Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8703

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
13/665272-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige man moet de cel in voor het verhandelen van harddrugs, maar vooral voor het mishandelen en bestelen van een van zijn klanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665272-17 (Promis)

Datum uitspraak: 28 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats ] ,

thans gedetineerd in “Justitieel Complex [naam JC] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.
W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Çakar, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in/of omstreeks de periode van 22 juli 2017 tot en met 9 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd (aan onder andere [slachtoffer] en/of [naam 1] en/of één of meerdere tot op heden onbekend gebleven koper(s)), een of meerdere (gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een spaarpot en/of een geldbedrag en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met dat opzet

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft getoond aan die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- met dat mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp stekende/snijdende bewegingen heeft gemaakt in de hals van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- de woorden heeft uitgesproken dat hij, verdachte, die [slachtoffer] zou neersteken en/of zou doodsteken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich in de periode van 22 juli 2017 tot en met 9 augustus 2017 schuldig heeft gemaakt aan handel in verdovende middelen. De officier van justitie heeft dit gebaseerd op de tapgesprekken, de processen-verbaal over de modus operandi van de drugslijn van ‘ [naam 2] ’ en de identificatie van de afnemers, de observatie van 9 augustus 2017 en een aantal getuigenverklaringen, waaruit is gebleken dat meerdere getuigen al langer verdovende middelen van verdachte kochten en dat zij hem herkenden op een foto. Deze getuigen hadden het over cocaïne en heroïne.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld uit de woning van [slachtoffer] . In haar aangifte heeft [slachtoffer] verklaard dat zij verdachte heeft gebeld om drugs te bestellen en dat hij bij haar thuis kwam. Snel hierna zette verdachte een mes op haal keel en dreigde hij haar dood- en neer te steken. Ook nam hij haar spaarpot, geld uit haar portemonnee en haar telefoon weg. Aangeefster heeft verdachte herkend bij het zien van zijn foto en ook ter terechtzitting wijst zij verdachte aan als de dader. Verder bevat het dossier een proces-verbaal van de zendmasten, die de verklaring van aangeefster ondersteunen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon waarop aangeefster haar dealer heeft gebeld, de telefoon was die verdachte op 12 juli 2017 bij zich had. De verklaring van verdachte is tegenstrijdig met de bevindingen in het dossier en daarmee leugenachtig.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitnota, verzocht verdachte van beide ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte de telefoon in de ten laste gelegde periode heeft gebruikt. Verdachte heeft ontkend zijn stem te herkennen in de tapgesprekken, waardoor de inhoud hiervan niet voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn tegenstrijdig aan elkaar en ook [naam 1] heeft een tegenstrijdige verklaring afgelegd, waardoor op basis van deze verklaringen niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Daarnaast bevat het dossier geen aanknopingspunten voor medeplegen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat de herkenning en de aangifte van [slachtoffer] niet betrouwbaar zijn, omdat zij tien dagen heeft gewacht met het doen van aangifte en de herkenning pas op 10 augustus 2017 heeft plaatsgevonden. Daarbij kan aangeefster zich hebben vergist bij de herkenning van verdachte, nu zij drugsgebruiker is en wellicht onder invloed was of veel stress had op het moment dat zij werd overvallen. Bovendien had verdachte bij twee van de eerdere bezoeken een helm op. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat verdachte krullen had, maar deze heeft hij niet. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de fotoconfrontatie van de politie niet voldoet aan de 50 regels van Wagenaar, omdat aan aangeefster en de getuigen slechts één foto van verdachte is getoond.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht de diefstal met geweld jegens [slachtoffer] bewezen.

