Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8906

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhavingsverzoek wegens opslag houtskool in woonblok, verweerder heeft onjuiste uitleg aan bestemmingsplan gegeven.

Handhavingsverzoek wegens opslag houtskool in woonblok. Verweerder heeft een onjuiste uitleg gegeven aan het bestemmingsplan, opsomming van verboden gebruik is niet limitatief. Verweerder was bevoegd om handhavend op te treden, beroep gegrond.

In de overwegingen ten overvloede stelt de rechtbank vast de wetgever heeft verzuimd de verwijzing naar het vervallen artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer in het Bor aan te passen, maar dat hiervoor in de plaats een verwijzing naar de CLP-verordening moet worden gelezen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de opslag van houtskool niet kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/659
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/7717

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.J. van Rijn),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: drs. J. Niesten).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van [eiseres] om handhavend op te treden tegen de opslag van houtskool op de locatie [adres] te Amsterdam afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam] en [naam] .

Overwegingen

1. De regelgeving die van toepassing is, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. [eiseres] is woonachtig op de [locatie] van de [adres] te [woonplaats] . De [locatie] van het pand op dit adres wordt gebruikt voor de opslag van houtskool. Op 22 februari 2016 heeft [eiseres] verweerder verzocht handhavend op te treden tegen deze houtskoolopslag, omdat volgens haar sprake is van een brandonveilige situatie.

3. Verweerder heeft het verzoek tot handhaving afgewezen. Op basis van de waarnemingen van toezichthouders en een advies van de brandweer heeft verweerder geconcludeerd dat de houtskool geen gevaarlijke of licht ontvlambare stof is en de opslag voldoet aan de brandveiligheidseisen. Er is volgens verweerder geen sprake van een overtreding zodat er geen mogelijkheid tot handhaven bestaat.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering. Verweerder stelt zich op het standpunt dat houtskool geen brandgevaarlijke stof zoals bedoeld in artikel 7.6 van het Bouwbesluit is. De ruimte waarin de houtskool wordt opgeslagen, voldoet aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen ten aanzien van compartimentering.

5. [eiseres] voert, kort gezegd, aan dat de houtskoolopslag in strijd is met artikel 3.3. van het bestemmingsplan “ [naam] ”, artikel 7.6 van het Bouwbesluit en de zorgplicht uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verweerder had daarom handhavend op moeten treden.

Het oordeel van de rechtbank

6. De vraag die de rechtbank moet beoordelen, is of verweerder juist heeft vastgesteld dat er geen bevoegdheid tot handhaving is omdat de opslag van houtskool niet in strijd is met wet- en regelgeving, in het bijzonder de door [eiseres] genoemde wet- en regelgeving.

Het bestemmingsplan

7.1.

De rechtbank beoordeelt allereerst of de opslag van houtskool op de locatie [adres] in strijd is met het voor die locatie geldende bestemmingsplan. De rechtbank stelt daartoe vast dat voor deze locatie het bestemmingsplan “ [naam] ” geldt. Op grond van dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming ‘Wonen 4 (W4)’. Op grond van artikel 2.4, onder c, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming voor wat betreft de eerste bouwlaag bestemd voor onder meer bedrijven. Op grond van artikel 3.3 van de planvoorschriften bij dit bestemmingsplan mag, voor zover bebouwing mag worden gebruikt voor bedrijven, dit slechts voor bedrijven die staan vermeld op de bij het bestemmingsplan behorende “Staat van inrichtingen” en vallen onder categorie I of II van die staat. Tussen partijen is niet in geschil dat de opslag bedrijfsmatig is en dat houtskoolopslag niet staat vermeld op de “Staat van inrichtingen”. Partijen verschillen van mening over de vraag of daarmee sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

7.2.

