Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:891

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
EA VERZ 16-1353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WNT. Organisatie, vallende onder de WNT, mag in casu salaris van topfunctionaris tijdens de opzegtermijn handhaven op oude bedrag, zonder dat het gekort wordt op de beëindigingsvergoeding. De overeengekomen beëindigingsvergoeding gaat het maximum van de WNT te boven, maar niet dat van de transistievergoeding. Vergoeding van rechtsbijstand komt – boven een bepaald bedrag, uit hoofde van de WNT – wel in mindering op de overeengekomen vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/885
RAR 2017/79
AR-Updates.nl 2017-0182
GZR-Updates.nl 2017-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: ….

vonnis van: 23 januari 2017

fno.: 245

Vonnis van de kantonrechter

op het gezamenlijk verzoek ex artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

de naamloze vennootschap A BV

gevestigd te X

verzoekster 1, nader te noemen: A BV

gemachtigde: mr. L.E.A. van Thiel

en

B.

wonende te Y

verzoekster 2, nader te noemen: B

gemachtigde: mr. R.J. Wybenga

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- het gezamenlijk verzoekschrift van partijen van 3 november 2016, met
- een toelichting van A. BV en een toelichting van B.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaats gevonden op 22 december 2016. Beide partijen hebben het woord gevoerd, A. BV aan de hand van pleitnotities. De kantonrechter heeft vragen gesteld, waarvan aantekeningen zijn gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen.

Tot slot is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1. A. BV is een Nederlandse (zorg)verzekeraar met …. verzekerden.

1.2. B. is sinds 9 oktober 1995 bij (een rechtsvoorgangster van) A. BV in dienst. Haar laatste functie was directeur … (verder: directeur …) .

1.3. A. BV moet worden aangemerkt als een semipublieke instelling waarop het sectorale bezoldigingsregime van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (verder: de WNT) van toepassing is. B. is als directeur … een topfunctionaris in de zin van de WNT.

1.4. Tussen partijen is onenigheid gerezen over het functioneren van B. bij A. BV. Partijen hebben overleg gevoerd over een financiële vertrekregeling voor B., waarbij A. BV als voorwaarde heeft gesteld dat de regeling binnen de grenzen van de WNT toelaatbaar is.

1.5. Op 28 oktober 2016 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd, dat B. per 1 november 2016 haar functie als directeur … neerlegt en dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 juni 2017, tenzij er in de tussentijd een voor B. passende functie voorhanden komt. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst ontvangt B. de wettelijke transitievergoeding van € 226.596,09 bruto, welke vergoeding beide partijen passend achten.

1.6. Daarnaast bepaalt de vaststellingsovereenkomst dat B. met behoud van haar arbeidsvoorwaarden tot het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden zal verrichten in een functie bij C. Die werkzaamheden zijn door A. BV lager ingeschaald dan de werkzaamheden van B. als directeur …. Het verschil is € 1.370,89 bruto per maand (verder het beloningsverschil). B. is ook bij C. aan te merken als een topfunctionaris in de zin van de WNT.

1.7. Tot slot bepaalt de vaststellingsovereenkomst dat A. BV voor een bedrag van
€ 8.000,- (exclusief kantoorkosten en BTW) bijdraagt in B.’s kosten van rechts-bijstand, die zijn gemaakt in verband met de vaststellingsovereenkomst en het voeren van deze procedure.

Gezamenlijk verzoek

2. A. BV en B. zijn overeengekomen om een aantal van de tussen hen gerezen geschillen te laten beslechten door de kantonrechter te Amsterdam, middels een procedure ex artikel 96 Rv. Deze geschillen houden verband met de vraag of bepaalde componenten van de tussen partijen te treffen beëindigingsregeling passen binnen de wettelijke normering zoals bedoeld in de WNT. De bedoelde componenten zijn onder de voorwaarde dat ze passen binnen de WNT, onderdeel van de beëindigings-overeenkomst tussen partijen.