In haar aangifte heeft aangeefster verklaard dat zij op 12 juli 2017 in haar woning aan de [adres 1] is overvallen door haar dealer. Zij heeft verklaard dat zij rond 23.45 uur drugs heeft besteld bij een man die zij kende als [naam 2] . Deze man zei dat hij eraan zou komen en belde een paar minuten later aan. Aangeefster heeft verklaard dat zij de man die haar woning binnenkwam herkende als [naam 2] . Toen aangeefster haar portemonnee pakte, zag zij dat [naam 2] dicht bij haar kwam staan en voelde zij iets scherps in haar nek prikken. Zij hoorde hem zeggen “Ik steek je, ik steek je, ik steek je dood”. Vervolgens zag aangeefster dat [naam 2] naar haar spaarpot liep, waar 400 euro in zat, en dat hij deze en haar telefoon, een Samsung Galaxy S5 Neo, meenam. Zij zag toen dat [naam 2] een mes in zijn handen had. Tijdens de overval heeft [naam 2] het briefgeld uit haar portemonnee meegenomen. Aangeefster heeft verklaard dat de wond in haar nek twee uur na het incident nog bloedde. De aangifte wordt ondersteund door de letselverklaring van 26 juli 2017, waaruit is gebleken dat aangeefster een snijwond in haar nek had en dat het geconstateerde letsel goed kan passen bij de door aangeefster opgegeven toedracht. Op 10 augustus 2017 is aangeefster een foto getoond van verdachte, waarbij zij heeft verklaard dat dit de man was die haar had overvallen en dat zij hem kende als [naam 2] .

Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft overvallen. Zij zou hem hebben verward met iemand anders. De rechtbank passeert dit verweer op grond van de navolgende omstandigheden. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat zij haar dealer op 12 juli 2017 heeft bereikt op het telefoonnummer [nummer 1] . Uit het onderzoek naar de telefoon van aangeefster is gebleken dat het laatste contact was geregistreerd om 23.54 uur en dat dit een inkomende sms van [nummer 1] was. Toen verdachte op 9 augustus 2017 is aangehouden, zijn in diens de fouillering twee telefoons aangetroffen, een Nokia 220, voorzien van een simkaart met telefoonnummer [nummer 1] en een Iphone 7, voorzien van een simkaart met telefoonnummer [nummer 2] . De raadsvrouw heeft betoogd dat het telefoonnummer [nummer 1] tijdens het ten laste gelegde mogelijk aan een andere telefoon gekoppeld was. Onderzoek naar de bij verdachte aangetroffen Nokia heeft uitgewezen dat de telefoon was voorzien van IMEI-nummer [Imei-nummer 1] . Een uniek IMEI-nummer bestaat uit veertien cijfers en kan slechts aan één toestel worden gekoppeld, in dit geval de Nokia. In deze Nokia zat een simkaart met telefoonnummer [nummer 1] . Uit het telecommunicatie-onderzoek is gebleken dat de Nokia voorzien van de simkaart met het telefoonnummer [nummer 1] in de periode van 30 juni 2017 tot en met 3 augustus gekoppeld was aan IMEI-nummer [Imei-nummer 2] . Dat dit laatste IMEI-nummer uit vijftien cijfers bestaat, heeft te maken met de omstandigheid dat het vijftiende cijfer een softwarematig getal, dat niets veranderd aan de uniekheid van het IMEI-nummer van het toestel dat uit veertien cijfers bestaat.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de bij verdachte aangetroffen Nokia de telefoon is waar door aangeefster op 12 juli 2017 verdovende middelen zijn besteld. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw. De historische gegevens van de Nokia hebben uitgewezen op welk tijdstip het toestel, welke zendmast aanstraalde. De zendmast Plesmanlaan [nr] wordt aangestraald op het moment waarop de gebruiker van de Nokia in zijn gesprekken of berichten aangeeft thuis te zijn. Verdachte staat ingeschreven op de [adres] te [woonplaats ] .

Het adres van de ouderlijke woning van verdachte is [adres ouderlijke woning] te [plaats] . Uit de historische gegevens is gebleken dat de gebruiker van de Nokia om 23:54:45 in de buurt van de Plesmanlaan [nr] was en dat de telefoon van 00:17:12 tot en met 00:35:00 de zendmast Apollolaan [nr] aanstraalde. De rechtbank constateert dat de zendmast Apollolaan [nr] vlakbij de woning van aangeefster is gelegen. Uit de bevindingen van de historische telecomgegevens van de Iphone 7 is gebleken dat dit toestel om 23:29 uur de zendmast aan de Parnassusweg [nr] aanstraalde en om 23:59 uur de zendmast aan de Cornelis Krusemanstraat [nr] . De rechtbank constateert dat de zendmast aan de Parnassusweg [nr] in de nabijheid van de woning van verdachte aan de [adres] ligt en dat de zendmast aan de Cornelis Krusemanstraat [nr] in de nabijheid van de woning van aangeefster ligt. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij niet meer weet waar hij rond 23:45 uur was op 12 juli 2017 en dat hij de Nokia op dat moment niet in zijn bezit had. Voornoemde telecomgegevens bevestigen naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte de gebruiker van het Nokia-toestel is geweest.

