weggepompt dat de diepgangsoverschrijding wordt opgeheven. Gelet op de in de stabiliteitsberekening genoemde toelaatbare tijdelijke diepgangsoverschrijding acht de rechtbank die uitleg juist.

De rechtbank komt – mede gelet op dat wat de verdediging heeft opgemerkt ten aanzien van de gebreken aan het opsporingsonderzoek – tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld of de capaciteit van de beide aanwezige lenspompen gezamenlijk voldoende was om bij een volgeslagen schelpenruim de diepgangsoverschrijding binnen 15 minuten ongedaan te maken. Een op de juiste aannames gebaseerde berekening is immers niet gemaakt.

De rechtbank zal op dit punt geen nader onderzoek bevelen. Ook als ervan uit zou worden gegaan dat de capaciteit van de lenspompen onvoldoende was, leidt dit namelijk nog niet tot het oordeel dat verdachten hiervan een verwijt is te maken.

Uit een memo van de IVW dat is opgesteld in reactie op het rapport van de OVV (p. 1881) blijkt dat de IVW tijdens een inspectie op 23 juni 2009 aan de scheepsbeheerder heeft gevraagd een lensschema op te sturen met daarin onder meer duidelijk aangegeven de pompcapaciteit. In het dossier is zo’n schema niet terug te vinden. In het hele dossier van de IVW is blijkens dit memo niets terug te vinden over welke pompcapaciteit dan ook. De rechtbank gaat ervan uit dat dit memo een reactie is op het OVV-rapport en dus in beginsel niet als bewijs kan dienen. Dat is anders als het ontlastend is en dat is hier het geval, omdat uit het memo blijkt dat verdachten niet bekend waren met concrete eisen met betrekking tot de benodigde pompcapaciteit.

Verdachte [medeverdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat een lensschema niet is opgestuurd omdat het lensschema ongewijzigd was; de oorspronkelijke lensinstallatie was gehandhaafd, zij het dat er twee pompen bij waren gezet die het schelpenruim rechtstreeks konden lenzen. Wat hier ook van zij, nu de IVW kennelijk verder niet heeft aangedrongen op inzending van een lensschema met opgave van de pompcapaciteit en er geen aanwijzingen zijn dat de IVW concreet heeft gemaakt wat de benodigde pompcapaciteit was, terwijl de IVW wel een certificaat heeft afgegeven, is verdachten geen verwijt te maken van een te geringe lenscapaciteit.

Verdachte zal dus worden vrijgesproken van (sub f in de tenlastelegging van feit 1), omdat niet is gebleken dat sprake was van een gebrek aan het schip, althans omdat verdachte van dat eventuele gebrek geen verwijt kan worden gemaakt.

5.4.5.

Klokpomp niet aangesloten?

Zoals besproken onder 5.4.1 neemt de rechtbank aan dat de klokpomp niet is gebruikt om te lenzen, maar om vervuild bilgewater in de haven uit het schip te pompen. Daarom is het logisch dat deze pomp ten tijde van het ongeval niet was ingeschakeld en is dat geen gebrek aan het schip. Het gebruik van de klokpomp zou naar het oordeel van de rechtbank overigens geen verschil hebben gemaakt, omdat de pompcapaciteit daarvoor veel te klein was.

De officier van justitie heeft op dit punt (sub g in de tenlastelegging van feit 1) vrijspraak gevorderd; de rechtbank volgt dat.

5.4.6.

Afsluiters van het lenssysteem dichtgedraaid?

Vastgesteld is dat in de pompkamer de afsluiters van het lenssysteem dichtgedraaid stonden. Gezien de hoeveelheid water die in het schelpenruim was gekomen, zou het nuttig zijn geweest deze pomp wel te gebruiken en dus ook de afsluiter open te draaien. De bemanning heeft dat niet gedaan. Wellicht was dat niet meer mogelijk door de weersomstandigheden. Hoe dit ook zij, verdachte kan daarvan geen verwijt worden gemaakt.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel (sub h in de tenlastelegging van feit 1).

5.4.7.

Water in de kofferdam, ballasttanks en voorpiektank?

Dat er in de kofferdam water stond, is alleen af te leiden uit het rapport van de OVV. Dit kan niet als bewijs worden gebruikt. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de oorzaak van de aanwezigheid van dit water niet duidelijk is, nu er geen lekkage is vastgesteld. Uit niets blijkt dat de aanwezigheid van dit water het gevolg was van een gebrek van het schip waarvan verdachte op de hoogte had moeten zijn. Dit onderdeel is dus niet bewezen.


Ten aanzien van de ballasttanks geldt dat het aan de bemanning is om water in en uit de ballasttanks te pompen, afhankelijk van de beladingstoestand van het schip. Dat er nog ballastwater in de ballasttanks zat is in ieder geval geen gebrek aan het schip.


Het water in de voorpiektank is daar gekomen, omdat de aftapkraan van de ankerkettingbakken open stond. Daarover is al opgemerkt (onder 5.4.3) dat dit niet aan verdachte te wijten is.

Verdachte zal worden vrijgesproken van deze onderdelen (sub i in de tenlastelegging van feit 1).

5.4.8.

Waterloospoorten dicht?

De onderzoekers van de ILT gaan ervan uit dat de waterloospoorten waren gesloten. Hierdoor kon er veel meer water in het schelpenruim blijven staan dan wanneer deze open zouden zijn geweest. Het schelpenruim had een hoogte van 4,2 meter; de waterloospoorten zaten op een hoogte van 3 meter.

Het verwijt is dat de waterloospoorten waren dichtgemaakt met purschuim en keggen. Hoewel is gebleken dat één poort inderdaad met purschuim was gedicht, is niet aannemelijk dat die poort daardoor niet meer open kon. De rechtbank gaat ervan uit dat, als de poorten waren afgesloten doordat er keggen voor waren geplaatst, de waterloospoorten niet open konden. Daarbij wordt opgemerkt dat de keggen door de bemanning relatief eenvoudig konden worden verwijderd.

Getuige [getuige 2] , die als stuurman-machinist op de HA38 heeft gewerkt van februari 2009 tot juni 2010, heeft verklaard dat de waterloospoorten alleen voor zandzuigen waren bedoeld (p. 1141). Ook getuige [getuige 3] , tot eind 2009 schipper op de HA38, heeft verklaard: “De waterloospoorten waren afgesloten door middel van stalen kegjes. Die poorten waren bedoeld voor de zandzuigerij als overstort. Wanneer de kleppen los hadden gestaan met het ruim vol schelpen zouden die schelpen weglopen aan dek.” (p. 1148). Het dicht staan van de waterloospoorten was kennelijk de normale situatie op de HA38 bij het schelpenzuigen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ook ten tijde van het ongeval zo is geweest.

