Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8491

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
13/679028-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Geen tegenonderzoek verricht na bloedonderzoek, partiële vrijspraak. Overwegingen over mate van letsel. Door rood licht rijden, terwijl het verkeerslicht al 27 seconden rood licht uitstraalde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/679028-16 (Promis)

Datum uitspraak: 21 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,

[plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en haar raadsman mr. J. van ‘t Hoff naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,


feit 1 primair

zij op of omstreeks 27 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Europaboulevard en/of de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A10 (buitenring), zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten knie trauma en twee gekneusde heupen en een biceps plat en ingescheurd, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Europaboulevard, komende uit de richting van de Van Nijenrodeweg en gaande in de richting van de RAI,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte is, gekomen ter hoogte van de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A10 (buitenring) niet gestopt voor een in haar richting gekeerd en/of voor het verkeer in haar richting geldend en al (ongeveer) 27 seconden ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een personenauto, bestuurd door voornoemde [persoon 1] , eveneens de Europaboulevard bereed, komende uit de richting van de RAI en gaande in de richting van de Rijksweg A10 (buitenring),

verdachte heeft voornoemde personenauto geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig

en/of voldoende, uit kunnen wijken voor deze personenauto,

verdachte is vervolgens tegen deze personenauto aangereden en/of aangebotst waardoor voornoemde [persoon 1] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte in haar, verdachtes, bloed 1,42 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milliliter alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Subsidiair

zij op of omstreeks 27 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Europaboulevard en/of de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A10 (buitenring), zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Europaboulevard, komende uit de richting van de Van Nijenrodeweg en gaande in de richting van de RAI,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte is, gekomen ter hoogte van de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A10 (buitenring) niet gestopt voor een in haar richting gekeerd en/of voor het verkeer in haar richting geldend en al (ongeveer) 27 seconden ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een personenauto, bestuurd door [persoon 1] , eveneens de Europaboulevard bereed, komende uit de richting van de RAI en gaande in de richting van de Rijksweg A10 (buitenring),

verdachte heeft voornoemde personenauto geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig

en/of voldoende, uit kunnen wijken voor deze personenauto,

verdachte is vervolgens tegen deze personenauto aangereden en/of aangebotst;

feit 2

zij op of omstreeks 27 maart 2015 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,42 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 microgram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 27 maart 2015 heeft op de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de buitenring van de A10 een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij twee personenauto’s waren betrokken. Verdachte was de bestuurder van een Fiat. Zij kwam uit de richting van de Nijenrodeweg en reed in de richting van de RAI. Het slachtoffer was de bestuurder van een Audi. Hij kwam uit de richting van de RAI en reed in de richting van de buitenring A10. Verdachte is op de kruising van de Europaboulevard niet gestopt voor een in haar richting geldend en al ongeveer 27 seconden rood licht uitstralend stoplicht en heeft geen voorrang verleend aan het slachtoffer. Verdachte wordt tevens verweten dat zij onder invloed van alcohol verkeerde. Zij is tegen de personenauto van het slachtoffer aangereden. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer een knie trauma, twee gekneusde heupen en biceps plat en ingescheurd, opgelopen.

De rechtbank dient te beoordelen of dit verkeerongeval met als gevolg (zwaar) lichamelijk letsel voor het slachtoffer [persoon 1] , aan de schuld - in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 - van verdachte te wijten is.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, terwijl zij onder invloed van alcohol verkeerde. Zij is door een stoplicht gereden dat al ongeveer 27 seconden op rood stond en blijkens het technisch onderzoek heeft zij op beide rijbanen van de Europaboulevard gereden. Deze combinatie van factoren ligt ver onder de norm van wat van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Op de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de buitenring A10 is zij tegen de auto van het slachtoffer aangereden. Door zo te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een grove verkeersfout, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door dit letsel is een einde gekomen aan zijn internationale sportcarrière op het hoogste niveau als waterpolospeler.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, onder verwijzing naar zijn pleitnota, dat verdachte van het onder 1 primair en 2 ten laste dient te worden vrijgesproken.