3. A. BV en B. hebben de kantonrechter verzocht uitspraak te doen met betrekking tot de volgende geschilpunten:
Vraag a :
is A. BV op basis van de WNT gerechtigd de door beide partijen als passend aange-merkte ontslagvergoeding (zijnde de wettelijke transitievergoeding) aan B. uit te betalen en, voor het geval deze vraag ontkennend wordt beantwoord, kan de kantonrechter een passende vergoeding vaststellen?
Vraag b :
is A. BV op basis van de WNT gerechtigd met ingang van 1 november 2016 tot uiterlijk 1 juni 2017 het beloningsverschil aan B. uit te betalen?
Vraag c :
in hoeverre is A. BV op basis van de WNT gerechtigd naast de onder vraag (a) genoemde ontslagvergoeding ook de vergoeding voor rechtsbijstand uit te keren?

Standpunten partijen

4. Vraag (a): de transitievergoeding
A. BV voert met betrekking tot vraag (a) aan, samengevat en zakelijk weergegeven, dat het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van haar is uitgegaan. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zijdens B. is geen sprake. De transitie-vergoeding komt voor B. uit op een bedrag van € 226.596,09 bruto, hetgeen minder is dan een jaarsalaris. A. BV en B. vinden dit een redelijke beëindigingsvergoeding.

5. De vraag is volgens A. BV echter of de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW aangemerkt moet worden als een uitkering, die rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Zij acht dat het geval en zij meent dan ook dat zij onder de werking van de WNT gerechtigd zou moeten zijn de door beide partijen als passend aangemerkte transitievergoeding (ad € 226.596,09 bruto) overeen te komen en uit te betalen.

6. B. verwijst harerzijds naar de jurisprudentie met betrekking tot de WNT en de transitievergoeding en met name de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van
13 juni 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:3672) en van de rechtbank Midden Nederland van 17 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3347). Waar in die twee zaken een transitie-vergoeding van boven het maximum van de WNT mocht worden uitgekeerd, is er geen reden om in deze zaak anders te oordelen.

7. Vraag (b): het beloningsverschil

Ten aanzien van vraag (b) voert A. BV aan dat B. in de opzegtermijn, die loopt van 1 november 2016 tot (uiterlijk) 1 juni 2017, met behoud van haar oude arbeids-voorwaarden een tijdelijke functie zal vervullen die qua primaire en secondaire loon-componenten lager is ingeschaald dan de functie directeur …. Bij A. BV rijst de vraag of het beloningsverschil moet worden gekwalificeerd als verkapte ontslagvergoeding en naast de transitievergoeding mag worden uitgekeerd. Nu geen sprake is van verkapte non-activiteit en evenmin van een verkapte ontslagvergoeding, meent A. BV gerechtigd te zijn de eerdere arbeidsvoorwaarden van B., derhalve inclusief het beloningsverschil, te mogen handhaven.

8. Met betrekking tot vraag (b) meent B. dat artikel 2.10 lid 3 WNT niet aan de orde is. De daar bedoelde situatie beoogt ontduiking van de WNT middels een langere door partijen afgesproken periode, waarin de topfunctionaris vooruitlopend op het einde van het dienstverband geen arbeid meer verricht maar wel salaris ontvangt, te voorkomen. Daarvan is in casu geen sprake. B. heeft contre coeur ingestemd met een wijziging van haar functie; niet met een periode van non-activiteit.

9. B. betwist daarbij dat de nieuwe functie bij C. een lagere functie betreft. B. krijgt bij C. … miljoen verzekerden onder zich, terwijl bij A. BV … miljoen verzekerden zijn aangesloten. De functie is niet ingedeeld in het loongebouw bij A. BV. Partijen hebben overeenstemming over twee elementen: er is geen sprake van demotie en de tijdelijk functie van B. is op hetzelfde niveau als haar oude functie als directeur ….

10. Vraag (c): vergoeding rechtsbijstand
A. BV twijfelt of de vergoeding voor rechtsbijstand van B. gekwalificeerd moet worden als “uitkering wegens beëindiging van het dienstverband”, als bedoeld in artikel 3.7 lid 1 WNT. A. BV meent dat de vergoeding voor rechtsbijstand van B. niet op andere wijze behandeld zou moeten worden dan de uitkeringen die worden voldaan tijdens het dienstverband. In overleg met de belastingdienst heeft A. BV het beleid vastgesteld dat kosten voor rechtsbijstand tot € 2.400,00 kunnen worden opgenomen in de vrije ruimte van de (fiscale) werkkostenregeling. Het meerdere mag A. BV - in haar optiek - niet boven de beëindigingsvergoeding aan B. uitkeren.