Verweerder verwijst naar artikel 3.2 van de planvoorschriften dat ziet op verboden gebruik van gronden en bebouwing. Op grond van dat artikel is de opslag van houtskool niet verboden, zo stelt verweerder. Volgens verweerder geeft de “Staat van inrichtingen” geen volledige opsomming van alle toegestane bedrijven en kan deze worden aangevuld. Omdat de opslag van houtskool niet is verboden op grond van artikel 3.2, concludeert verweerder dat het gebruik als zodanig is toegestaan.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een verkeerde uitleg geeft aan het bestemmingsplan. Anders dan verweerder veronderstelt, bevat artikel 3.2, tweede lid, van de planvoorschriften geen limitatieve opsomming van vormen van verboden gebruik. Dat de houtskoolopslag niet is genoemd als verboden gebruik in artikel 3.2, tweede lid, maakt dus niet dat het niet verboden is. Op grond van artikel 3.3 van de planvoorschriften is het gebruik voor bedrijven die niet op de “Staat van inrichtingen” staan vermeld, niet toegestaan. De opslag van houtskool staat niet vermeld op de huidige “Staat van inrichtingen”. Weliswaar biedt het tweede lid van artikel 3.3 van de planvoorschriften verweerder de mogelijkheid een vrijstelling te verlenen, maar niet is gebleken dat verweerder dat heeft gedaan. Daarmee is het gebruik van de bedrijfsruimte aan de [adres] te [woonplaats] in strijd met het bestemmingsplan. Nu voor dat gebruik geen omgevingsvergunning is verleend, is sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

7.4.

Uit de vaststelling dat sprake was van een overtreding volgt tevens dat verweerder bevoegd was hiertegen op te treden. Verweerder heeft zich dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat handhaving niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een overtreding. Het beroep is om die reden al gegrond. De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2009, LJN: BH4646) volgt dat de bevoegdheid tot handhaving in beginsel ook een verplichting tot handhaving met zich meebrengt. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag verweerder weigeren van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik te maken.

Verdere overwegingen van de rechtbank

8. Omdat uit het voorgaande al volgt dat het beroep gegrond is, is een beoordeling van de overige beroepsgronden strikt genomen niet noodzakelijk. Met het oog op een finale beslechting van het geschil, wil de rechtbank echter ook de volgende overwegingen aan verweerder meegeven.

Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit)

9.1.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met de zorgplicht die is opgenomen in artikel 2.1. van het Activiteitenbesluit. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de houtskoolopslag niet kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de milieuwet (de rechtbank begrijpt: de Wet milieubeheer) waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is. De opslag is weliswaar bedrijfsmatig, maar wordt volgens verweerder niet genoemd in een van de categorieën in bijlage I bij het Besluit Omgevingsrecht (Bor).

9.2.

[eiseres] heeft een deskundigenrapport ingebracht van [naam] van 8 september 2017 waarin uiteen is gezet dat houtskool kan worden ingedeeld in klasse 4.2 van het Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (ADR). Dit betreft de klasse van stoffen die vatbaar zijn voor zelfontbranding. Uit het deskundigenrapport volgt tevens dat onderzoek naar het zelfopwarmingsgedrag van houtskool ertoe kan leiden dat een vrijstelling van deze klasse-indeling plaatsvindt. Op de zitting heeft de opsteller van het rapport, [naam] , toegelicht dat daarvoor stof specifiek onderzoek dient te worden verricht. Van een dergelijk onderzoek is in dit geval niet gebleken, zodat houtskool automatisch in klasse 4.2 van de ADR wordt ingedeeld.

9.3.

Bovenstaande conclusies uit het deskundigenrapport worden door verweerder niet bestreden. Op de zitting heeft verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat houtskool kan worden ingedeeld in klasse 4.2.

9.4.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4.1 van bijlage I bij het Bor als inrichtingen in categorie 4 worden aangewezen:

“Inrichtingen voor het […] opslaan van stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.”