Blijkens de aantekeningen uit het dossier van de IVW (p. 1733) is bij de IVW bekend dat de overstort zeewater volgens het tankenplan zit op een hoogte van 3 meter. Daaraan is toegevoegd: “Is deze overstort altijd open of ook afsluitbaar?” Kennelijk is deze vraag gesteld aan Gaastmeer, die bij de verbouwing tot schelpenzuiger was ingeschakeld voor de stabiliteitsberekeningen. Gaastmeer heeft de IVW op 18 augustus 2009 geschreven: “De overstort van het ruim, zijn uitgevoerd met het principe van een loosklep die geborgd kan worden. Op navraag, staan deze kleppen eigenlijk altijd los.” Bij wie die navraag is gedaan, vermeldt Gaastra niet. De rechtbank gaat ervan uit dat dit bij de scheepsbeheerder moet zijn geweest. De stabiliteitsberekening is dus gebaseerd op een situatie met openstaande waterloospoorten.

Bij de schouw is gebleken dat bij het schip Vertrouwen waterloospoorten zijn aangebracht die van gaas zijn voorzien. Op die manier zijn de waterloospoorten ook bij schelpenzuigen bruikbaar. Bij de HA38 was geen gaas aangebracht. De waterloospoorten konden dus wel worden geopend, maar dat was kennelijk ongebruikelijk. Dat is ook begrijpelijk, omdat dan door de waterloospoorten niet alleen water maar ook schelpen op het dek zouden komen. Met andere woorden: aan boord is niet gehandeld en kon praktisch ook niet worden gehandeld volgens de door de scheepsbeheerder aan Gaastmeer en door Gaastmeer aan de IVW verstrekte informatie. Het openen van de waterloospoorten was bij schelpenzuigen alleen een theoretische mogelijkheid.

Met gesloten waterloospoorten kon het schip veel dieper komen te liggen dan volgens de stabiliteitsberekeningen werd verwacht, terwijl er bovendien een grote hoeveelheid vrije vloeistof kon ontstaan die de stabiliteit van het schip negatief zou beïnvloeden. Daarom moet de HA38 bij gesloten waterloospoorten veel minder stabiel geweest zijn dan uit de stabiliteitsberekeningen volgde.

De scheepsbeheerder van de HA38 was gehouden te handelen in overeenstemming met de door haar via Gaastmeer aan de IVW verstrekte informatie. Met andere woorden: als tegen de IVW werd gezegd dat de waterloospoorten altijd open stonden, moesten deze ook altijd openstaan. Of er een wettelijke verplichting bestond om bij een schelpenzuiger waterloospoorten aan te brengen, is dan niet relevant. De scheepsbeheerder had dan ook moeten zorgen dat de waterloospoorten zo waren geconstrueerd dat deze ook daadwerkelijk konden worden gebruikt. Dat dit gebrek aanwezig was ten tijde van het ongeval en een relevante invloed heeft gehad op het kapseizen, kan dan ook worden toegerekend aan de scheepsbeheerder.

De rechtbank acht het verwijt ten aanzien van de waterloospoorten (sub j in de tenlastelegging van feit 1) dan ook bewezen.

5.4.9.

Conclusie ten aanzien van de verweten gebreken aan het schip

Bijna alle verwijten die verdachte zijn gemaakt over gebreken aan het schip zijn volgens de rechtbank onterecht. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Namens verdachten hebben de raadslieden aangevoerd dat het mogelijk is dat bij het verblijf in de haven, toen de HA38 nog slechts gedeeltelijk beladen was, door de vorst ijs is ontstaan in het schelpenruim. Hierdoor zou de lenspomp geen water hebben kunnen wegpompen.
De rechtbank houdt geen rekening met deze mogelijkheid. In de eerste plaats is de daadwerkelijke aanwezigheid van ijs niet vastgesteld. Ten tweede, als er al water in het schelpenruim stond en dit bevroren is, zal de ijslaag op dat water hebben gedreven, zodat ook bij ijsvorming niet zonder meer kan worden aangenomen dat de aanzuigopening van de lenspomp volledig zou zijn afgesloten. In de derde plaats heeft de HA38 na het uitvaren de hele dag schelpen gewonnen, waarbij niet aannemelijk is dat de ijslaag – als die zou hebben bestaan – intact zou zijn gebleven.

Het verwijt ten aanzien van de waterloospoorten is wel terecht. De waterloospoorten waren gesloten en konden zonder verlies aan lading ook niet worden geopend als het schip een schelpenlading vervoerde. De gesloten waterloospoorten hebben in relevante mate bijgedragen aan het kapseizen en daarmee aan het overlijden van de bemanning. Doordat de poorten gesloten waren, kon er veel meer water in het schelpenruim blijven staan, waardoor het schip dieper kwam te liggen. Ook zal de stabiliteit van het schip negatief zijn beïnvloed door de deining van de grote hoeveelheid water in het schelpenruim. Dat (in combinatie met de slechte weersomstandigheden) is vermoedelijk één van de belangrijkste redenen dat het schip is gekapseisd. De scheepsbeheerder is degene die verantwoordelijk is voor het vaststellen van de bedrijfsvoering. Op de HA38 was de situatie zodanig dat bij een normale bedrijfsvoering als schelpenzuiger alleen kon worden gevaren met gesloten waterloospoorten, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt van de stabiliteitsberekeningen dat de waterloospoorten open zouden blijven.

5.5.

Gebreken aan de overlevingspakken

Naar de overlevingspakken aan boord van de HA38 is door verschillende personen en instanties onderzoek gedaan. Deze onderzoeken hebben geleid tot het ten laste leggen van de volgende vier verwijten aan verdachten met betrekking tot gebreken aan deze pakken. In het overlevingspak van [slachtoffer 3] ontbrak een automatisch opblaasbaar reddingsvest (verwijt 1), in het overlevingspak van [slachtoffer 1] ontbraken CO2-flesjes (verwijt 2) en van dat pak had de cartridge van de automaat vervangen moeten worden (verwijt 3), voor [slachtoffer 2] was geen passend overlevingspak aanwezig (verwijt 4). De rechtbank zal – net als bij de ten laste gelegde gebreken aan het schip – beoordelen of het bestaan van de gebreken aan de overlevingspakken feitelijk bewezen kan worden en, zo ja, of deze gebreken hebben geleid tot het overlijden van de bemanningsleden en, zo ja, of aan verdachten hiervan een verwijt kan worden gemaakt. De conclusie zal zijn dat voor dit hele onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak zal volgen. De rechtbank bespreekt de verwijten hierna afzonderlijk.

Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat in het overlevingspak van [slachtoffer 3] een automatisch opblaasbaar reddingsvest ontbrak. Uit de wet- en regelgeving valt niet zonder meer af te leiden dat er een verplichting bestond om overlevingspakken met zo’n vest uit te rusten. Maar wat er verder ook zij van deze verplichting, uit het dossier komt duidelijk naar voren dat het overlevingspak van [slachtoffer 3] voldoende drijfvermogen had en dat zijn overlijden in ieder geval niet is veroorzaakt door een tekort daaraan. Dat betekent dat het ontbreken van een automatisch opblaasbaar reddingsvest niet heeft bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer 3] en dus dat het causaal verband tussen het gebrek en het overlijden ontbreekt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het eerste verwijt met betrekking tot de overlevingspakken in de tenlastelegging van feit 1.

