Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8801

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
13/993134-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geldboete van 50.000 euro voor bedrijf dat te weinig omzetbelasting aangaf. Verweer dat verdachte mocht afgaan op haar belastingadviseur en zij dus niet opzettelijk heeft gehandeld, verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-12-2017
FutD 2017-3080 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/993134-16

Datum uitspraak: 8 november 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd op het adres [adres te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.J. Dontje, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, [persoon 1] , en haar raadsman, mr. M.E. van der Werf, naar voren hebben gebracht.

1.3.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig behandeld met de zaak tegen verdachte [persoon 1] (13/993137-15)

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2013 tot en met 31 januari 2014 te Amsterdam en/of Apeldoorn en/of Zaandam en/of Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting t.n.v. [verdachte] . over het/de tijdvak(ken):

  • -

    1e kwartaal 2013 (DOC-031, p. 5) en/of,

  • -

    2e kwartaal 2013 (DOC-031, p. 6) en/of,

  • -

    3e kwartaal 2013 (DOC-031, p. 7) en/of,

  • -

    4e kwartaal 2013 (DOC-031, p. 8),

(gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst ingeleverde (elektronische) aangiftebiljet(ten) over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te laag omzetbedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan omzetbelasting opgegeven, zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of terwijl dat/die feit(en) er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode over de in de tenlastelegging genoemde kwartalen onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan.

4.2.

Een belastingaangifte die onjuist of onvolledig is gedaan, levert pas een strafbare overtreding van artikel 69, tweede lid, AWR op als die opzettelijk is gedaan. De vraag is dus of kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften heeft ingediend.

4.3.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan en daarom zou moeten worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In zijn arrest van 13 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2586) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen, is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat hij – al dan niet op grote schaal – gebruik maakt van de desbetreffende regeling”. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 februari 2017 (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:127) daaraan toegevoegd dat dit uitgangspunt ook geldt voor zover het gaat om “betrekkelijk eenvoudige formele voorwaarden”. In zijn arrest van 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1611 heeft de Hoge Raad een en ander nog eens bevestigd. Er was gelet op de deskundigheid van zijn boekhouder en belastingadviseur, aan wiens zorgvuldige taakvervulling (de bestuurder van) verdachte niet behoefde te twijfelen, en eerdere praktijk, geen reden voor verdachte te twijfelen aan zijn aanname dat verdachte zijn belastingaangifte kon laten doen zoals hij heeft gedaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het doen van onjuiste belastingaangifte ontbreekt, aldus de raadsman.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De desbetreffende overweging van de belastingkamer van de Hoge Raad is hier niet van toepassing. Het gaat in deze zaak niet om een fiscale kwestie waarin verdachte geen gelijk heeft gekregen maar om het bewust geven van een verkeerde voorstelling van zaken. Uit onder meer de verklaring van de bestuurder van verdachte blijkt dat hij niet slechts is afgegaan op het advies van zijn belastingconsulent, maar dat hij wist dat telkens opzettelijk te lage omzetbelasting werd aangegeven. De bestuurder van verdachte heeft ter zitting hierover zakelijk weergegeven onder meer het volgende verklaard: Mijn bedrijf ( [verdachte] ) is in korte tijd enorm gegroeid. Er gingen in de beginjaren veel facturen de deur uit, maar op het moment dat de Belastingdienst moest worden betaald, waren de facturen nog niet voldaan en kon de Belastingdienst dus nog niet worden betaald, dan werd er wat geschoven. Aan het eind van het jaar, wanneer het boekjaar wordt opgemaakt, zou alles worden gecorrigeerd en door middel van het indienen van suppletieaangiftes worden rechtgetrokken.

[persoon 2] , die werkzaam was bij [administratiekantoor] , het administratiekantoor dat de boekhouding van verdachte deed, verzorgde vanaf het tweede kwartaal van 2013 de belastingaangifte van verdachte. [persoon 2] heeft verklaard dat het vermoeden van de Belastingdienst dat de periodieke aangiften omzetbelasting in 2013 in opdracht van verdachte structureel zijn verlaagd juist is.

Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte opzet heeft gehad op het (laten) doen van onjuiste aangiften. Het voornemen om bij een suppletieaangifte de juiste omzet te vermelden doet aan deze conclusie niet af, nu de suppletieaangifte niet is bedoeld voor het oplossen van liquiditeitsproblemen van ondernemers, en bovendien de strafbare feiten reeds waren voltooid (Rechtbank Amsterdam 12 april 2017 - ECLI:NL:RBAMS:2017:2415).

4.5.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank niet alleen af dat verdachte opzettelijk onjuiste belastingaangifte heeft gedaan, maar tevens dat zij dit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan.

4.6.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 25 april 2013 tot en met 31 januari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, telkens opzettelijk, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting t.n.v. [verdachte] . over de tijdvakken:

  • -

    1e kwartaal 2013 en,

  • -

    2e kwartaal 2013 en,

  • -

    3e kwartaal 2013 en,

  • -

    4e kwartaal 2013,

onjuist heeft gedaan, immers hebben verdachte en haar mededader(s) opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingeleverde elektronische aangiftebiljetten over genoemde tijdvakken telkens een te laag bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 75.000,00. In de zaak tegen de directeur van verdachte heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van tweehonderdveertig uren geëist.

8.2.

De raadsman heeft voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen het volgende aangevoerd. Verdachte heeft altijd gesuppleerd. Er is geen nadeel voor de fiscus omdat uiteindelijk alles is betaald. Verdachte en haar directeur, die 100% aandeelhouder is, zijn één. Als verdachte wordt bestraft wordt haar directeur ook bestraft en andersom. Er zou kunnen worden volstaan met het opleggen van een geldboete aan verdachte en in de zaak tegen haar directeur met een rechterlijk pardon (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).

8.3.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.4.

Toen verdachte aangifte omzetbelasting over 2013 moest doen heeft zij telkens in verband met liquiditeitsproblemen te weinig omzetbelasting aangegeven. Zij heeft zich aldus schuldig gemaakt aan belastingfraude en de Staat benadeeld voor een bedrag van ruim € 370.000,00.

8.5.

Door deze handelwijze heeft verdachte het vertrouwen, dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad. De strafbaarstelling van belastingfraude beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van ondernemingen die wel eerlijk belasting betalen. Belastingfraude kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlandse bedrijven. De handelingen van verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het onbestraft laten van belastingfraudeurs kan ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen.

8.6.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen dat zij alsnog aan haar verplichtingen heeft voldaan zodat uiteindelijk de Staat uiteindelijk niet door haar is benadeeld en dat verdachte blijkens haar strafblad van 22 augustus 2017 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

8.7.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 50.000,00 passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00 (vijftigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.T. Hylkema, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 november 2017.

De jongste rechter is buiten staat

dit verkort vonnis mede te ondertekenen.