Alcohol

De raadsman heeft, kort samengevat, bepleit dat de strikte waarborgen waarmee het alcoholonderzoek is omkleed niet zijn nagekomen, zodat niet kan worden gesproken van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Nadat de resultaten van het bloedonderzoek aan verdachte waren meegedeeld, heeft de vader van verdachte, namens verdachte, uitdrukkelijk om een tegenonderzoek gevraagd als bedoeld in artikel 21, lid 1, van het Besluit Alcoholonderzoeken. Door de verdachte werd getwijfeld aan de uitkomst van het bloedonderzoek. Weliswaar had zij die avond alcohol gedronken, maar niet in zo’n hoeveelheid dat deze kon leiden tot een uitslag van het bloedonderzoek van 1,42 milligram alcohol per milliliter bloed. De raadsman heeft aan de officier van justitie gevraagd om dit verzoek aan het dossier te laten toevoegen. Hoewel het Openbaar Ministerie (OM) akkoord is gegaan met dit verzoek om een tegenonderzoek en heeft bevestigd dat het bloedmonster zou worden doorgestuurd, is dat niet gebeurd. Het tegenonderzoek is niet uitgevoerd en het bloedmonster is volgens de berichten van het OM vernietigd.

Het niet naleven van deze strikte waarborg heeft, gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad, tot gevolg dat het resultaat van het bloedonderzoek niet bruikbaar is voor het bewijs. Dat leidt tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden en hiervan dient te worden vrijgesproken.

Letsel

De raadsman heeft bepleit dat het letsel “biceps plat en ingescheurd” geen ongeval gerelateerd letsel betreft, omdat het slachtoffer dat letsel al voor het ongeval zou hebben opgelopen. Het is ook niet aannemelijk geworden dat dit letsel door het ongeval zou zijn veroorzaakt. Voor het overige is het letsel niet van dien aard dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De bewijsmiddelen houden niets in omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Bovendien is het aanwezige bewijs te summier om te bepalen dat het letsel zodanig was dat dit kon worden aangemerkt als enig letsel dat tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden tot gevolg heeft gehad.

Door rood rijden en geen voorgang verlenen

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen herinneringen heeft aan het ongeval. Nu uit het dossier blijkt dat verdachte door een voor haar rood uitstralend verkeerslicht is gereden, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank wat betreft een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.4.2.

Tegenonderzoek na bloedonderzoek

Na het verkeersongeval op 27 maart 2015 omstreeks 02:13 uur had de politie het vermoeden dat verdachte onder invloed verkeerde van alcohol of dat door een andere stof haar rijvaardigheid was beïnvloed. Omdat verdachte buiten bewustzijn was, was een ademtest niet mogelijk en is met toestemming van de hulpofficier van justitie op de bij de wet voorgeschreven wijze bloed afgenomen en verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Op het moment dat verdachte weer in staat was haar wil te bepalen, heeft zij hiervoor op 7 april 2015 alsnog toestemming verleend. Op 30 april 2015 is verdachte de uitslag van het bloedonderzoek schriftelijk meegedeeld. Het alcoholgehalte van het bloed van verdachte bedroeg ten tijde van het bloedonderzoek 1,42 milligram alcohol per milliliter bloed. Verdachte is meegedeeld dat zij bij de officier van justitie van het parket Amsterdam de wens kenbaar kon maken om voor eigen rekening een tegenonderzoek te laten verrichten.

De raadsman heeft ter zitting van 7 november 2016 de stukken aan de rechtbank overhandigd, ter voeging in het dossier, waaruit blijkt dat de vader van verdachte, namens verdachte, vanaf 8 juni 2015 uitdrukkelijk en herhaaldelijk om een tegenonderzoek van het bloedonderzoek heeft verzocht. De uitslag van het bloedonderzoek werd door verdachte in twijfel getrokken.