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar, te meer omdat deze (mede) worden ondersteund door de letselverklaring en de historische gegevens van de bij verdachte aangetroffen telefoons. De rechtbank overweegt dat slechts één foto aan aangeefster is getoond, maar dat aan deze opsporingsconfrontatie beperkte bewijskracht toekomt. Verdachte heeft verklaard dat iemand anders op 12 juli 2017 de telefoon in zijn bezit had, maar heeft deze stelling vervolgens niet onderbouwd. De verklaringen die hij bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft afgelegd over de telefoon zijn tegenstrijdig. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat de Nokia die op 9 augustus 2017 bij verdachte is aangetroffen voorzien was van hetzelfde telefoonnummer en IMEI-nummer als de telefoon waarmee aangeefster op 12 juli 2017 contact heeft gehad. Voorts ondersteunen de gegevens van de zendmasten de verklaring van aangeefster dat verdachte rond 23.54 uur bij haar in de buurt was. Tot slot heeft aangeefster zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij verdachte heeft herkend als degene die haar heeft overvallen. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig, stelt deze terzijde en acht het onder 2 ten laste gelegde bewezen.

4.3.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte cocaïne heeft verkocht en afgeleverd aan onder andere [naam 1] en meerdere kopers.

Naar aanleiding van de overval van 12 juli 2017 is een tap aangesloten op het telefoonnummer [nummer 1] in de periode van 22 juli 2017 tot en met 9 augustus 2017. Aangeefster heeft verklaard dat zij vaker op dit telefoonnummer verdovende middelen bij haar dealer bestelde. Ook is gebleken dat het laatste contact op de telefoon van aangeefster een inkomende sms van dit nummer was op 12 juli 2017 om 23.54 uur. De rechtbank heeft reeds geconstateerd dat de bij verdachte aangetroffen Nokia met een simkaart met het telefoonnummer [nummer 1] voorzien was van IMEI-nummer [Imei-nummer 3] . Op 9 augustus 2017 is verdachte bij de politie gehoord, welk verhoor auditief is geregistreerd. De politieagenten hebben geluidsopnames van dit verhoor vergeleken met de stem van de gebruiker van telefoonnummer [nummer 1] in tapgesprekken van 22 juli 2017, 1 augustus 2017 en 9 augustus 2017. De politieagenten hebben geconcludeerd dat het zeer aannemelijk is dat verdachte toen de gebruiker van dit telefoonnummer was. Ook is aan de hand van stemherkenning gebleken dat één en dezelfde persoon het telefoonnummer [nummer 1] in gebruik heeft.

Uit meerdere tapgesprekken is gebleken dat de gebruiker van telefoonnummer [nummer 1] [naam 2] werd genoemd. Het onderzoeksteam heeft naar aanleiding van een aantal gesprekken het vermoeden dat [naam 2] handelt in verdovende middelen en met name in cocaïne en crack. Zo wordt onder meer gesproken over “5 gram voor 180/185”, “een echte gram voor 50”, “neus of droge” en “ammoniak”. Ook is uit de gesprekken gebleken dat [naam 2] vraagt wat de persoon wil hebben en dat hij hier een prijs aan koppelt. Deze bevindingen worden ondersteund door het onderzoek naar de modus operandi van de drugslijn van “ [naam 2] / [naam 2] ”. Op 31 juli 2017 is een groot aantal sms berichten afgesloten met “Groetjes [naam 2] !”. Ook is hieruit gebleken dat in de periode van 22 juli 2017 tot en met 31 juli 2017 tientallen, dan wel honderd of meer gesprekken per dag zijn gevoerd en dat de meeste gesprekken zeer kort van inhoud zijn en voornamelijk gaan over het maken van afspraken en bestellingen.