Dezelfde redenering, dat het ten laste gelegde gebrek ziet op een tekort aan drijfvermogen terwijl dat niet heeft bijgedragen aan het overlijden, is van toepassing op de verwijten ten aanzien van de ontbrekende CO2-flesjes en de cartridge van de automaat die vervangen had moeten worden in het overlevingspak van [slachtoffer 1] . Weliswaar kunnen ook deze gebreken op grond van het dossier worden vastgesteld, maar het is aannemelijk dat het overlevingspak van [slachtoffer 1] desondanks voldoende drijfvermogen bezat. Het feit, dat het overlevingspak van [slachtoffer 3] evenmin een automatisch opblaasbaar reddingsvest had maar toch voldoende drijfvermogen had, is daarvoor een eerste aanwijzing. Daarbij komt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezamenlijk drijvend in het water zijn aangetroffen, waarbij [slachtoffer 1] op zijn rug in het water lag en [slachtoffer 2] tegen zich aan geklemd hield, terwijl alleen [slachtoffer 1] een overlevingspak droeg. De rechtbank leidt hieruit af dat het enkele overlevingspak van [slachtoffer 1] voldoende drijfvermogen had om twee personen te kunnen laten drijven. Ten slotte is het overlijden van [slachtoffer 1] veroorzaakt door onderkoeling en niet door verdrinking. De stelling van de officier van justitie, dat de onderkoeling van [slachtoffer 1] ten dele het gevolg kan zijn geweest van veel bewegen om boven water te blijven, is speculatief. Naar dit scenario is geen specifiek onderzoek verricht. [naam eerste stuurman] , de eerste stuurman van het schip dat als eerste ter plaatse was en de enige getuige die de twee bemanningsleden in het water heeft gezien, heeft in ieder geval niet verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft zien bewegen. Bovendien gaat de officier van justitie voorbij aan het feit dat het overlevingspak van [slachtoffer 1] nog gedeeltelijk opengeritst was. Het ligt voor de hand dat dit de belangrijkste oorzaak van de onderkoeling is geweest. Dat betekent dat het causaal verband tussen deze gebreken en het overlijden van [slachtoffer 1] ontbreekt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het tweede en derde verwijt met betrekking tot de overlevingspakken in de tenlastelegging van feit 1.

Ten overvloede merkt de rechtbank nogmaals op dat er niet zonder meer een wettelijke verplichting bestond om overlevingspakken met automatisch opblaasbare reddingsvesten uit te rusten. Voor zover er in de wet- en regelgeving verplichtingen bestaan tot periodieke keuring van veiligheidsmiddelen, zijn deze verplichtingen uitdrukkelijk gericht tot de schipper. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat de overlevingspakken van de HA38 door de Scheepvaartinspectie zijn gecontroleerd. Dat dit steekproefsgewijs is gebeurd, doet niets af aan het vertrouwen dat verdachte aan deze inspectie mocht ontlenen, mede gegeven de verdeling van verantwoordelijkheden tussen verdachte en de schipper.

Voor wat betreft het verwijt, dat voor [slachtoffer 2] geen passend overlevingspak beschikbaar was, heeft de verdediging een alternatief scenario opgeworpen. Dit houdt in dat er wel voor ieder bemanningslid een passend pak aanwezig was, maar dat in de hectiek niet de juiste overlevingspakken aan de juiste personen zijn gegeven.


De rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet kan worden uitgesloten. Naar de maten van de overlevingspakken en de maten van de bemanningsleden is geen onderzoek gedaan. Er is dus niet vastgesteld of [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] een passend pak aanhadden.

Over de marifoon is gehoord dat [slachtoffer 1] meldde dat een van de bemanningsleden zijn pak niet aan kon krijgen. Ook dat bericht past in beide scenario’s. Uit het feit dat [slachtoffer 2] geen overlevingspak aanhad, kan dus niet worden afgeleid dat er voor hem geen passend overlevingspak aan boord was, nu niet is uit te sluiten dat er wel een passend pak voor hem was, maar dat een ander dat pak aanhad. Er is geen ander bewijs waaruit kan worden afgeleid dat er voor [slachtoffer 2] geen passend pak aan boord was. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het vierde verwijt met betrekking tot de overlevingspakken in de tenlastelegging van feit 1.

5.6.

Gebreken aan de “papieren”

Hieronder worden eerst de ten laste gelegde gebreken aan de “papieren” besproken. Vervolgens wordt ten aanzien van de bewezen gebreken de vraag beantwoord of sprake is van een relevant verband tussen deze gebreken enerzijds en het kapseizen van de HA38 en het overlijden van de bemanning anderzijds.

5.6.1.

Bevoegdheden van de bemanning

Voor het beoordelen van de bevoegdheden van de bemanning is het van belang om vast te stellen wie welke functie uitoefende en welke eisen waren gesteld aan die bemanning.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [slachtoffer 1] de schipper was op de HA38. Ter zitting heeft de verdediging (overigens pas bij pleidooi en uitsluitend bij monde van de raadsman) een alternatief scenario naar voren gebracht, namelijk dat [slachtoffer 2] feitelijk – of in ieder geval formeel – de schipper was. [slachtoffer 2] had daarvoor de juiste papieren; hij was gekwalificeerd en had voldoende vaaruren, anders dan [slachtoffer 1] .

Het alternatief scenario, dat [slachtoffer 2] feitelijk de schipper was, is niet aannemelijk geworden. Dat [slachtoffer 1] de schipper was, wordt ondersteund door verschillende verklaringen die ter zitting zijn afgelegd. Zo heeft [vertegenwoordiger] ter zitting verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich samen bij hem hadden gemeld om te varen op de HA38: “[slachtoffer 1] kwam zelf met [slachtoffer 2] aanlopen en zei “ [slachtoffer 2] wil met me varen”. [slachtoffer 1] zat op de HA38.” In de nacht van het ongeval heeft [slachtoffer 1] via de marifoon contact gehad met De Brandaris. Voor de afvaart vanaf de gronden van het Stortemelk hebben zowel [medeverdachte 1] als [getuige 1] met [slachtoffer 1] gesproken over de door de HA38 af te leggen koers. Uit die omstandigheden leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 1] niet alleen de beoogd schipper was, maar ook ten tijde van het ongeval daadwerkelijk als schipper optrad. Dat [slachtoffer 2] feitelijk stuurman was, maar zich – indien nodig voor een controle – zou hebben opgeworpen als schipper, omdat hij wel bevoegd was om als schipper op te treden, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het gaat er namelijk niet om of er iemand aan boord was die bij een controle had kunnen zeggen dat hij aan de eisen voldeed om op de HA38 als schipper op te treden, maar om de vraag of Tuin, die feitelijk als schipper optrad, daartoe bevoegd was. Dat was hij niet.