Uit deze stukken blijkt dat het verzoek om een tegenverzoek is ontvangen door het Front- en Backoffice Serviceportaal van het Openbaar Ministerie (OM) en is doorgestuurd naar de parketsecretaris van de officier van justitie. Hoewel het OM per e-mail aan de vader van verdachte kenbaar heeft gemaakt dat op 12 juni 2015 aan het NFI de opdracht is gegeven om het bloedmonster voor het tegenonderzoek te versturen naar het OLVG, heeft verdachte op 25 augustus 2015 het bericht ontvangen dat deze opdracht niet is gegeven.

De officier van justitie heeft deze gang van zaken ter zitting van 7 november 2017 bevestigd en hieraan toegevoegd dat het bloedmonster bestemd voor het tegenonderzoek op enig moment is vernietigd, zodat het OM niet meer kan voldoen aan het verzoek om een tegenonderzoek.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad van "een onderzoek" als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort onder meer dat de verdachte recht heeft op een tegenonderzoek (op grond van het destijds geldende artikel 12 van het Besluit alcoholonderzoeken).

Dat onderzoek heeft ondanks herhaaldelijke en uitdrukkelijke verzoeken daartoe in de onderhavige zaak niet plaatsgevonden. Nu deze strikte waarborg niet is nageleefd is de rechtbank van oordeel dat het resultaat van het verrichte bloedonderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

Zonder het resultaat van het bloedonderzoek kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in de zin van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Op basis van de verklaring van de verdachte kan worden vastgesteld dat zij een personenauto heeft bestuurd na voorafgaand gebruik van alcohol, maar uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat het alcoholgehalte in haar bloed 1,42 milligram bedroeg, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed, op het moment dat verdachte het ongeluk heeft veroorzaakt. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht, gelet op wat hiervoor is overwogen, ook niet bewezen wat onder 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.4.3.

Mate van letsel

Artikel 82 Sr brengt volgens vaste rechtspraak mee dat de rechter de vrijheid heeft om ook buiten de in dat artikel genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te kwalificeren wanneer dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beoordeling daarvan komt voorts betekenis toe aan de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Met betrekking tot het door het slachtoffer opgelopen letsel kan op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende worden vastgesteld.

Op 14 april 2015 heeft de politie bij het slachtoffer [persoon 1] geïnformeerd naar het opgelopen letsel bij het verkeersongeval van 27 maart 2015. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij die week in het ziekenhuis was geweest en dat er vocht in zijn knie zat. Hij kon er moeilijk op staan en volgens de arts zat er vermoedelijk speling in zijn meniscus of zijn kruisbanden. Het slachtoffer moest wachten tot de MRI-scan was geweest.2 Op 30 juni 2015 had het slachtoffer nog steeds veel last van zijn knie. Hij zakte soms gewoon door zijn been.3

Blijkens de patiëntgegevens van Paramedisch Centrum Luxor Zeewolde van 30 september 2015 heeft het slachtoffer twee dagen in het ziekenhuis gelegen. Het letsel was een knie trauma, twee gekneusde heupen en schouderklachten. Het slachtoffer kon een maand niet lopen. Het uitoefenen zijn sport was niet mogelijk, omdat de schouder te pijnlijk was.4

Het slachtoffer is ter terechtzitting van 7 november 2017 als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn knie door het ongeluk waarschijnlijk tegen het dashboard van de auto is geklapt. Hij had na het ongeval last van zijn knie en zijn heupen en had een maand moeite met lopen. Sinds het ongeval hij heeft ook blijvend last van zijn rechterschouder. Het slachtoffer had eerder een sportblessure aan die schouder gehad5, maar dat ging om een inscheuring van een biceps-pees en die blessure was langzaam hersteld. Door het verkeersongeval is, aldus het slachtoffer, zijn (platte) biceps ingescheurd en deze is niet meer volledig hersteld.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat het slachtoffer [persoon 1] als gevolg van het verkeersongeval het letsel heeft opgelopen dat in de tenlastelegging staat vermeld, voor zover dat betreft een knie trauma en twee gekneusde heupen. Wat betreft het letsel aan de schouder bestaat op basis van het dossier onvoldoende duidelijkheid over de precieze relatie met het verkeersongeval nu het slachtoffer al voor het ongeval aan zijn schouder geblesseerd was.