De rechtbank leidt uit de inhoud van de tapgesprekken af dat de gebruiker veelvuldig met verschillende mensen over verdovende middelen praat. Het dossier bevat ook onderzoek naar de afnemers van de verdovende middelen. Het onderzoek naar de telefoongegevens heeft uitgewezen dat met bepaalde telefoonnummers veelvuldig contact heeft plaatsgevonden en dat een aantal gebruikers van die telefoonnummers harddrugsgebruikers zijn. Een aantal van deze afnemers zijn als getuigen door de politie gehoord. In deze getuigenverklaringen hebben de afnemers bij het zien van een foto van verdachte hem herkend als degene bij wie zij drugs hebben besteld. Bovendien hebben een aantal getuigen verklaard dat zij verdachte kennen als “ [naam 2] ” of “ [naam 2] ”. De getuigen hebben verklaard dat zij cocaïne en crack bij hem kopen.

Op 9 augustus 2017 is verdachte geobserveerd naar aanleiding van een aantal inkomende telefoontjes op het telefoonnummer [nummer 1] . In één van deze gesprekken hebben de politieagenten gehoord dat de gebruiker van telefoonnummer [nummer 1] met de gebruiker van telefoonnummer [nummer 3] heeft afgesproken bij een bankje. De politieagenten hebben gezien dat verdachte en de koper, [naam 1] , elkaar begroeten, dicht bij elkaar gaan zitten en dat hun handen elkaar aanraakten door middel van een “box”. Nadat ze afscheid hadden genomen is verdachte aangehouden. De politieagenten hebben de koper gevolgd, alvorens zij hem hebben aangehouden. Bij [naam 1] is een bolletje cocaïne aangetroffen. Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij cocaïne heeft afgeleverd aan [naam 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij vaker verdovende middelen leent aan bekenden, maar dat hij dit ziet als het uitlenen van een boek.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gebruiker is van telefoonnummer [nummer 1] en dat hij handelt in harddrugs. Bij zijn aanhouding is bij verdachte een Nokia aangetroffen met dit telefoonnummer en een uniek IMEI-nummer, dat volgens onderzoek in ieder geval in de periode van 30 juni 2017 tot en met 3 augustus 2017 aan dit telefoonnummer was gekoppeld. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte, dat hij de telefoon slechts anderhalve week voor zijn aanhouding had, ongeloofwaardig is. Immers is aan de hand van stemherkenning geconcludeerd dat dit telefoonnummer door één en dezelfde persoon is gebruikt en dat het na een vergelijking met zijn politieverhoor zeer aannemelijk is dat deze persoon verdachte is. Uit de tapgesprekken is gebleken dat verdachte de Nokia onder meer gebruikt voor handel in verdovende middelen. Een aantal van de afnemers staan bekend als harddrugsgebruikers en in de getuigenverklaringen wijzen zij, op één getuige na,verdachte aan als de man van wie zij cocaïne kopen in ruil voor geld. Ook is uit de observatie en de daaruit voortvloeiende aanhouding gebleken dat verdachte cocaïne heeft afgeleverd aan [naam 1] . Dit heeft verdachte op zitting ook bekend. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 22 juli 2017 tot en met 9 augustus 2017 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd aan onder andere [naam 1] en meerdere tot op heden onbekend gebleven kopers een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

2.

op 12 juli 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een spaarpot en een geldbedrag en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met dat opzet

- een mes heeft getoond aan die [slachtoffer] en

- met dat mes (een) snijdende beweging(en) heeft gemaakt in de hals van die [slachtoffer] en

- de woorden heeft uitgesproken dat hij, verdachte, die [slachtoffer] zou neersteken en zou doodsteken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft er bij de eis rekening mee gehouden dat de diefstal in de woning is gepleegd en dat daarbij een wapen is gebruikt met vervelend letsel tot gevolg. Ook heeft meegespeeld dat verdachte reeds is voor meerdere diefstallen met geweld is veroordeeld.

8.2.