Eerder heeft de rechtbank al vastgesteld dat de HA38 juist was gecertificeerd als vissersvaartuig en dat verdachten mochten vertrouwen op dit door de IVW afgegeven certificaat. Bij een gebruik van de HA38 anders dan waarvan het certificaat uitging, moest mogelijk wel worden voldaan aan andere of aanvullende eisen. Hetzelfde geldt voor het afgegeven bemanningscertificaat. Voorstelbaar is dat de IVW extra bemanningseisen zou hebben gesteld bij het gebruik van de HA38 als schelpenzuiger, waarvan zij immers uitdrukkelijk op de hoogte was, maar dat is kennelijk niet gebeurd. In het licht daarvan mochten verdachten erop vertrouwen dat zij, door te bemannen in overeenstemming met het bemanningscertificaat, zouden voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, ook bij het gebruik van de HA38 als schelpenzuiger.

Dat betekent dat aan boord van de HA38 drie bemanningsleden moesten zijn, te weten een schipper, een vervangend schipper en een gezel. [slachtoffer 1] had wel de juiste opleiding, maar beschikte niet over de vereiste vaaruren. Hij was daarom niet bevoegd om als schipper op te treden. [slachtoffer 2] was volledig bevoegd om als vervangend schipper op te treden. Aan de functie van gezel, die [slachtoffer 3] uitoefende, zijn geen opleidingseisen verbonden. Van het gebrek aan opleiding van [slachtoffer 3] kan dus geen verwijt aan verdachte worden gemaakt. Weliswaar beschikte hij niet over alle wel benodigde papieren, zoals een monsterboekje, maar dat verwijt is niet aan verdachte ten laste gelegd, zodat de rechtbank daar verder niet op in zal gaan.

5.6.2.

Instructie en training

In aanvulling op de vorige paragraaf geldt dat wel vereist was dat alle bemanningsleden geschikt waren voor de uitoefening van hun taken en op de hoogte waren van de procedures bij nood. Dat is relevant voor het verwijt van gebrek aan instructie en training (tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging van feit 1). De rechtbank oordeelt dat de verantwoordelijkheid voor deze instructie en training lag bij de schipper. Zowel de Schepenwet10 als het Vissersvaartuigenbesluit11 bepalen immers dat de schipper degene is, die verplicht is te zorgen dat het schip voor afvaart behoorlijk is bemand en voor het opleiden en instrueren voor het optreden in noodsituaties. Voor zover het de elementaire zeemanskunst betreft, hoeft overigens geen training of instructie te worden geboden. Van een bevoegde bemanning mag men verwachten dat deze bekend is met de eisen van goed zeemanschap.

Of [slachtoffer 1] zijn bemanning tijdig en voldoende heeft getraind en geïnstrueerd, kan niet meer worden opgehelderd. Wat wel duidelijk is, is dat verdachte níet verplicht was de bemanning van de HA38 te instrueren of trainen voor zover het de elementaire zeemanskunst betreft.

5.6.3.

RI&E en VMS

Onder het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging van feit 1 wordt verdachte verweten dat er geen (actuele) Risico-inventarisatie en/of -evaluatie (hierna: RI&E) en veiligheidsmanagementsysteem (hierna: VMS) was vastgelegd.

Ten aanzien van het verwijt, dat er geen actuele RI&E was, geldt het volgende. De verdediging heeft de RI&E van de HA38 van 2 november 2006 in het geding gebracht en heeft gesteld dat er sindsdien geen reden is geweest om de RI&E aan te passen. Het Openbaar Ministerie heeft daartegenin gebracht dat de RI&E bij de verbouwing tot schelpenzuiger in 2009 had moeten worden aangepast en dat ten tijde van het ongeval dus geen sprake was van een actuele RI&E.

Of de RI&E had moeten worden aangepast kan echter in het midden blijven omdat niet duidelijk is geworden hoe dat in oorzakelijk verband staat met het kapseizen van de HA38 en het overlijden van de bemanning. Zoals gezegd gaat de rechtbank ervan uit dat het kapseizen is veroorzaakt door een samenstel van factoren, in het bijzonder de keuze om buitenom te varen onder slechte weersomstandigheden en door – anders dan goed zeemanschap voorschrijft – niet alle luiken en doorvoeren aan boord af te sluiten. Uit het dossier en het onderzoek op de zittingen is niet gebleken dat een actuele RI&E aan boord van de HA38 enig effect zou hebben gehad op die twee omstandigheden of op andere relevante factoren uit dat samenstel. Dat er geen actuele RI&E was, kan dus wel worden vastgesteld, maar niet kan worden vastgesteld dat hierdoor de HA38 is gekapseisd en de bemanning is overleden. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het verwijt over de RI&E.

Er was voor de HA38 geen veiligheidsmanagementsysteem. Een dergelijk systeem kan nuttig zijn en wordt door de OVV ten zeerste aanbevolen, maar de wet kent zo’n verplichting niet voor schepen als de HA38. Hiervan kan verdachte dan ook geen verwijt worden gemaakt.

Verdachte zal daarom ook van het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging van feit 1 worden vrijgesproken.

5.6.4.

Causaliteit

[slachtoffer 1] was niet bevoegd om als schipper te varen. Dat hij niet over de juiste vaarbevoegdheid beschikte, maakt echter niet zonder meer dat hij niet in staat was om als een goed schipper op te treden. Hij heeft ten aanzien van de koers echter een beslissing genomen die door geen enkele weldenkende schipper zou zijn genomen, zo begrijpt de rechtbank de verklaringen van de schippers [naam 1] en [getuige 1] . [slachtoffer 1] heeft daarnaast geen goed zeemanschap betracht. Hij heeft er vóór de afvaart vanaf de gronden van het Stortemelk namelijk niet voor gezorgd dat alle openingen in het schip waren gesloten en alle pompen goed stonden ingesteld. Ook dat had elke weldenkende schipper anders gedaan, zo blijkt uit de verklaringen van ervaringsdeskundigen. Niet kan worden vastgesteld waarom [slachtoffer 1] deze keuzes heeft gemaakt. Uit de verklaring van [getuige 1] kan in ieder geval worden afgeleid dat [slachtoffer 1] de keuze voor een koers buitenom welbewust in weerwil van een advies van [getuige 1] heeft genomen. Ook kan worden vastgesteld dat deze keuzes in relevante mate hebben bijgedragen aan het kapseizen van de HA38 en daarmee aan het overlijden van de bemanning.

De verantwoordelijkheid om te zorgen voor een bevoegde bemanning ligt op grond van artikel 3 van de Zeevaartbemanningswet (oud) bij de scheepsbeheerder van een schip. Wie als scheepsbeheerder een schip met een onbevoegde schipper bemant, kan zich niet verschuilen achter het wettelijke uitgangspunt dat de schipper verantwoordelijk is voor aan boord genomen beslissingen. Deze verdeling van verantwoordelijkheden gaat namelijk uit van een schipper die door middel van het voldoen aan verschillende eisen op het gebied van opleiding en ervaring heeft aangetoond deze verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Bij een onbevoegde schipper mag een scheepsbeheerder daar niet op vertrouwen.