De rechtbank overweegt voorts dat de aard van het letsel aan de knie en de heupen niet zodanig was, dat medisch (operatief) ingrijpen noodzakelijk was. Zodanig letsel wordt naar gewoon spraakgebruik ook niet zomaar als zwaar lichamelijk letsel aangeduid. Dit brengt mee dat niet kan worden bewezen dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht op grond van de medische verklaringen en de verklaring van [persoon 1] wel bewezen dat hij daaruit zodanig letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering van de normale bezigheden is ontstaan. Hij heeft immers geruime tijd niet kunnen lopen.

4.4.4.

Ernstige schuld

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en overweegt daartoe het volgende.

Op 27 maart 2015 reed het slachtoffer [persoon 1] als bestuurder van zijn personenauto, Audi, over de rijbaan van de Europaboulevard te Amsterdam in de richting van de A-10. Hij wilde linksaf de Rijksweg A-10 oprijden en zag dat de verkeerslichten bij de Ringweg groen licht uitstraalden. Hij zag in de verte tegemoetkomend verkeer naderen over de Europaboulevard, maar die auto was nog ver weg. [persoon 1] had groen licht dus reed door met zijn aandacht op de toerit van de snelweg. Ineens voelde hij een harde klap. Vanuit het niets was hij aangereden. Hij is blijven zitten tot de politie en ambulance er was. Hij voelde zich ook niet in staat om uit te stappen en is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht.6

De verdachte heeft geen herinnering meer aan het ongeval. Haar is naderhand verteld waar de aanrijding is geweest. Zij is bekend met de situatie ter plaatse, omdat zij daar vaker rijdt.7

Door de politie is op de plaats van het verkeersongeval onderzoek verricht, waarna is gebleken dat verdachte, als bestuurder van haar personenauto, Fiat, op 27 maart 2015 omstreeks 02:13 heeft gereden over de Europaboulevard, komende uit de richting van Nijenrodeweg en gaande in de richting van de RAI.8 Verdachte was, naar later bleek, de bestuurder van de auto die het slachtoffer in de verte zag naderen. Het slachtoffer kwam uit de richting van de RAI en wilde de Rijksweg A-10 oprijden.

Op de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A-10, de buitenring, is verdachte door een rood stoplicht gereden, terwijl [persoon 1] op dat moment door een groen verkeerslicht reed. Hierdoor is de aanrijding tussen de Fiat van verdachte en de Audi van [persoon 1] ontstaan. Na het technisch onderzoek, het uitlezen van de faselog van de verkeersregelinstallatie, is duidelijk geworden dat verdachte ongeveer 27 seconden rood licht had en volgens het technische onderzoek bleek verdachte op beide rijstroken van de Europaboulevard te hebben gereden.9

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaring van [persoon 1] in samenhang met de bevindingen van de politie, zoals weergegeven in het proces-verbaal van aanrijding en de VerkeersOngevalsAnalyse, is komen vast te staan dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan het slachtoffer [persoon 1] en dat zij ter hoogte van het midden van voornoemde kruising met haar auto tegen de auto van [persoon 1] is aangereden.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een dusdanige ernstige verkeersfout, dat gesproken kan worden van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarmee is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5
5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen,

dat verdachte op 27 maart 2015 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Europaboulevard en de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A10, buitenring, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon 1] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten knie trauma en twee gekneusde heupen, dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Europaboulevard, komende uit de richting van de Van Nijenrodeweg en gaande in de richting van de RAI,

