Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:864

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
Parketnummer 13/676963-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende wettig bewijs voor medeplegen/medeplichtigheid hasjtransport;

mogelijke aanwezigheid bij het tonen van verborgen ruimtes in een vrachtwagen en bij het uitbouwen van een geldbedrag is onvoldoende voor het oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/676963-12 (Promis)

Datum uitspraak: 8 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.G.T. Kramer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. van der Biezen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juni 2012 tot en met 13 juni 2012 te Schiedam en/of Bovenkarspel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 111 kilo hashish, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juni 2012 tot en met 13 juni 2012 te Schiedam en/of Bovenkarspel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (ongeveer) 111 kilo hashish, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

waarbij hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juni 2012 tot en met 13 juni 2012 te Schiedam en/of Bovenkarspel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, nu hij, verdachte, éénmaal of meermalen één of

meer verborgen ruimte(s) heeft gemaakt en/of gebouwd in één of meer vrachtauto(s) en/of één of meermalen aanwezig is geweest bij het inbouwen van verdovende middelen in één of meer vrachtauto(s) en/of bij het uitbouwen van één of meer geldbedrag(en) uit één of meer vrachtauto(s) en/of bij het tonen van één of meer verborgen ruimte(s).

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 10 december 2012 te Schiedam en/of Bovenkarspel en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of leveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een grote hoeveelhe(i)d(en), in elk geval van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II,

welke deelneming bestond in het (al dan niet samen met een of meer andere deelnemers aan die organisatie):

- ontwikkelen van plannen om een of meer van vorenbedoelde misdrijven te begaan en/of

- het (telkens) inkopen van een (grote) hoeveelheid, in elk geval van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en/of

- afgeven van die hashish aan de voor de organisatie werkende verkopers (runners) en/of

- ( doen) regelen en/of beschikbaar (doen) stellen van lokaties en/of ruimten ten behoeve van het opslaan en/of overdracht van die hashish en/of

- op grote schaal (doen) inkopen en/of verkopen en/of doorvoeren van hashish en/of

- hebben/onderhouden van (al dan niet versluierde) telefonische en directe contacten met een of meer andere deelnemer(s) aan die organisatie en/of kopers en/of verkopers (runners) van hashish en/of

- inbouwen van verborgen ruimte(s) in één of meer vrachtauto(s) en/of

- inbouwen van verdovende middelen in één of meer verborgen ruimtes in één of meer vrachtauto(s) en/of

- uitbouwen van één of meer geldbedrag(en) uit één of meer verborgen ruimte(s) uit één of meer vrachtauto(s) en/of

- ( mede)plegen van een of meer genoemde misdrijven en/of

- ( doen) betalen van geldbedragen en/of in het vooruitzicht stellen van gunsten aan een of meer deelnemer(s) van die organisatie voor door hen gemaakte onkosten en/of verrichte werkzaamheden

terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een ondersteunende rol heeft vervuld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding, feiten en omstandigheden

Op 5 april 2012 is naar aanleiding van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid een onderzoek onder de naam ‘13Zelda’ gestart.

Het onderzoek zag onder andere op een (voorgenomen) drugstransport van Nederland naar Engeland per vrachtwagen, omstreeks 13 juni 2012. Op die datum heeft de Franse politie, bij de controlepost voor de eurotunnel in Calais, verborgen ruimtes in de vrachtwagencombinatie van chauffeur [medeverdachte 1] aangetroffen met daarin 111 kilo hasj.

Voor het deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van deze partij hasj zijn in Nederland [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) reeds onherroepelijk veroordeeld. Chauffeur [medeverdachte 1] is in Frankrijk voor dit transport veroordeeld.

Het onderzoek 13Zelda heeft een aantal feiten en omstandigheden opgeleverd die in verband met de beoordeling van het bewijs ter zake van deze verdenkingen tegen verdachte relevant zijn, waaronder:

  • -

    verdachte heeft een transportbedrijf gehad en heeft nog vele contacten in de transportwereld. Hij verricht bedrijfsmatig onder andere onderhoud aan vrachtwagens, handelt in (vrachtwagen)banden en verwisselt die,

  • -

    verdachte heeft een bedrijfsterrein in [plaats] op het adres [adres] ,

  • -

    verdachte kent [medeverdachte 1] en [persoon] (hierna ook: ‘de chauffeurs’),

  • -

    verdachte is betrokken geweest bij de aanschaf en het onderhoud van de vrachtwagen(combinaties) van beide chauffeurs,

  • -

    verdachte kent [medeverdachte 2] ,

  • -

    [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kennen elkaar,

  • -

    [medeverdachte 2] en [persoon] kennen elkaar, [medeverdachte 2] heeft als bijnaam “ [verdachte] ”,

  • -

    verdachte wordt zowel [verdachte] als [verdachte] genoemd.