5.6.5.

Conclusie ten aanzien van de verweten gebreken aan de “papieren”

Uitsluitend het verwijt ten aanzien van de vaarbevoegdheid van [slachtoffer 1] treft doel. De rechtbank acht dat verwijt bewezen. Dat verwijt staat ook in oorzakelijk verband met het kapseizen van het schip en daarmee met het overlijden van de bemanning. De scheepsbeheerder is degene die [slachtoffer 1] onbevoegd als schipper heeft aangesteld en dit gebrek kan dan ook aan haar worden toegerekend.

5.7.

Dood door schuld?

Van twee ten laste gelegde verwijten is komen vast te staan dat deze feitelijk juist zijn, dat deze het kapseizen van het schip en het overlijden van de bemanning hebben veroorzaakt en dat deze aan verdachte zijn toe te rekenen. Die twee verwijten zijn het aanwijzen van [slachtoffer 1] als schipper, terwijl hij daartoe niet bevoegd was, en het gesloten zijn van de waterloospoorten, terwijl daar bij de stabiliteitsberekeningen niet van uit is gegaan.

Het is duidelijk dat de dood van de bemanning door niemand is gewild. Er is dan ook geen sprake van opzet. Vervolgens moet dan worden onderzocht of sprake is van dood door schuld. Op dood door schuld is een gevangenisstraf van twee jaar gesteld (art. 307 lid 1 Sr.). Als dood door schuld de vorm heeft van roekeloosheid staat daar vier jaar gevangenisstraf op (art. 307 lid 2 Sr.). Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig gedrag, waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Van zo’n zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid is in deze zaak niet gebleken. Van ‘gewone’ dood door schuld is sprake als de dood van iemand is veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank precies wat er in deze zaak is gebeurd.

De scheepsbeheerders, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , hebben op de HA38 een onbevoegde schipper aangesteld. Dat op zich is – hoewel men elkaar lang en goed kende – al onvoorzichtig te noemen. Dat [slachtoffer 1] ‘bijna’ bevoegd zou zijn, namelijk ruim voldoende opgeleid maar met onvoldoende (recente) vaaruren, is daarbij niet relevant. Het is invoelbaar dat dit heeft meegespeeld, maar [slachtoffer 1] kon geen bewijs leveren dat hij zijn vaaruren wel had gemaakt. Dat hij op zijn woord is geloofd en vervolgens zonder extra waarborgen als schipper is ingezet, is wat de rechtbank als aanmerkelijk onvoorzichtig handelen bestempelt. Dat geldt te meer nu [slachtoffer 1] in de periode voorafgaand aan zijn tijd als schipper van de HA38 juist niet als volwaardig bemanningslid had gevaren, maar als nettenboeter of opstapper vanwege een periode van – naar het zich laat aanzien – geestelijke ontreddering, waarvan de aard en ernst de rechtbank overigens onvoldoende duidelijk is geworden. Er had gewoonweg moeten worden gewacht tot [slachtoffer 1] zijn vaaruren weer had gemaakt. Tot die tijd had hij niet als schipper mogen worden aangesteld.

Het oorzakelijk verband tussen het aanstellen van een niet bevoegde schipper en het dodelijk ongeval is met name hierin gelegen dat een schipper zeer zware verantwoordelijkheden draagt en dus aan hem zware eisen worden gesteld. Onder meer is hij het die tijdens een reis letterlijk de koers bepaalt en ervoor zorg draagt dat wordt voldaan aan de eisen van goed zeemanschap. Maakt hij fouten, dan is voorzienbaar dat de kans op een dodelijk ongeval aanzienlijk is. Aan hem wordt het schip en zijn bemanning toevertrouwd. De scheepsbeheerder mag, indien een bevoegde schipper wordt aangesteld, erop vertrouwen dat deze aan deze zware eisen zal kunnen voldoen. Maakt in dat geval de schipper fouten, dan mogen deze niet worden toegerekend aan de scheepsbeheerder.

Dat geldt echter niet voor de scheepsbeheerder die een niet bevoegde schipper aanstelt. Fouten van de schipper komen dan wel voor rekening van de scheepsbeheerder, eenvoudigweg omdat zo’n scheepsbeheerder zich er niet op kan beroepen dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de onbevoegde schipper aan de zware eisen die aan een schipper moeten kunnen worden gesteld, kan voldoen.

In het voorgaande is al vastgesteld dat de schipper fouten heeft gemaakt, die een belangrijke bijdrage hadden aan het kapseizen van het schip.

Ook ten aanzien van de waterloospoorten is aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. De scheepsbeheerders hadden zich moeten realiseren dat de waterloospoorten ook bij schelpenzuigen open moesten kunnen staan, zodat werd gehandeld overeenkomstig de stabiliteitsberekeningen. Deze berekeningen zijn er juist voor bedoeld om onder andere het kapseizen van een schip te voorkomen.

5.7.1.

Conclusie: dood door schuld door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bewezen

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , de scheepsbeheerders, hebben samen aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door een onbevoegde schipper aan te stellen en het schip in strijd met de stabiliteitsberekeningen, op basis waarvan het schip door de IVW was goedgekeurd, te laten varen met gesloten waterloospoorten. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [medeverdachte 2] de onder 1 primair ten laste gelegde dood door schuld heeft medegepleegd.

5.7.2.

De rol van verdachte

De volgende vraag is hoe de rollen van [vertegenwoordiger] , [verdachte] en [medeverdachte 1] juridisch moeten worden gekwalificeerd. Onder 1 primair is ten laste gelegd dat zij het strafbare feit – dood door schuld – hebben medegepleegd en onder 1 subsidiair is ten laste gelegd dat zij feitelijk leiding hebben gegeven aan dit feit.

Het staat vast dat de verschillende, betrokken rechtspersonen aan elkaar waren gelieerd en dat [vertegenwoordiger] (direct of indirect) de directie voerde over al deze rechtspersonen. Zijn gedragingen, bijvoorbeeld met betrekking tot het aanstellen van [slachtoffer 1] als schipper, zijn aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als scheepsbeheerders toe te rekenen. De enkele omstandigheid, dat gedragingen van [vertegenwoordiger] in juridische zin aan rechtspersonen kunnen worden toegerekend, kan echter niet meebrengen dat [vertegenwoordiger] strafbare feiten samen met deze rechtspersonen heeft gepleegd.12 [medeverdachte 1] kan niet pleger of als medepleger worden aangemerkt, omdat hij niet degene is geweest die de bemanning werkzaamheden heeft laten verrichten en omdat hij evenmin nauw en bewust heeft samengewerkt met de scheepsbeheerders. Gelet hierop zal de rechtbank [vertegenwoordiger] en [medeverdachte 1] vrijspreken van het primair ten laste gelegde medeplegen van feit 1.