- terwijl het donker was en

- terwijl verdachte ter plaatse bekend was en

verdachte is, gekomen ter hoogte van de kruising van de Europaboulevard met de oprit naar de Rijksweg A10, buitenring, niet gestopt voor een in haar richting gekeerd en voor het verkeer in haar richting geldend en al ongeveer 27 seconden ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet vergewist dat een personenauto, bestuurd door voornoemde [persoon 1] , eveneens de Europaboulevard bereed, komende uit de richting van de RAI en gaande in de richting van de Rijksweg A10 (buitenring),

verdachte heeft voornoemde personenauto geen voorrang verleend,

verdachte is vervolgens tegen deze personenauto aangereden waardoor voornoemde [persoon 1] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten als volgt dient te worden veroordeeld: voor feit 1 tot een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 2 jaar en voor feit 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.

Volgens de officier van justitie zijn deze straffen op hun plaats, omdat verdachte kennelijk niet meer in staat was om op een normale manier aan het verkeer deel te nemen. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het letsel dat verdachte heeft opgelopen bij het verkeersongeval.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft naar voren gebracht dat er sinds die nacht in 2015 geen nacht meer voorbij is gegaan zonder dat zij aan het slachtoffer en de gevolgen van het verkeersongeval voor de sportcarrière van het slachtoffer heeft gedacht. De raadsman heeft de rechtbank gewezen op het tijdsverloop in de onderhavige zaak, het ernstige letsel dat verdachte zelf door haar inschattingsfout heeft opgelopen, alsmede haar lange herstel- en revalidatieperiode. Verdachte kampt nog steeds met de lichamelijke beperkingen en littekens die zij door het ongeval heeft opgelopen. Zij is voldoende gestraft en wat de verdediging betreft kan worden volstaan met enkel een voorwaardelijke straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer, de heer [persoon 1] , een knie trauma en twee gekneusde heupen, opgelopen.

In de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is gewezen op de sportieve en financiële gevolgen van het verkeersongeval voor de carrière van het slachtoffer. Duidelijk is dat het ongeval zijn leven ingrijpend heeft veranderd. Waterpolo was zijn sport en zijn passie en het was zijn voornemen om hiervan zijn werk te maken. Dit is volgens het slachtoffer niet langer mogelijk. Een strafoplegging in welke vorm dan ook kan dit leed niet ongedaan maken.

De rechtbank komt, ondanks de ernst van de verkeersfout, tot een andere straf dan de officier van justitie gelet op de vrijspraak van het rijden onder invloed en de andere juridische waardering van het bij het slachtoffer veroorzaakte letsel.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van zeer ernstige schuld en waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel en een tijdelijke ziekte heeft opgelopen, wordt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden opgelegd.

Redelijke termijn

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden en dat artikel 6 EVRM is geschonden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak kan in een strafzaak op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt artikel 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dient de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Hoewel de redelijke termijn in voornoemde zin niet is overschreden ziet de rechtbank toch aanleiding om van het uitgangspunt van LOVS af te wijken. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop tussen de dag van het ongeval en het wijzen van dit vonnis.

De rechtbank heeft voorts in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat zij heeft laten blijken enorm geschrokken te zijn van het verkeersongeval en herhaalde malen haar spijt heeft betuigd voor haar inschattingsfout en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het schone strafblad van verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. S.P. Pompe en R. Robroek, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2017.

De jongste rechter is buiten

staat mede te ondertekenen

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2015 (p. 22).

3 Proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2015 (p. 24a).

4 Een geschrift, te weten een uitdraai van de patiëntgegevens van [persoon 1] van het Paramedisch Centrum Luxor Zeewolde van 30 september 2015 (p. 24d-24h).

5 Een geschrift, te weten een brief van de Bergman Clinics betreffende verdachte [persoon 1] van 27 oktober 2015 (p. 24c).

6 Proces-verbaal verhoor verdachte [persoon 1] van 27 maart 2015 (p. 20-21).

7 Proces-verbaal verhoor verdachte van 10 april 2015 (p. 25-28).

8 Proces-verbaal aanrijding misdrijf van 15 mei 2015 (p. I-V).

9 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van 4 mei 2015 (p. 31-55).