Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8910

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/13/637960 / KG ZA 17-1192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG Het niet meewerken aan een joodse rabbinale echtscheiding kan, zonder nader onderzoek naar de feiten, niet onrechtmatig worden geacht. Vordering wordt dus afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/637960 / KG ZA 17-1192 MV/MV

Vonnis in kort geding van 4 december 2017

in de zaak van

[opposant] ,

wonende te [woonplaats opposant] ( [land] ),

opposant bij dagvaarding van 1 november 2017,

advocaat mr. A.M. Holmes te Maastricht,

tegen

[geopposeerde] ,

wonende te [woonplaats geopposeerde] ( [land] ),
geopposeerde,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam.

1 De procedure

Opposant, hierna ook te noemen de man, heeft bij dagvaarding van 1 november 2017 verzet ingesteld tegen een door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewezen verstekvonnis van 26 juni 2017. Een kopie van de verzetdagvaarding wordt aan dit vonnis gehecht. Geopposeerde, hierna ook te noemen de vrouw, heeft geconcludeerd tot weigering van het ingestelde verzet, dan wel bekrachtiging van het verstekvonnis. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 20 november 2017. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren uitsluitend de raadslieden van partijen aanwezig.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een joods kerkelijk huwelijk gesloten. Op 7 maart 1991 heeft de Regional Rabbinal Court van Tel Aviv een huwelijkscertificaat afgegeven waarin is opgenomen dat het huwelijk in Nederland heeft plaatsgevonden op 24 december 1990.

2.2.

Bij dagvaarding van 8 mei 2017 heeft de vrouw de man opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van 19 juni 2017 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De dagvaarding is openbaar betekend omdat de man niet beschikte over een bekende woon- of verblijfplaats. Gevorderd is – kort gezegd – de man op straffe van dwangsommen en op straffe van lijfsdwang te bevelen te verschijnen voor het rabbinaat te Amsterdam teneinde alles te doen wat naar het oordeel van het rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding te komen.

2.3.

De man is ter terechtzitting van 19 juni 2017 niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.

2.4.

Op 26 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter een verstekvonnis gewezen. Hierin is onder meer het volgende overwogen:
2.1. De voorzieningenrechter is bevoegd van dit geschil kennis te nemen. De rabbinale echtscheiding dient, nu partijen in Amsterdam kerkelijk zijn gehuwd, bij het rabbinaat te Amsterdam tot stand te komen en de gestelde niet-medewerking van gedaagde aan die rabbinale echtscheiding levert een onrechtmatige gedraging op die in Amsterdam plaatsvindt.

2.2.

Eiseres heeft de dagvaarding openbaar aan gedaagde laten betekenen en daarbij aan alle betekeningsvoorschriften voldaan. Daarnaast is de dagvaarding per e-mail naar gedaagde gestuurd.

Daarmee heeft eiseres redelijkerwijs al het mogelijke gedaan om gedaagde tijdig in kennis te stellen van dit kort geding. Tegen gedaagde zal dan ook verstek worden verleend.

2.3.

Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen. De bij de beslissing opgenomen termijn van drie dagen wordt redelijk geacht, waarbij ervan wordt uitgegaan dat eiseres dit vonnis in persoon aan gedaagde zal laten betekenen op het moment dat hij in Nederland is. De dwangsom zal worden beperkt als volgt.

2.5.

In het dictum van het vonnis van 26 juni 2017 is de man onder meer tot het volgende veroordeeld:
3.2. beveelt gedaagde om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te verschijnen voor het rabbinaat te Amsterdam, teneinde aldaar in het kader van het tot stand komen van een rabbinale echtscheiding (afgifte van een get aan eiseres) alles te doen dat naar het oordeel van het rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding tussen partijen te komen,

3.3.

veroordeelt gedaagde om aan eiseres een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet voldoet aan het bevel onder 3.2, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

De gevorderde lijfsdwang is afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert – kort gezegd – te bepalen dat hij zal worden ontheven van de tegen hem in het verstekvonnis van 26 juni 2017 uitgesproken veroordelingen alsmede de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen, alles met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding, die van het verzet daaronder begrepen.

3.2.

De man stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat hij pas recent in het bezit is gekomen van het verstekvonnis. Omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is, is hij niet bekend geraakt met de inhoud van het vonnis. Hij betwist dat de vrouw niet op de hoogte was van zijn woonplaats; zij weet heel goed dat hij in [woonplaats opposant] woonachtig is. Dat zij hem openbaar heeft gedagvaard is dan ook in strijd met artikel 21 Rv. Ook heeft de voorzieningenrechter in het verstekvonnis ten onrechte overwogen dat de dagvaarding per e-mail aan de man was toegestuurd.