De rechtbank acht wel bewezen dat [vertegenwoordiger] (indirect) en [verdachte] (direct) feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging van [medeverdachte 2] namelijk dood door schuld door de aanstelling van een onbevoegde schipper. [vertegenwoordiger] heeft immers als (indirect) bestuurder van beide scheepsbeheerders [slachtoffer 1] als schipper aangesteld, hoewel hij wist dat [slachtoffer 1] niet bevoegd was.

[vertegenwoordiger] is er daarbij kennelijk van uitgegaan dat [slachtoffer 1] de verantwoordelijkheid van schipper kon dragen en dat [slachtoffer 1] een betrouwbare schipper was, die alleen vanwege formele beletselen nog niet mocht varen. Zoals gezegd (onder 5.7) mag een scheepsbeheerder daar volgens de rechtbank juist niet op vertrouwen als die schipper zijn kwaliteiten niet kan aantonen door middel van “de juiste papieren”: een vaarbevoegdheid voor die functie. Dat [vertegenwoordiger] [slachtoffer 1] als schipper heeft aangesteld, terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] onbevoegd was en hij er dus niet op mocht vertrouwen dat [slachtoffer 1] kon voldoen aan de zware eisen die aan een schipper worden gesteld, is wat hem kan worden verweten.

Anders dan [vertegenwoordiger] , kan [medeverdachte 1] dat verwijt niet worden gemaakt. Hij heeft [slachtoffer 1] niet aangesteld, was binnen de bedrijven niet eindverantwoordelijke en had niet de bevoegdheid maatregelen te nemen om aan een verboden gedraging een eind te maken. Hij zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

De rechtbank spreekt [vertegenwoordiger] vrij voor zover het gaat om het verwijt dat is gevaren met dichte waterloospoorten. Weliswaar zijn [vertegenwoordiger] en Beheer uiteindelijk als bestuurder verantwoordelijk voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , maar zij kunnen met betrekking tot dit verwijt uitsluitend als feitelijk leidinggever worden aangemerkt als kan worden aangenomen dat zij wisten dat hier een fout werd gemaakt. Daarvoor is geen bewijs. Uit niets blijkt dat [vertegenwoordiger] en [verdachte] van de aan de IVW verstrekte informatie over de waterloospoorten op de hoogte waren.

Voor [medeverdachte 1] geldt dat er geen bewijs is dat hij op de hoogte was van de aan de IVW verstrekte informatie over de waterloospoorten. Wel onderhield hij namens de scheepsbeheerder contacten met IVW, zodat vermoed kan worden dat hij hiervan op de hoogte was. Echter zelfs als [medeverdachte 1] wist dat Gaastra aan IVW had laten weten dat de waterloospoorten altijd open waren, leidt dat niet tot de conclusie dat hij aan de verboden gedraging leiding heeft gegeven. Dat komt door zijn positie in de ondernemingen van [vertegenwoordiger] . [medeverdachte 1] had een faciliterende rol. Zijn taak was het te reageren op verzoeken en opdrachten van enerzijds [vertegenwoordiger] en anderzijds de bemanningen van de verschillende schepen. Daarnaast gaf hij leiding aan het reparatiebedrijf. [medeverdachte 1] droeg gezien zijn aanstelling en zijn dagelijkse werkzaamheden niet de verantwoordelijkheid om uit zichzelf de bemanning instructies te geven met betrekking tot het gebruik van de waterloospoorten of om uit zichzelf te zorgen voor een zodanige constructie van het schip dat de waterloospoorten ook konden worden gebruikt tijdens het schelpenzuigen.

5.7.3.

Opmerkingen ten aanzien van ‘schuld’

De rechtbank heeft gelezen en gehoord dat verdachte zich verre heeft willen houden van het aanwijzen van de schipper of de bemanning als ‘schuldige(n)’. [vertegenwoordiger] heeft ter zitting verklaard: “de doden moet je laten rusten”. Dat neemt niet weg dat zijn advocaat – begrijpelijkerwijs – een deel van de verweren heeft gebaseerd op het standpunt dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor beslissingen die aan boord zijn genomen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het kapseizen van de HA38 en het overlijden van de bemanning het gevolg is geweest van een samenstel van factoren, waarvan het verwijt aan verdachte onderdeel is. Het handelen of niet (adequaat genoeg) handelen door de bemanning en de weersomstandigheden zijn eveneens factoren die aan het fatale ongeval hebben bijgedragen. Echter, ook als aan boord fouten zijn gemaakt en zelfs als die fouten zwaarder wegen in het geheel van oorzaken dan de fouten die aan verdachten toe te rekenen zijn, betekent dat niet dat verdachtes aandeel in het geheel niet langer relevant is. Wel zal de rechtbank met de andere factoren die mede tot het ongeval hebben geleid rekening houden bij de strafoplegging.

5.8.

Feit 2

Nu nagenoeg dezelfde feiten en omstandigheden het onder 1 en 2 ten laste gelegde moeten dragen, heeft voor de bewijsbaarheid van deze feiten en omstandigheden hetzelfde te gelden als hiervoor daarover is overwogen. Omdat de omstandigheid, dat de schipper niet over de juiste vaarbevoegdheid beschikte, niet onder feit 2 ten laste is gelegd, kan onder feit 2 uitsluitend het gebrek aan de waterloospoorten worden bewezen. Daarvoor acht de rechtbank verdachte echter niet verantwoordelijk, noch als (mede)pleger, noch als feitelijk leidinggever. Niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van de stand van zaken met betrekking tot de waterloospoorten en stabiliteitsberekeningen. Zij kon daar dus ook geen invloed op uitoefenen en zal daarom worden vrijgesproken van feit 2.

5.9.

Vrijspraak voor feiten 3 en 4

Verdachte zal worden vrijgesproken van het derde en vierde feit, omdat de verwijten die daarin worden gemaakt niet kunnen worden bewezen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat zij er onvoldoende voor heeft gezorgd dat de bemanningsleden bij hun tewerkstelling aan boord vertrouwd waren met hun specifieke taken en met alle regelingen, procedures aan boord en de kenmerken van het schip, die verband hielden met hun taken zowel onder normale omstandigheden als in noodsituaties. Dit is echter niet het verwijt dat de rechtbank aan de scheepsbeheerders, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en aan verdachte als één van hun feitelijk leidinggevers maakt. Het verwijt is namelijk dat de scheepsbeheerders een onbevoegde schipper hebben ingezet, waardoor zij er niet op mochten vertrouwen dat hij de zware verantwoordelijkheden die bij die functie horen, kon dragen.

Dit is iets anders dan het verwijt van onvoldoende instructie dat verdachte onder feit 3 wordt gemaakt. Weliswaar wordt dit verwijt in de tenlastelegging concreet gemaakt door te wijzen op het vermogen om een juiste beslissing over de koers te nemen en om in te schatten welke openingen afgesloten en pompen geopend moesten worden, en zijn dit nu juist de punten waarop [slachtoffer 1] onbegrijpelijke beslissingen heeft genomen, maar deze omstandigheden hebben betrekking op een andere norm.