De rechtbank stelt vast dat artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer met ingang van 1 juni 2015 is komen te vervallen. Tot die datum werd in dit artikel onder meer de categorie ‘licht ontvlambaar’ onderscheiden. Uit artikel 2, eerste lid, sub d, 1° van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten (Besluit) volgt dat deze categorie onder meer stoffen en preparaten omvat die:

“bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kunnen stijgen en tenslotte kunnen ontbranden […]”.

Uit de Memorie van Toelichting bij de wetswijzing waarmee artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer is komen te vervallen (Kamerstuk 31894, nummer 3) blijkt dat met de wetswijzing is voorzien in de uitvoering van Verordening nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (de CLP-verordening). In de artikelsgewijze toelichting staat vermeld dat met het van kracht worden van de CPL-verordening, artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer vervalt en verwijzingen naar dit artikel komen te vervallen of worden vervangen door een verwijzing naar de CLP-verordening. De rechtbank stelt vast dat de wetgever heeft verzuimd de verwijzing naar artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer in het Bor aan te passen. Gelet op de toelichting, in samenhang met het kennelijke doel van 4.1 van bijlage I bij het Bor, gaat de rechtbank er echter vanuit dat in plaats van de verwijzing naar het vervallen artikel een verwijzing naar de CPL-verordening moet worden gelezen. De in artikel 2, eerste lid, van het Besluit genoemde criteria gelden nog steeds.

9.5.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opslag van houtskool niet valt onder categorie 4 van het Bor. Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank moeten beoordelen of houtskool op grond van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer dan wel de CPL-verordening kan worden ingedeeld. Verweerder kon daarbij niet volstaan met de enkele verwijzing naar het advies van de brandweer, omdat daaruit niet blijkt dat stof specifiek onderzoek naar het zelfopwarmingsgedrag van de houtskool is verricht.

9.6.

Uit het oordeel van de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opslag van houtskool niet kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, volgt dat ook verweerders standpunt dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is onvoldoende is onderbouwd. Indien de opslag van houtskool kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, is het Activiteitenbesluit op de houtskoolopslag van toepassing. Verweerder dient dan te onderzoeken of sprake is van strijd met de zorgplicht in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit.

Het bouwbesluit

10.1.

Artikel 7.6, eerste lid, van het Bouwbesluit verbiedt de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen als bedoeld in de tabel horende bij dat artikel. De rechtbank stelt vast dat in deze tabel onder meer de stoffen met ADR-klasse 4.2 worden genoemd. Zoals hiervoor in 9.2. en 9.3. is overwogen, valt de houtskool in deze klasse. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het verbod slechts zou zien op de stoffen die in de tweede kolom van de tabel in woorden staan omschreven. Het gebruik van het woord ‘zoals’ in de tabel geeft immers aan dat niet is bedoeld een limitatieve opsomming te geven. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het verbod in het eerste lid ziet op alle stoffen uit klasse 4.2 zoals vermeld in de tabel.

10.2.

Uit artikel 7.6, derde lid, aanhef en onder f, van het Bouwbesluit volgt dat het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wabo is toegestaan. Met deze bepaling heeft de wetgever zeker gesteld dat voor dergelijke stoffen uitsluitend de Wet milieubeheer en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.

10.3

Dit betekent dat verweerder ook in dit kader moet beoordelen of de opslag van houtskool kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en of deze opslag op grond daarvan is toegestaan. Indien de aanwezigheid van houtskool op grond van de algemene regels in het Activiteitenbesluit is toegestaan of op grond van de Wabo kan worden vergund, is het verbod krachtens artikel 7.6, eerste lid, van het Bouwbesluit niet van toepassing.

Conclusie

11. De houtskoolopslag is in strijd met het bestemmingsplan en verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd is om tot handhaving over te gaan. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13.1.