Strafmaatverweer

De verdediging heeft primair verzocht verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan te sluiten bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor diefstal uit een woning en een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van drie maanden. Aangeefster heeft verdachte zelf uitgenodigd in haar woning, waardoor geen sprake is van een overval. Omdat verdachte inmiddels langer dan drie maanden vastzit zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan deze periode gelet op bovenstaande geen strafrechtelijk doel meer dienen. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte is bereid hieraan mee te werken.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen en afleveren van cocaïne, gedurende een periode van twee weken. Cocaïne levert een gevaar op voor de volksgezondheid nu deze stof sterk verslavend is en regelmatig gebruik hiervan in de regel lichamelijk, psychisch en sociaal, schadelijke gevolgen met zich meebrengt. Bovendien wordt in het algemeen overlast veroorzaakt door de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof en heeft verdachte door de verkoop van cocaïne ook aan deze overlast bijgedragen. Bij het dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat voor een periode van minder dan een maand nemen de oriëntatiepunten van het LOVS een gevangenisstraf van drie maanden als uitgangspunt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met (bedreiging van) geweld uit de woning van het slachtoffer [slachtoffer] . Verdachte heeft hierbij een mes op de keel van het slachtoffer gezet en gedreigd haar te zullen steken.. Dit soort feiten zijn gebeurtenissen die, naast schade, dikwijls grote impact hebben op het slachtoffer en gevoelens van angst teweegbrengen. De officier van justitie heeft bij de eis aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten inzake woningovervallen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat er in deze zaak sprake was van een woningoverval. Hoewel het slachtoffer verdachte toestemming heeft gegeven haar huis binnen te komen, heeft verdachte zich zodra hij in haar huis kwam anders gedragen dan normaal. Verdachte ging niet zitten, wat hij normaliter wel doet, en is snel na binnenkomst naast het slachtoffer gaan staan waarna hij het slachtoffer met een mes heeft gesneden. Ook wist verdachte dat hij naar de spaarpot van het slachtoffer moest lopen. Deze omstandigheden duiden erop dat verdachte met een vooropgezet doel de woning is ingegaan. De rechtbank heeft bij de straftoemeting dan ook aansluiting gezocht bij de uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven inzake woningovervallen.

Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is bij een woningoverval met licht geweld/bedreiging een gevangenisstraf van drie jaar het uitgangspunt. De LOVS definieert licht letsel als een enkele ruk of duw zonder noemenswaardig letsel. De rechtbank overweegt dat het letsel in deze zaak ernstiger is. Het slachtoffer had een snijwond in haar nek, die twee uur na het incident nog bloedde. Ook is dit letsel toegebracht op een zeer kwetsbare plaats. Verdachte heeft het letsel met een wapen, namelijk een mes, toegebracht. Het gebruik van dit wapen en de ernst van het letsel weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 13 oktober 2017. Hieruit is gebleken dat verdachte eerder voor diefstal met (bedreiging van) geweld is veroordeeld, wat de rechtbank ook als strafverzwarend meeweegt. Daarbij heeft de overval plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer. De rechtbank tilt hier zwaar aan. De woning is immers een plek bij uitstek waar men zich veilig dient te kunnen voelen. Verdachte heeft door zich op deze manier te gedragen het gevoel van veiligheid in het algemeen en dat van het slachtoffer in het bijzonder aangetast. Gelet op bovenstaande strafverzwarende factoren acht de rechtbank een gevangenisstraf van meer dan drie jaar passend en geboden.

De officier van justitie heeft voor beide feiten een gevangenisstraf geëist van 42 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte zal meewerken als er bijzondere voorwaarden worden opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding af te wijken van de eis van de officier van justitie. Gelet op bovenstaande factoren en de omstandigheid dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden acht de rechtbank een gevangenisstraf van 40 maanden passend. Hoewel een deels voorwaardelijke straf vanwege het herhalingsgevaar gepast wordt geacht als stok achter de deur, overweegt de rechtbank dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden te hoog is. Daarnaast ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd, omdat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur is. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 690,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging primair verzocht om [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de vordering af te wijzen, omdat de vordering niet is onderbouwd.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte het geld uit haar spaarpot en portemonnee en haar Samsung Galaxy S5 Neo, van een half jaar oud, heeft weggenomen. De rechtbank constateert dat de hoogte van het gestolen geldbedrag en de telefoon niet nader is onderbouwd, maar ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de benadeelde partij te twijfelen. De verdediging heeft de vordering betwist, maar heeft dit niet nader gemotiveerd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. De rechtbank vindt een schadevergoeding van € 690,00 redelijk en wijst de vordering voor dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank legt daarbij ook de schadevergoedingsmaatregel op.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [slachtoffer] , wonende te [woonplaats ] , toe tot € 690,00 (zeshonderdnegentig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 690,00 (zeshonderdnegentig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 13 (dertien). De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2017.