  • -

    [medeverdachte 1] huurt op het adres [adres te plaats] een locatie om zijn vrachtwagen te kunnen stallen en verdachte heeft in het verkrijgen van die locatie bemiddeld met de eigenaren van die locatie,

  • -

    [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] spreken elkaar op 10 juni 2012 telefonisch over de vraag of [medeverdachte 1] ‘ [verdachte] ’ al heeft gesproken over iets dat zij gaan doen wat niet kan als het ergens druk is (gesprek nr. 183),

  • -

    op 11 juni 2012 omstreeks 12 uur ‘s middags is er telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en verdachte. [medeverdachte 1] verzoekt verdachte om alleen met ja of nee te antwoorden en stelt dan de vraag “of het ken vanavond, je weet wel”. Verdachte antwoordt daarop dat het niet kan, maar wel bij die ander (gesprek nr. 478),

  • -

    verdachte is op 11 juni 2012 om 19:15 uur aanwezig op [adres te plaats] , terwijl [medeverdachte 1] en diens vrachtwagen daar ook aanwezig zijn,

  • -

    op 11 juni 2012 wordt de vrachtwagencombinatie van [persoon] in Calais door de Engelse douane gecontroleerd en worden verschillende geheime (lege) bergplaatsen gevonden. De combinatie wordt in beslag genomen en [persoon] neemt contact op met [medeverdachte 2] en vertelt dat ze ‘het’ gevonden hebben.

  • -

    op 12 juni 2012 bespreken verdachte en [medeverdachte 2] telefonisch de controle van de vrachtwagen van [persoon] .

  • -

    verdachte spreekt met [medeverdachte 2] op 13 juni 2012 telefonisch – vermoedelijk – over (onder meer) de aanhouding van [medeverdachte 1] in Frankrijk.

[medeverdachte 1] en [persoon] hebben diverse, deels belastende, verklaringen afgelegd bij de politie, waar zij later bij de rechter-commissaris (gedeeltelijk) op zijn teruggekomen.

[medeverdachte 1] heeft in zijn zevende politieverklaring onder meer verklaard dat de in zijn vrachtwagen aangetroffen 111 kilo hasj op [adres te plaats] is geladen in aanwezigheid van [medeverdachte 3] en verdachte. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat verdachte erbij aanwezig was toen, na een eerder transport, geld uit de verborgen ruimtes van zijn vrachtwagen werd gehaald en voorts dat de verdovende middelen van 5 à 6 transporten waar hij, [medeverdachte 1] , bij betrokken was telkens in de bergplaatsen werden gestopt “bij [verdachte] ”. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 1] als getuige verklaard dat het inladen van de verdovende middelen in Rotterdam heeft plaatsgevonden en dus niet bij of in aanwezigheid van verdachte. Verdachte was er ook niet bij toen het geld van een eerder transport werd uitgebouwd, aldus [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris. [medeverdachte 1] heeft over de reden van het intrekken van zijn eerdere belastende verklaringen verklaard dat hij destijds iets heeft verzonnen zodat de politie zo snel mogelijk weg zou gaan en omdat de politie had gezegd dat zijn vrouw en dochters waren gearresteerd en langer vast zouden zitten als hij niet zou verklaren. Ook heeft [medeverdachte 1] desgevraagd verklaard dat het zou kunnen dat hij belastend heeft verklaard uit wraak.

[persoon] heeft in zijn eerste politieverklaring onder meer verklaard dat de verborgen ruimte in zijn vrachtwagen is ingebouwd nadat hij de vrachtwagen had achtergelaten op het adres van het bedrijf van verdachte, [adres] te [plaats] . Van verdachte kreeg hij te horen dat zijn wagen klaar was en die heeft hij vervolgens op het adres [plaats] weer opgehaald. Verdachte en “ [verdachte] ” (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) waren erbij toen hij de trailer ging ophalen, zij lieten toen beiden de verborgen ruimte aan hem zien. Verdachte heeft de vrachtwagencombinatie van [persoon] voor de helft betaald. In zijn tweede politieverklaring heeft [persoon] verklaard dat verdachte hem had gevraagd of hij wilde smokkelen. Ook heeft hij toen verklaard dat verdachte de vrachtwagencombinatie geheel heeft betaald. Hij heeft in totaal driemaal wiet naar Engeland gesmokkeld en een zekere “ [naam] ” was de opdrachtgever.