Van een bevoegd schipper mag immers een zodanige elementaire zeemanskunst worden verwacht dat hij in staat is deze beslissingen over de koers en inschattingen over het schip op verantwoorde wijze te nemen. Het probleem is dat de scheepsbeheerders geen bevoegde schipper hebben aangesteld, maar niet dat zij de bemanning onvoldoende hebben geïnstrueerd over de ten laste gelegde onderdelen van de elementaire zeemanskunst. Dat zou immers niet nodig geweest zijn.

Evenmin is komen vast te staan dat het schip voer zonder juist bemanningscertificaat. Er was namelijk wel een bemanningscertificaat; een certificaat dat bovendien aansloot bij het certificaat van het schip. Al eerder in dit vonnis is overwogen dat het schip juist was gecertificeerd, al konden er feitelijk meer of andere eisen worden gesteld aan – onder andere – de bemanning. Dat doet echter niets af aan de juistheid van de bestaande certificaten.

5.10.

Feit 5 subsidiair bewezen

Voor dat wat onder 5 primair is ten laste gelegd, geldt dat verdachte niet kan worden aangemerkt als iemand die [slachtoffer 1] werkzaamheden heeft laten verrichten. Verdachte was namelijk niet de scheepsbeheerder van de HA38 of de werkgever van [slachtoffer 1] . Evenmin is komen vast te staan dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de scheepsbeheerders en de werkgever van [slachtoffer 1] . Daarvoor is het enkele feit dat verdachte als rechtspersoon bestuurder was immers onvoldoende. De rechtbank zal verdachte van het primaire feit vrijspreken.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het subsidiaire feit, omdat [medeverdachte 2] niet als pleger van dit feit is vervolgd. Dat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen om in dit geval alleen verdachte als feitelijk leidinggever te vervolgen, doet aan het bewijs tegen verdachte niets af. Zo’n keuze valt bovendien binnen de ruime mate van beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie heeft om verdachten al dan niet te vervolgen.

Het subsidiaire feit is wel bewezen, voor zover het gaat om het tweede deel van de tenlastelegging. [slachtoffer 1] was immers niet bevoegd om als schipper op te treden. Hij mocht wel wachtlopen op de brug (in de functie van vervangend schipper). Degenen die [slachtoffer 1] die werkzaamheden hebben laten verrichten zijn de scheepsbeheerders en zijn werkgever, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij hebben het strafbare feit samen begaan. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan dat strafbare feit. Daarvoor geldt hetzelfde als eerder onder (5.7.2) is overwogen. In het bijzonder weegt mee dat verdachte via haar bestuurder direct betrokken was bij het controleren van bevoegdheden en dus bevoegd en gehouden was om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 1] niet onbevoegd als schipper zou optreden.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 13 en 14 december 2010, op de Noordzee,

tezamen en in vereniging,

aanmerkelijk onvoorzichtig hebben gehandeld

door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , met het schip de HA38, genaamd Frisia, werkzaamheden, heeft laten verrichten op open zee, terwijl

- de schipper niet over de juiste vaarbevoegdheid beschikte;

ten gevolge waarvan het schip de HA38 is gekapseisd en genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in het zeer koude Noordzeewater terecht zijn gekomen,

waardoor het aan de schuld van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] te wijten is dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door verdrinking of onderkoeling zijn overleden;

aan welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven;

ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde

dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 13 en 14 december 2010, op de Noordzee,

tezamen en in vereniging,

aan boord van het schip de HA38, Frisia, werkzaamheden in de functie van schipper heeft laten verrichten door [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] daartoe niet door middel van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs bevoegd was verklaard;

aan welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Geen strafoplegging

Op 14 december 2010 heeft een noodlottig ongeval plaatsgevonden. Daarbij hebben [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] het leven gelaten. Het overlijden van de bemanning heeft zowel op de familie van de bemanning als op [vertegenwoordiger] , [medeverdachte 1] en ook breder binnen de vissersgemeenschap van Zoutkamp diepe indruk gemaakt. Dat blijkt wel uit dat wat de (vertegenwoordigers) van verdachten op de zitting hebben verklaard over de gevolgen voor henzelf en hun omgeving, de verklaring die door [vader slachtoffer 3] , de vader van [slachtoffer 3] , is afgelegd en de voortdurende media-aandacht. Het ongeval heeft veel leed teweeg gebracht. De rechtbank realiseert zich dat en begrijpt dat met de strafrechtelijke behandeling van de zaak veel emoties weer naar boven komen.

In het strafproces wordt gestreefd naar waarheidsvinding en worden hoge eisen gesteld aan het bewijs. Bij een bewezenverklaring kan strafoplegging volgen, die verschillende doelen kan dienen, zoals vergelding, bevestiging van de norm en preventie. Ook kan het strafrecht in sommige gevallen ondergaan leed herstellen. Dit strafproces is in gang gezet door een aangifte van [vader slachtoffer 3] naar aanleiding van het OVV-rapport. De aangever beoogde vooral preventie: hij hoopte er aan bij te dragen dat een dergelijk ongeval niet opnieuw zou gebeuren.

In dit geval kan het strafproces het leed van de nabestaanden niet wegnemen. Wel zou dit vonnis bij de nabestaanden kunnen bijdragen aan een duidelijker beeld van wat er is gebeurd en hoe dit heeft kunnen gebeuren en de rol van verdachten daarin.

Wat het voorkomen van een soortgelijk ongeval in de toekomst betreft wil de rechtbank benadrukken dat uit het strafrechtelijk onderzoek niet is gebleken dat bij de rederij sprake was van wanbeleid of laksheid ten aanzien van de veiligheid van medewerkers, zoals in de media of naar aanleiding van het OVV-rapport wel is gesuggereerd. Verdachte en medeverdachten hebben fouten gemaakt, maar niet zo veel en zo ernstig als men zou kunnen denken na lezing van het OVV-rapport. De rechtbank is tot andere conclusies gekomen dan de Onderzoeksraad, in het bijzonder ten aanzien van de gestelde gebreken aan het schip. De conclusie van de Onderzoeksraad dat het schip niet zeewaardig was, kan de rechtbank niet onderschrijven.

Toch wordt verdachte veroordeeld voor dood door schuld. De rechtbank wijst er uitdrukkelijk op dat dit een juridische benaming is, maar zeker niet betekent dat verdachte de enige “schuldige” is. De HA38 is gekapseisd ten gevolge van een aantal omstandigheden, waaronder de slechte weers- en wateromstandigheden, de onbegrijpelijke beslissing van de onbevoegde schipper om toch buitenom naar Zoutkamp te varen, het tijdens de vaart – in strijd met goed zeemanschap – geopend zijn van allerlei openingen in het schip en het gesloten zijn van de waterloospoorten. Het is ook zeer te betreuren dat de bemanning de ernst van de situatie onvoldoende of niet tijdig heeft ingezien of heeft kunnen inzien. Verdachte was verantwoordelijk voor een deel van die omstandigheden en is daarom strafrechtelijk mede-aansprakelijk.

