Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8812

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
13/751795-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overleveringsverzoek Polen, tussenuitspraak, nadere informatie vereist omtrent artikel 12 OLW: heeft een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat in de procedure in hoger beroep ter terechtzitting de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751795-17

RK-nummer: 17/5806

Datum uitspraak: 14 november 2017

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 september 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2010 door the District Court in Zamość, Second Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 oktober 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een beslissing on temporary arrest van the Regional Court in Hrubieszów van 23 mei 2007, met kenmerk (II Kp. 144/07 en) Ds. 338/07/S.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

In het EAB wordt tevens melding gemaakt van:

  • -

    een vonnis van the Regional Court in Hrubieszów van 28 juni 2006, met kenmerk IV K 1014/05;

  • -

    een vonnis van the Regional Court in Hrubieszów van 8 november 2006, met kenmerk IV K 484/06.

De overlevering wordt derhalve ook verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar (IV K 1014/05) en 1 jaar en 8 maanden (IV K 484/06), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Het EAB betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat na het vonnis van the Regional Court in Hrubieszów van 28 juni 2006 (IV K 1014/05) de court-appointed defense counsel van de opgeëiste persoon in hoger beroep is gegaan en dat de opgeëiste persoon bij de procedure in hoger beroep niet aanwezig is geweest.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting van 31 oktober 2017 verklaard dat hij bij de procedure in eerste aanleg tegen zijn toegevoegde raadsman heeft gezegd dat de advocaat in hoger beroep moest gaan. De opgeëiste persoon heeft daarna Polen verlaten en stelt niets meer te hebben vernomen van het verloop of de uitkomst van de procedure in hoger beroep.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, nu uit de verklaring van de opgeëiste persoon kan worden afgeleid dat de raadsman gemachtigd was in de hoger beroep-procedure. Bovendien kan uit het feit dat de uitspraak in hoger beroep aan de Poolse raadsman is toegezonden, worden afgeleid dat die advocaat ook daadwerkelijk de verdediging in hoger beroep heeft gevoerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op basis van artikel 12 OLW, nu de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep. Bovendien lijkt de zaak in hoger beroep ook te zijn afgedaan in afwezigheid van de raadsman van de opgeëiste persoon. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aanhouding van de behandeling teneinde nadere informatie te verkrijgen over de gang van zaken in hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat – omdat de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis in hoger beroep heeft geleid – onderzocht moet worden of de situatie van artikel 12 sub b OLW zich thans voordoet, te weten dat:

de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd.

Uit de thans beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld of inderdaad sprake is geweest van een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat die ter zitting in hoger beroep de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval nog niet worden afgeleid uit het toezenden van de uitspraak in hoger beroep aan de advocaat van de opgeëiste persoon.

De rechtbank ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te gaan of de gang van zaken in hoger beroep van het vonnis met kenmerk IV K 1014/05 voldoet aan de criteria van artikel 12 sub b OLW.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat – in de procedure in hoger beroep van het vonnis van the Regional Court in Hrubieszów van 28 juni 2006 (IV K 1014/05) – ter terechtzitting de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd.

BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en een tolk Pools tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 november 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.