11. Omtrent vraag (c) heeft B. aangevoerd dat de omstandigheid dat A. BV met de belastingdienst overleg heeft gevoerd over de vrije ruimte binnen de (fiscale) werk-kostenregeling, niet meebrengt dat de vergoeding van rechtsbijstand (boven de
€ 2.400,00) als “uitkering wegens beëindiging van het dienstverband” kwalificeert. De wijze waarop de betaling geschiedt is immers niet doorslaggevend voor de kwalificatie van de vergoeding. Een afspraak met de belastingdienst is daarvoor niet leidend.

12. In onderhavig geval vormt de bejegening van B. door A. BV een grove schending van goed werkgeverschap. Deze schending heeft bij B. tot schade geleid, onder meer bestaande uit de door haar te betalen kosten van rechtsbijstand. Deze kosten hebben geenszins het karakter van een verkapte uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband.

Beoordeling

13. De vragen, die tussen partijen zijn gerezen vloeien voort uit de werking van de WNT, naast die van de WWZ. In dat verband wordt vooraf het volgende overwogen.

13. De WNT is in werking getreden op 1 januari 2013. Tussen partijen is niet in geschil dat B. als topfunctionaris kwalificeert op grond van artikel 1 lid 1 sub b onder 4 WNT en dus onder het toepassingsbereik van de WNT valt. Evenmin is tussen partijen in geschil dat B. uit hoofde van artikel 7:673 jo 7:673a BW recht heeft op een transitievergoeding. Ook de hoogte van de transitievergoeding is tussen partijen niet in geschil. De transitievergoeding van B. beloopt een bedrag dat (ruimschoots) het maximum van de WNT (€ 75.000,00) te boven gaat, doch minder is dan het maximum van artikel 7:673 e.v. BW (voor B.: een jaarsalaris).

13. Ten tijde van de parlementaire behandeling van de WNT, bestond de WWZ nog niet en was er geen met de transitievergoeding vergelijkbaar wettelijk recht. Bij de behan-deling van de WWZ is niet gesproken over de WNT. De wetgever heeft zich kennelijk niet gerealiseerd dat zich een spanning tussen beide wetten zou kunnen voordoen. Dit is nadien in de juridische literatuur ook gesignaleerd (vgl mr M. Benbrahim, Arbeidsrecht 2016/6; Samenloop van vergoedingsregels in de WWZ, de WNT en de Wft). Nadien is slechts beperkt jurisprudentie van lagere rechters over de wisselwerking tussen WNT en WWZ verschenen.

13. De bepalingen uit de WNT (voor zover hier van belang) luiden als volgt:
Artikel 2.10 lid 1:
Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75.000,-.
Artikel 2.10 lid 3:
Voor de toepassing van deze wet wordt bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt aangemerkt als datum waarop het dienstverband beëindigt.

13. Sub i van artikel 1.1 van de WNT bevat de definitie van ‘uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband’ en luidt:
Uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband: de som van uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en beloningen betaalbaar op termijn die betrekking hebben op de beëindiging van het dienstverband, met uitzondering van uitkeringen die voortvloeien uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of een wettelijk voorschrift

13. De op artikel 1.9 WNT gebaseerde Uitvoeringsregeling WNT geeft nadere regels omtrent hetgeen onder de WNT tot de bezoldiging wordt gerekend. Artikel 2 lid 1 aanhef en sub w en y Uitvoeringsregeling WNT luidt:
Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt, voor zover niet in het tweede lid uitgezonderd, in ieder geval tot de bezoldiging in de zin van de wet gerekend:
w. overige vaste en variabele belastbare vergoedingen ter dekking van zakelijke kosten;
y. doorbetaling van de in dit genoemde componenten tijdens ziekte, tijdens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, tijdens een sabbatical, tijdens schorsing van de functionaris hangende een onderzoek en tijdens vakantie;
(….)