Bij de rechter-commissaris heeft [persoon] in 2013 als getuige verklaard dat hij zijn verklaringen wil intrekken en dat hij zich verder op zijn zwijgrecht beroept. In 2016 is [persoon] opnieuw door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen verklaard dat het niet waar is dat verdachte hem de verborgen ruimtes in zijn vrachtwagen heeft laten zien. In datzelfde verhoor is [persoon] op die intrekking teruggekomen en hij heeft toen verklaard dat verdachte er wél bij was toen die ruimte werd getoond, maar dat hij niet meer weet wie het voortouw nam: “ [verdachte] ” of verdachte. Verder heeft [persoon] toen verklaard dat de drugs geladen zijn in de loods van verdachte, maar dat verdachte daar niet bij was. Volgens [persoon] heeft hij eerder een meer belastende verklaring afgelegd omdat hij door de politie psychisch onder druk is gezet en omdat hij boos was op verdachte omdat die hem zou helpen met zijn bedrijf maar dat maar nauwelijks deed.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Volgens de officier kan de betrokkenheid van verdachte bij het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de 111 kilo hasj worden bewezen op grond van de combinatie van de observaties, de telefoontaps en de belastende verklaringen van de vrachtwagenchauffeurs [medeverdachte 1] en [persoon] . Daaruit volgt onder meer dat verdachte betrokken was bij het werven van [medeverdachte 1] als chauffeur, bij het fabriceren van de verborgen ruimtes in de vrachtwagens en bij het inladen van de hasj te Bovenkarspel. Ook kan op grond hiervan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waarbij de officier er nog op heeft gewezen dat verdachte betrokken was bij de ‘nazorg’ van [medeverdachte 1] en diens gezin tijdens diens verblijf in de Franse gevangenis door hem financieel te steunen.

Hoewel de chauffeurs hun verklaringen later – deels – hebben ingetrokken kunnen de belastende onderdelen daarin volgens de officier van justitie om door haar geschetste redenen toch voor het bewijs worden gebruikt. Zij heeft in dat kader de later afgelegde (niet belastende) verklaring van [medeverdachte 1] als aantoonbaar leugenachtig gekwalificeerd en heeft erop gewezen dat [persoon] , na door de rechter-commissaris te zijn beëdigd en na overleg met zijn advocaat, een belastend onderdeel uit zijn eerdere verklaring alsnog heeft bevestigd.

De officier van justitie heeft er voorts op gewezen dat in het dossier steunbewijs te vinden is voor de belastende verklaringen van de chauffeurs.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgenomen telefoongesprekken geen specifieke, naar verdovende middelen herleidbare informatie bevatten en dat de gevoerde gesprekken bovendien passen in de bedrijfsvoering van verdachte, te weten diens garagebedrijf.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] niet tot bewijs kan dienen, nu deze chauffeur in zijn belastende verklaring draait, zijn verklaring wijzigt, en de belastende verklaring later zelfs volledig intrekt.

[persoon] verklaart – uiteindelijk – slechts dat verdachte eenmaal aanwezig was bij het tonen van verborgen ruimtes, hetgeen niets zegt over wetenschap van een criminele organisatie, en hij verklaart niet over feit 1, aldus de raadsman. Dat verdachte aan [medeverdachte 1] geld heeft gegeven impliceert geen betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en met de verdediging, het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.

Vrijspraak feit 1 primair

Het beeld dat uit de hierboven onder 4.1 opgesomde feiten en omstandigheden en uit de verklaringen van de chauffeurs naar voren komt, is voor verdachte op zijn minst genomen belastend. Het is verdacht dat verdachte zoveel in beeld komt rondom een (of meer) drugstransport(en) en deelneemt aan telefoongesprekken waarin verhuld taalgebruik wordt gebruikt. Dit beeld is echter onvoldoende om buiten redelijke twijfel tot het oordeel te komen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het buiten het grondgebied van Nederland brengen van 111 kilo hasj (hierna ook: het drugstransport). Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de overige plegers met betrekking tot het drugstransport is onvoldoende gebleken.