Bij de strafbepaling houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ernstig financieel nadeel heeft geleden ten gevolge van het ongeval. De HA38 is vergaan en die schade is, zo heeft [vertegenwoordiger] op een van de zittingen verklaard, slechts voor een gering deel door de verzekering vergoed. In de rederij zijn bovendien kostbare veranderingen doorgevoerd om de veiligheid van medewerkers beter te waarborgen. Daaruit blijkt dat er aandacht wordt besteed aan preventie.

De officier van justitie heeft een geldboete van € 60.000,- voor feiten 1 en 2 en geen straf voor feiten 3 en 4 geëist. De rechtbank is echter van oordeel dat strafoplegging in deze zaak geen enkel doel meer dient. [vertegenwoordiger] heeft op zitting aangevoerd dat binnen de bedrijven inmiddels van alles is gedaan om ervoor te zorgen dat wat met de HA38 is gebeurd, niet nog eens kan gebeuren. Ook heeft [medeverdachte 3] als eigenaar van het schip door het ongeval een grote schade geleden, omdat de HA38 verloren is gegaan en slechts een gering deel van de waarde van het schip door de verzekering is vergoed. Dit heeft tot gevolg gehad dat geen vervangend schip kon worden aangekocht, wat zijn doorwerking heeft in de verdere bedrijfsvoering van [medeverdachte 2] en [verdachte] . De rechtbank heeft geen enkele reden om daaraan te twijfelen. De door aangever beoogde preventie is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat de nabestaanden niet zijn gebaat bij verdere vergelding.

De rechtbank volstaat op grond van al het voorgaande met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.

Ten slotte geldt nog dat de redelijke termijn van berechting van twee jaar is overschreden. Dat heeft deels te maken met de complexiteit van de zaak, maar dat rechtvaardigt niet de gehele overschrijding. Omdat de rechtbank ook zonder die overschrijding mee te wegen zou zijn gekomen tot een schuldigverklaring zonder straf, zal zij daar verder niet op ingaan.

10 De vordering van de benadeelde partij

[vader slachtoffer 1] , de vader van [slachtoffer 1] , heeft een vordering ingediend ter vergoeding van de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de dood van zijn zoon. De vordering bedraagt in totaal € 8.507,68. Hij vraagt € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, het zogenoemde smartengeld. De schadevergoeding, die hij vraagt voor de materiële kosten die hij heeft gemaakt, bestaat uit posten die zien op de uitvaart van [slachtoffer 1] , op de afwikkeling van de erfenis en op het leeghalen van de woning.

Het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van de immateriële schade komt volgens de artikelen 6:106-108 van het Burgerlijk wetboek en de daarop gebaseerde rechtspraak niet voor vergoeding in aanmerking.

Dat [vader slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden kan wel worden aangenomen. Hij heeft die schade omschreven als een trauma voor zijn zoon en kleinkinderen. Hij heeft ook beschreven dat hij er zelf onder lijdt. In de rechtspraak is echter bepaald dat immateriële schade als gevolg van overlijden van een ander slechts voor een financiële vergoeding in aanmerking komt, als bij de benadeelde zelf een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Aan die eis is in deze zaak niet voldaan. De vordering zal dan ook worden afgewezen voor wat betreft de vergoeding van de immateriële schade.

De kosten met betrekking tot de afwikkeling van de erfenis en het leeghalen van de woning komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. Die posten staan – anders dan de kosten met betrekking tot de uitvaart – onvoldoende in rechtstreeks verband tot de bewezen geachte dood door schuld. Ook dat deel van de vordering, een bedrag van € 2.734,27, zal worden afgewezen.

De vergoeding van de kosten voor de uitvaart zouden dus wel kunnen worden vergoed, ware het niet dat aan de werkgever van [slachtoffer 1] , [naam uitzendbureau] , een sommenverzekering is uitgekeerd die onverplicht aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] is doorbetaald. De verdediging van verdachte heeft op de zitting aangevoerd dat die doorbetaling was bedoeld ter vergoeding van alle schade van de nabestaanden. Dat kan de rechtbank niet afleiden uit de aanbiedingsbrief. Het kan echter ook niet zonder meer worden uitgesloten. De rechtbank moet tot de conclusie komen dat dit een discussie is die meer aandacht verdient dan binnen het strafproces mogelijk is. Om het strafproces niet onevenredig te belasten wordt de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. [vader slachtoffer 1] kan daarmee nog wel naar de civiele rechter.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft rekening gehouden met de artikelen

  • -

    9a, 47, 51, 57, 62 en 307 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    58 van de Zeevaartbemanningswet;

  • -

    1 en 2 van de Wet op de economische delicten;

zoals die wettelijke voorschriften golden op (13 en) 14 december 2010.

12 Beslissing

De rechtbank beslist op grond van al het voorgaande als volgt.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair, en 5 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van dood door schuld door een rechtspersoon;

ten aanzien van het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde

feitelijk leiding geven aan medeplegen van handelen door een rechtspersoon in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 58 van de Zeevaartbemanningswet, strafbaar gesteld in artikel 1, sub 4, van de Wet op de economische delicten.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat voor de bewezen verklaarde feiten geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk af, namelijk het bedrag van € 7.734,27 dat is gevorderd ter vergoeding van materiële schade (€ 2.734,27) en immateriële schade (€ 5.000,-).

Verklaart benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. R.H.C. Jongeneel en M.R.J. van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2017.

1 Artikel 1 onder l van de Zeevaartbemanningswet (oud).

2 Artikel 1, eerste lid, onder 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (oud).

3 Het rapport van de Dienst Waterpolitie, Korps Landelijke Politiediensten, van 12 februari 2011 opgemaakt door [naam 2] .

4 Het rapport van de Maritieme Politie, Korps Landelijke Politiediensten, van 26 februari 2014 opgemaakt door [naam 3] .

5 Het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, van 22 april 2011 opgemaakt door A. de Jong.

6 Het rapport van de OVV, maart 2012, waarin als projectleider ing. M. Vlag staat vermeld.

7 Het opstel van [naam 1] is gedateerd op 10 december 2010.

8 Het deskundigenrapport van 17 januari 2017, opgemaakt door deskundigen J.L. Schot en A.H. Bunschoten.

9 Het aanvullend deskundigenrapport van 17 februari 2017, opgemaakt door J.L. Schot en A.H. Bunschoten.

10 Artikel 4, eerste lid, onder k, van de Schepenwet.

11 Artikel 241 en 242 juncto 325 van het Vissersvaartuigenbesluit.

12 Vergelijk ECLI:NL:HR:2012:BX5140 en ECLI:NL:RBROT:2017:1418.