De man is verder van mening dat hij het verzet tijdig heeft ingesteld. Het vonnis is niet aan hem betekend en hij heeft geen daad gepleegd waaruit voortvloeit dat hij bekend was met de inhoud van het vonnis.
Over de inhoud van de zaak voert de man aan dat het huwelijk op 24 december 1990 in informele sfeer heeft plaatsgevonden te Amsterdam, in de woning van de zus van de man. Op 7 maart 1991 heeft de rabbinale rechtbank te Tel Aviv beslist dat partijen met elkaar zijn gehuwd in overeenstemming met het joodse recht.
De man stelt dat hij niet onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk door middel van een rabbinale echtscheiding (get). Het is juist de vrouw die onrechtmatig handelt jegens de man, door hem niet financieel te compenseren. Bovendien heeft de man principiële bezwaren (gebaseerd op de joodse leer) tegen een echtscheiding. Partijen hebben verschillende uitspraken overgelegd van de rabbinale rechtbank te Tel Aviv en van de rabbinale rechtbank te Monsey (New York) die elkaar tegenspreken. Daaruit kan dus (in dit kort geding) niet worden afgeleid dat de man onrechtmatig handelt door niet aan de echtscheiding mee te werken.
Ook beroept de man zich op een noodtoestand indien het verstekvonnis zou worden geëxecuteerd. Die noodtoestand bestaat eruit dat hij gedwongen wordt aan de echtscheiding mee te werken, zonder financiële compensatie door de vrouw.
Tot slot voert de man aan dat de voorzieningenrechter onbevoegd is omdat beide partijen woonachtig zijn op het grondgebied van een andere staat en dat alleen joods rabbinaal recht dan wel Israëlisch recht van toepassing is. Volgens de man is alleen de rabbinale rechtbank te Tel Aviv bevoegd omdat het huwelijk daar is gesloten.

3.3.

De vrouw heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat de man nog immer zijn adres niet bekend heeft gemaakt. De man is dus terecht openbaar gedagvaard. Overigens heeft de advocaat van de vrouw drie keer een e-mail gestuurd naar de man, op 6 juni 2017 met de dagvaarding, op 16 juni 2017 met de producties en op 4 juli 2017 met het verstekvonnis. Uit productie 3 van de man volgt dat hij die laatste e-mail heeft ontvangen en op dat moment (of kort daarna) dus op de hoogte is geraakt van het vonnis. Dit betekent dat hij niet tijdig verzet heeft ingesteld.
Dat de man onvoldoende Nederlands zou spreken is ongeloofwaardig. Hij heeft nauwe banden met Nederland en hij heeft hier meerdere familieleden. Overigens acht de vrouw dit niet relevant voor de vraag of de man tijdig verzet heeft ingesteld.
Inhoudelijk voert de vrouw aan dat de Hoge Raad al in 1982 heeft uitgemaakt dat het weigeren van medewerking aan een echtscheiding naar joods kerkelijk recht onrechtmatig kan zijn en dat de Nederlandse rechter een veroordeling tot het geven van medewerking kan uitspreken. In dit geval geldt dat de man geen enkel belang heeft om niet mee te werken aan de echtscheiding. Partijen zijn al bijna vijf jaar uit elkaar. Zolang partijen niet gescheiden zijn, kan de vrouw geen nieuw joods huwelijk aangaan. Zij wordt dus ernstig in haar mogelijkheden beperkt (hetgeen ook in strijd kan worden geacht met artikel 8 EVRM). Zij heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering. Alle pogingen van de vrouw om tot een echtscheiding te komen hebben geen doel getroffen. De echtscheiding staat overigens los van een eventuele financiële afwikkeling tussen partijen. Die kan namelijk ook na de echtscheiding nog plaatsvinden.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter is gegeven omdat de medewerking in Amsterdam wordt verlangd en ook de onrechtmatige gedraging in Nederland plaatsvindt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Tijdigheid verzet

4.1.

Allereerst dient te worden beoordeeld of de man het verzet tijdig heeft ingesteld. De termijn voor het instellen van verzet kan op drie momenten aanvangen (zie artikel 143 lid 2 Rv):
1. na betekening in persoon van het verstekvonnis;
2. na een door de gedaagde in persoon gepleegde daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is, en
3. na de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis.
In dit geval staat vast dat de termijn niet is aangevangen op de onder 1 en 3 genoemde momenten. Het verstekvonnis is immers noch betekend, noch ten uitvoer gelegd. Voor beantwoording van de vraag of de verzettermijn op het onder 2 genoemde moment is aangevangen, is allereerst van belang dat voldoende aannemelijk is dat mr. Loonstein het verstekvonnis, met de begeleidende brief van de rechtbank, op 4 juli 2017 naar de man heeft gemaild (naar het adres [e-mailadres] ). Aangenomen mag worden dat de man dit vonnis heeft ontvangen. Dit volgt uit het feit dat hij de begeleidende brief van de rechtbank, die bij de e-mail van 4 juli 2017 was gevoegd, als productie 3 in het geding heeft gebracht. De enkele ontvangst van een e-mail met het vonnis kan echter niet als een daad van bekendheid als bedoeld in lid 2 van artikel 143 Rv worden aangemerkt. Aannemelijk is dat de man niet meteen heeft begrepen wat er in het vonnis stond. Hij heeft niet de Nederlandse nationaliteit en heeft nooit in Nederland gewoond, dus niet kan worden uitgesloten dat hij, zoals hij zelf heeft aangevoerd, de Nederlandse taal niet machtig is. Volgens de vrouw is hij de Nederlandse taal wèl machtig, maar dat heeft zij niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van de vrouw dat de man familie heeft in Nederland is hiertoe onvoldoende. Namens de man is aangevoerd dat hij pas in oktober 2017 een eigen advocaat heeft ingeschakeld die hem de inhoud van het vonnis heeft uitgelegd. Die advocaat heeft vervolgens op 1 november 2017 een verzetdagvaarding uitgebracht. Dat de verzettermijn al vóór oktober 2017 is gestart vanwege een eerdere door de man verrichte ‘daad van bekendheid’ is niet gebleken. De conclusie is dat de man het verzet tijdig heeft ingesteld.

Geldigheid dagvaarding
4.2. Dat de inleidende dagvaarding openbaar is betekend brengt geen nietigheid van die dagvaarding mee, zoals de man heeft betoogd. De raadsman van de man heeft weliswaar gesteld dat de vrouw ervan op de hoogte was waar de man woonde, maar hij heeft deze stelling niet aan de hand van documenten of andere bewijsstukken aannemelijk kunnen maken. Ook in deze verzetprocedure heeft de (raadsman van de) man enkel gesteld in [woonplaats opposant] te wonen, maar geen concreet adres opgegeven. Overigens is ter zitting gebleken dat de inleidende dagvaarding de man niet per e-mail kan hebben bereikt (zoals in het verstekvonnis is opgenomen) omdat de raadsman van de vrouw een typefout heeft gemaakt in het e-mailadres van de man. De e-mail van 6 juni 2017 is immers verzonden naar [e-mailadres] . Dit laat echter onverlet dat de openbare betekening op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Bevoegdheid

4.3.

Vervolgens twisten partijen over de bevoegdheid van de Nederlandse voorzieningenrechter om van dit geschil kennis te nemen. De vrouw voert aan dat het huwelijk in Amsterdam is gesloten en dat de gevraagde medewerking van de man in Amsterdam dient plaats te vinden. Het niet verlenen van medewerking is onrechtmatig, aldus de vrouw, en ook die onrechtmatige gedraging vindt in Nederland plaats. Volgens de man is de voorzieningenrechter niet bevoegd, aangezien de vrouw in [woonplaats geopposeerde] en de man in [woonplaats opposant] woont/verblijft en geen van partijen de Nederlandse nationaliteit heeft. De enige link met de Nederlandse rechtssfeer is dat de informele huwelijksplechtigheid (naar joods kerkelijk recht) in Amsterdam heeft plaatsgevonden. Het officiële huwelijk heeft echter te [woonplaats geopposeerde] plaatsgevonden, aldus de man.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Kennelijk heeft de vrouw beoogd de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te gronden op artikel 6 aanhef en onder e Rv. Hierin is opgenomen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. De gestelde niet-medewerking van de man aan die rabbinale echtscheiding levert volgens de stellingen van de vrouw een onrechtmatige gedraging op die in Amsterdam plaatsvindt. Op basis van die stellingen kan de bevoegdheid worden aangenomen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

Inhoudelijk
4.4. Voorshands kan in dit geding niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de man onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de rabbinale echtscheiding. Gelet op de stellingen van partijen vergt dit een nader onderzoek naar de feiten, waarvoor het kort geding zich niet leent. Partijen hebben tegenstrijdige uitspraken overgelegd van verschillende rabbinale rechtbanken. De man betwist bovendien de exclusieve bevoegdheid van het rabbinaat te Amsterdam om de echtscheiding uit te spreken. Ook kan gezien het door de man gevoerde verweer niet worden uitgesloten dat zijn principiële en financiële argumenten gewicht in de schaal leggen bij de vraag of hij al dan niet onrechtmatig handelt.

Verder is van belang dat de vrouw weliswaar heeft aangevoerd dat zij niet opnieuw in het huwelijk kan treden zolang de echtscheiding niet is uitgesproken, maar dat zij concrete trouwplannen heeft, dan wel zodanig in haar belangen wordt getroffen dat met spoed een voorziening nodig is, is door de man betwist en door de vrouw niet concreet met bewijs onderbouwd. Derhalve kunnen in dit kort geding ook vraagtekens worden geplaatst bij de vraag of zij wel een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van haar vordering, hetgeen in een kort geding is vereist.

De conclusie is dan ook dat het verzet van de man gegrond is.

4.5.

Omdat partijen echtgenoten zijn zullen de proceskosten, zowel in de verstekzaak als in de verzetzaak worden gecompenseerd in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart het verzet van de man tegen het verstekvonnis van 26 juni 2017 (C/13/628724 / KG ZA 17-515) gegrond en weigert alsnog de door de vrouw gevraagde voorzieningen,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten zowel in de verstekzaak als in de verzetzaak in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2017.1

1 type: MV coll: BB