13. En lid 2 aanhef en onder e:
Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt in ieder geval niet tot de bezoldiging in de zin van de wet gerekend:
e. vergoedingen en verstrekkingen die als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in zijn aangewezen, waaronder begrepen de gerichte vrijstellingen als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, van die wet en op nihil gestelde verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.7, 3.9 en 3.10 van de uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (werkkostenregeling).

13. Artikel 4 lid 1 van de Uitvoeringsregeling WNT luidt (voor zover van belang):
Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband in de zin van de wet wordt, voor zover niet in het tweede lid uitgezonderd, in ieder geval gerekend:
a. de tussen partijen of de tussen de werkgever en de topfunctionaris overeengekomen vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband;
b. de uitkering van een bedrag ineens of in termijnen uit hoofde van een afvloeiingsregeling;
c. de door de rechter vastgestelde uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, met dien verstande dat de betaling van een door de rechter vastgestelde uitkering die het maximum, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, en 3.7, eerste lid, van de wet overschrijdt, niet onverschuldigd is.
en artikel 4 lid 2:
2. Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband wordt niet gerekend de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband die voortvloeit uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of een wettelijk voorschrift, doch slechts voor zover de uitkering rechtstreeks, dwingend en eenduidig daaruit voortvloeit.

21 Beoordeling (a)

Ten eerste wordt opgemerkt dat de transitievergoeding is verbonden aan de beëindiging van het dienstverband en wettelijk is geregeld in artikel 7:673 e.v. BW. Het is dus een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, die rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Artikel 1 lid 1 sub i WNT zondert deze uitkeringen uit van het toepassingsbereik van de WNT, vanuit de gedachte dat partijen op deze uitkeringen geen invloed kunnen uitoefenen.

22. Daarmee is echter niet gezegd dat cumulatie van deze vergoeding met een additionele tussen partijen overeen te komen vergoeding mogelijk is (zie ook ECLI:NL:RBAMS: 2016:3672). Het is immers de bedoeling van de WNT geweest de tussen partijen overeen te komen vergoedingen bij de beëindiging van het dienstverband in de sectoren bestreken door de WNT, aan banden te leggen. En aangezien de transitievergoeding de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband voor de topfunctionaris compenseert, acht de kantonrechter cumulatie van de transitie-vergoeding en een additionele vergoeding slechts mogelijk, voor zover deze tezamen niet boven het wettelijk maximum als gegeven in de WNT uitkomen.

22. Maar hoewel het partijen in beginsel dus niet vrijstaat naast de transitievergoeding nog een additionele vergoeding bij beëindiging van het dienstverband overeen te komen, wordt de transitievergoeding niet genormeerd door de WNT, in die zin dat de transitievergoeding voor een topfunctionaris onder de WNT nooit meer dan
€ 75.000,00 bruto zou mogen bedragen, ook niet in het geval dat artikel 7:673 jo artikel 7:673a BW tot een hoger bedrag leidt.

22. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt ten aanzien van vraag (a) dan ook dat indien de transitievergoeding op grond van de berekeningsgrondslag neerkomt op een hoger bedrag dan het maximum van artikel 3.7 WNT (€ 75.000,00) maar minder dan het maximum van artikel 7:673 BW (hier een jaarsalaris), A. BV de tussen partijen akkoord bevonden transitievergoeding aan B. mag uitkeren.

25 Beoordeling (b)
Het verbod van artikel 2.10 lid 3 WNT (de non-activiteitsregeling) heeft als doel misbruik en omzeiling van de WNT, door topfunctionarissen met behoud van salaris en vrijstelling van werkzaamheden langer in dienst te houden, tegen te gaan. Daarvan is in casu echter geen sprake. Hier betreft het de wettelijke c.q. contractuele opzegtermijn van B. en is geen periode van non-activiteit overeengekomen of sprake van het ophouden van het vervullen van taken met behoud van loon. Evenmin is sprake van een dusdanig veel lagere functie of zulke beperkte werkzaamheden, dat aanleiding bestaat om te veronderstellen dat partijen trachten het verbod van artikel 2.10 lid 3 WNT te omzeilen.