[medeverdachte 1] heeft zijn aanvankelijke verklaring dat verdachte bij het laden van de hasj aanwezig was bij de rechter-commissaris willen intrekken. [persoon] ’s verklaring, voor zover niet ingetrokken, ziet erop dat verdachte erbij was toen de verborgen ruimtes werden getoond, voorafgaande aan eerdere transporten. Over wat de rol van verdachte bij (het tonen van) die verborgen ruimtes verder precies inhield, heeft [persoon] geen concrete verklaring afgelegd. De belastende verklaringen van beide chauffeurs zijn niet erg gedetailleerd over de precieze betrokkenheid van verdachte. Gelet daarop en omdat deze getuigen hun verklaringen bovendien grotendeels hebben ingetrokken, kent de rechtbank aan die verklaringen geen grote bewijskracht toe. Daarbij komt dat uit de belastende delen van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [persoon] niet zonder meer volgt dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen zou kunnen worden. De enkele aanwezigheid van verdachte bij het tonen van verborgen ruimtes en bij het laden van verdovende middelen impliceert namelijk nog niet dat er een nauwe en bewuste samenwerking bestond met betrekking tot het drugstransport.

Ook in combinatie met de overige bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat verdachte medepleger is geweest van het drugstransport. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de opgenomen telefoongesprekken niet zodanig evident over het drugstransport handelen dat daar van uit mag worden gegaan. Een aantal gesprekken is weliswaar verdacht en past op zichzelf in het scenario dat verdachte betrokken is (als pleger of medeplichtige) bij het drugstransport. Voldoende bewijs om dat vervolgens ook buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen ontbreekt echter; uit de gesprekken komt niet met voldoende zekerheid naar voren wat het aandeel van verdachte heeft behelsd.

Hetzelfde geldt voor de resultaten van observaties. De auto van verdachte is op 11 juni 2012 gezien op de locatie Bovenkarspel, waarover [medeverdachte 1] aanvankelijk heeft verklaard dat daar toen, in bijzijn van verdachte, de hasj in zijn vrachtwagen is geladen. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij toen op die locatie banden van de vrachtwagen van [medeverdachte 1] heeft verwisseld. Hij herkent van een politiefoto [medeverdachte 3] als degene die daar die avond ook aanwezig was. Door de observanten is kennelijk niet waargenomen of en zo ja welke handelingen verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] daar hebben verricht. Alle overige (verdachte) omstandigheden, inclusief de door [persoon] afgelegde (later ingetrokken) belastende verklaring dat verdachte hem had gevraagd te smokkelen, zijn op zichzelf en in samenhang beschouwd onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde te komen.

Vrijspraak feit 1 subsidiair

De rechtbank heeft te beoordelen of er voldoende bewijs is voor de in de tenlastelegging verwoorde, als medeplichtigheid ten laste gelegde, feitelijke handelingen:

- het maken van verborgen ruimtes dan wel

- het aanwezig zijn geweest bij het (i) inbouwen van verdovende middelen, (ii) het uitbouwen

van geldbedragen of (iii) het tonen van verborgen ruimtes.

Dat verdachte verborgen ruimtes heeft gemaakt kan niet worden bewezen; meer dan een (sterke) suggestie van enige betrokkenheid van verdachte daarbij bevat het dossier niet. Ook de overige ten laste gelegde ‘handelingen’ acht de rechtbank niet bewezen. Voor de ten laste gelegde aanwezigheid bij het inbouwen van de verdovende middelen geldt dat de enkele (later ingetrokken) verklaring van [medeverdachte 1] daarvoor onvoldoende bewijs is. De enige (eveneens enige tijd later ingetrokken) verklaring die ziet op aanwezigheid bij het uitbouwen van geldbedragen is afkomstig van [medeverdachte 1] en die verklaring ziet niet op het in feit 1 subsidiair tenlastegelegde drugstransport. Datzelfde geldt voor het tonen van verborgen ruimtes.

Vrijspraak feit 2.

Onder organisatie, als bedoeld in artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat komt vast te staan dat verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.

Dát er een criminele organisatie bestond die (mede) het onder 1 ten laste gelegde transport heeft georganiseerd en uitgevoerd blijkt reeds uit de veroordelingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wegens deelname aan die criminele organisatie.

Er is echter onvoldoende bewijs dat verdachte aan die organisatie deelnam. Dat hij zich (al dan niet samen met andere deelnemers aan die organisatie) aan één of meer van de in de tenlastelegging gespecificeerde deelnemingshandelingen heeft schuldig gemaakt, staat niet buiten redelijke twijfel vast. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Ook overigens is uit de stukken die zich in het dossier bevinden en het verhandelde ter zitting onvoldoende gebleken dat verdachte opzettelijk, in onvoorwaardelijke zin, heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Dat hij mogelijk aanwezig is geweest bij het uitbouwen van geldbedragen en/of het tonen van verborgen ruimtes, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om te oordelen dat verdachte daarmee een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de geldbedragen vermeld op de aan dit vonnis als bijlage gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 februari 2017.