De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door [eiseres] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

13.2

De rechtbank veroordeelt verweerder op grond het Bbp ook tot vergoeding van de kosten die [eiseres] voor het inschakelen van een deskundige, [naam] , heeft gemaakt. Verweerder hoeft alleen de kosten te betalen die naar het oordeel van de rechtbank redelijk zijn. [eiseres] heeft twee facturen van [naam] overgelegd, met een totaal bedrag van € 2.904,- (€ 1.815,- voor het opstellen van een deskundigen rapport en € 1.089,- voor het verschijnen ter zitting). In de facturen is niet gespecificeerd hoeveel uren [naam] in rekening heeft gebracht. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 15 uur (inclusief zitting) voor deze zaak redelijk. Dat zou uitkomen op een uurtarief van € 193,60. De rechtbank gaat echter uit van een maximaal voor vergoeding in aanmerking komend tarief van € 116,09, uitgaande van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb in samenhang met artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken. Verweerder moet daarom een bedrag van (15 x € 116,09 =) € 1741, 35 aan [eiseres] vergoeden.

13.3

Het totaal van de door verweerder aan [eiseres] te vergoeden proceskosten komt daarmee op (€ 990,- + € 1.741,35 =) € 2.731,35.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan [eiseres] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 2.731,35.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mr. A.W.C.M. van Emmerik en mr. J.M.R. Vastenburg, leden, in aanwezigheid van mr. L.M.M. Schenk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

De griffier is buiten staat voorzitter

om te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Bestemmingsplan [naam]

Artikel 2.4 Wonen 4 (W4)

1. De op de plankaart voor “Wonen 4 (W4) aangewezen gronden zijn wat betreft de eerste bouwlaag bestemd voor:

(…);

c. bedrijven;

(…).

Artikel 3.2 Algemene gebruiksvoorschriften

1. Het is verboden de in het bestemmingsplan begrepen gronden en de zich daarop

bevindende bebouwing te gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming of de daarbij behorende voorschriften.

2. Onder verboden gebruik als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval begrepen het

gebruik van gronden en/of bebouwing ten dienste van:

[…]

b. inrichtingen en bedrijven die worden begrepen in artikel 2.4 van het “Inrichtingen

en vergunningenbesluit” (Stbl. '93, nr. 50).

[…]

Artikel 3.3 Toegelaten bedrijven

1. Voor zover op gronden mag worden gebouwd en gronden en/of bebouwing mogen

worden gebruikt ten behoeve van bedrijven, mag dit slechts:

a. voor bedrijven die in de van deze voorschriften deel uitmakende "Staat van

inrichtingen" vallen onder categorie I of II;

[…]

2. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een bedrijf dat:

a. niet in de Staat van inrichtingen voorkomt en in vergelijking met bedrijven die vallen onder de categorieën I en II geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu;

[…]

Wabo

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (…).

Wet milieubeheer

Artikel 1.1

[…]

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. […]

Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer

Artikel 2.1

2.1.1

Degene die een inrichting drijft en eet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het werking zijn dan wel al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Bor

Artikel 2.1 (Inrichting)

1. Als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

Bor bijlage I, onderdeel C, categorie 4

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:

a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

[…]

Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen

Artikel 2

1. De criteria volgens welke een stof moet worden ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, zijn voor de onderscheidene categorieën als volgt:

[…]

d. licht ontvlambaar: stoffen en preparaten die:

1°. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kunnen stijgen en tenslotte kunnen ontbranden;

2°. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kunnen ontbranden en na verwijdering van de ontstekingsbron blijven branden of gloeien;

3°. in vloeibare toestand, een zeer laag vlampunt hebben, of

4°. bij aanraking met water of vochtige lucht, zeer licht ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelen;

[…]

Bouwbesluit

Artikel 7.6 Brandgevaarlijke stoffen:

1. In, op of nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 7.6 aanwezig.

[…]

3 Het eerste lid is niet van toepassing op:

[…]

f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wabo is toegestaan.

[…]

Tabel 7.6 Brandgevaarlijke stoffen

[…]

ADR-klasse

omschrijving

verpakkingsgroep

toegestane maximum hoeveelheid1 in kg of l

4.1, 4.2, 4.3

4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

II en III

50