26. Het vorenstaande impliceert dat A. BV tijdens het vervullen van B. van de functie bij C., haar oude arbeidsvoorwaarden mag handhaven en dat het beloningsverschil ingevolge het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 WNT niet op de transitievergoeding c.q. overeengekomen vergoeding in mindering behoeft te worden gebracht. Dat wordt anders indien B. in de bewuste periode feitelijk geen werkzaamheden voor C. verricht en derhalve ophoudt taken te vervullen. Dan behoudt zij weliswaar haar recht op loon, maar brengt het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 WNT mee dat het aan loon c.a. meetelt als beëindigingsvergoeding, als bedoeld in artikel 2.10 lid 1 WNT.

27 Beoordeling (c)

De vraag komt er in de kern op neer of vergoedingen als die van de kosten van rechtsbijstand van de topfunctionaris, uit hoofde van de WNT toelaatbaar zijn naast de andere vergoeding(en) onder de WNT en/of de Wwz; met andere woorden of vergoeding van deze kosten valt onder de definitie uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, als bedoeld in artikel 2.10 lid 1 WNT.

28. In dit verband wordt overwogen dat het enkele feit dat de bedragen rechtstreeks aan derden - hier de gemachtigde van B. - worden uitbetaald, niet meebrengt dat de uitkeringen niet onder de WNT vallen. De betaling van deze kosten komt immers ten goede aan B., die ze anders zelf zou moeten voldoen.

29. De WNT biedt op de vraag of dit soort uitkeringen naast de beëindigingsvergoeding onder de WNT toelaatbaar zijn geen antwoord. Uit artikel 4 Uitvoeringsregeling WNT volgt al evenmin eenduidig of de vergoedingen gerekend moeten worden tot de uitke-ring bij beëindiging dienstverband. Het zouden immers ook bezoldigingscomponenten kunnen zijn, als tenminste sprake is van overige vaste en variabele belastbare vergoedingen ter dekking van zakelijke kosten als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub w Uitvoeringsregeling WNT.

29. Een redelijke wetstoepassing - mede in het licht van het doel van de WNT - brengt mee dat dit soort vergoedingen, voldaan rond de beëindiging van het dienstverband, niet anders behandeld moeten worden dan soortgelijke uitkeringen gedaan tijdens het dienstverband. Als deze uitkeringen tijdens het dienstverband naast de maximale bezoldiging toegelaten beloningscomponenten zijn, omdat zij vallen onder artikel 2 lid 1 sub w van die regeling (voor zover zij dus niet belast zijn) of onder de uitzondering van artikel 2 lid 2 sub e Uitvoeringsregeling WNT, dan is dat rond beëindiging van het dienstverband niet anders (zie ook ECLI:NL:RBAMS:2016:3672).

29. Geoordeeld wordt aldus dat de bedoelde uitkering niet aangemerkt wordt als een uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband, indien deze tijdens het dienstverband is toegelaten boven de maximale bezoldiging onder de WNT. Of dat hier het geval is en zo ja, tot welk bedrag, kan de kantonrechter niet beoordelen, nu daartoe de noodzakelijke (fiscale) informatie ontbreekt.

BESLISSING

De kantonrechter beantwoordt de aan haar voorgelegde vragen als volgt:

Vraag (a):
Nu de transitievergoeding op grond van de berekeningsgrondslag neerkomt op een hoger bedrag dan het maximum van artikel 3.7 WNT, maar op minder dan het maximum van artikel 7:673 e.v. BW, mag A. BV de tussen partijen akkoord bevonden transitievergoeding aan B. uitkeren.

Vraag (b):
A. BV mag in de periode dat B. de functie bij C. vervult, haar oude arbeidsvoorwaarden handhaven; het beloningsverschil behoeft ingevolge het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 WNT niet op de transitievergoeding c.q. overeengekomen vergoeding in mindering te worden gebracht.

Vraag (c):
De vergoeding van kosten van rechtsbijstand worden niet aangemerkt als een vergoeding bij beëindiging van het dienstverband, indien deze tijdens het dienstverband boven de maximale bezoldiging toegelaten beloningen zijn onder de WNT.

Aldus gewezen door mr. M V Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter