Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8477

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
AMS 17/2742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het aanpassen van de gevels en de entrees van het appartementencomplex [naam] in Amsterdam. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het algemeen bestuur onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en inachtneming van de omstandigheid dat de wijzigingen aan de Jodenbreestraat zijn toegestaan op basis van het bestemmingsplan, voldoende gemotiveerd dat de wijziging van die entree niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2742

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Brandwijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghoudster] , te [woonplaats] , vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. R.J.J. Tempelaars).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als respectievelijk eiser, het algemeen bestuur en [vergunninghoudster] .

Procesverloop

Met het besluit van 15 september 2016 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend.

Met het besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiser is verschenen. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [vergunninghoudster] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam] , [functie] bij [vergunninghoudster] .

Overwegingen

Achtergrond

1. [vergunninghoudster] is eigenaar van het appartementencomplex ‘ [naam] ’ gelegen aan het Waterlooplein, de Jodenbreestraat en de Houtkopersdwarsstraat (hierna: [naam] ). Op de begane grond van het complex zijn meerdere bedrijfsruimtes gelegen. Eiser huurt een bedrijfsruimte in [naam] , waar hij een koffiebar exploiteert. De ingang daarvan is gelegen aan de Jodenbreestraat. De omgeving van [naam] wordt overdag in grote mate bepaald door de bedrijvigheid van het centrum en de aanwezigheid van de Waterloopleinmarkt. In de avond en vooral in de nachtelijke uren ervaren de bewoners en gebruikers van [naam] overlast van junks en andere overlastgevende personen die zich veelvuldig ophouden op de trappen en in de nissen van de ingangen van [naam] .

2. In de hoop (een deel van) de overlast rond [naam] terug te dringen heeft [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning aangevraagd. Hiermee wil [vergunninghoudster] onder meer alle gevels van [naam] aanpassen en aan het Waterlooplein de entree voor de woningen vervangen door voordeuren op straatniveau en de deuren voor de marktberging naar voren verplaatsen en vervangen. Aan de Houtkopersdwarsstraat wil [vergunninghoudster] een nieuwe hoofdentree realiseren voor het gehele complex met brievenbussen en een bellentableau. Aan deze zijde wordt ook één trap verwijderd. Bij de ingang aan de Jodenbreestraat wordt de toegangsdeur naar het binnenterrein dichter naar de straat verplaatst, als gevolg waarvan de nu bestaande nis vrijwel verdwijnt. De bedrijfsruimte van eiser bevindt zich direct naast de huidige nis en de beoogde nieuwe toegangsdeur.

De besluitvorming

3. Het algemeen bestuur heeft de door [vergunninghoudster] gevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit verleend. Het algemeen bestuur heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

4. Met het bestreden besluit heeft het algemeen bestuur op de bezwaren van eiser beslist en de omgevingsvergunning gehandhaafd. Het algemeen bestuur heeft daar, kort samengevat, aan ten grondslag gelegd dat afwijken van het bestemmingsplan in dit geval niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het algemeen bestuur heeft hiertoe verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing die aan de aanvraag ten grondslag is gelegd. Hieruit blijkt dat er in de huidige situatie sprake is van onveiligheid en overlast en dat het lastig is het pand te onderhouden. Met het project wordt beoogd zowel het onderhoud te verbeteren als de onveiligheid en overlast terug te dringen. De voorziene bouwkundige ingrepen hebben verder geen invloed op het toegestane gebruik en leiden daarom niet tot een gewijzigde verkeer aantrekkende werking en/of parkeerbehoefte. Alleen de loopstromen zullen wijzigen door het verplaatsen van de entrees.

5. Eiser is het met het bestreden besluit niet eens. Volgens eiser leidt het bouwplan, kort gezegd, tot onaanvaardbare gevolgen voor de buurt en voor zijn onderneming.

Het wettelijk kader

6.1

Voor de bepalingen die van toepassing zijn op de verleende omgevingsvergunning verwijst de rechtbank naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6.2

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “ [naam] ”. Op de grond waar het gebouw [naam] staat, rust de bestemming “Gemengd” en “Verkeer”. Hieronder vallen onder andere woningen, winkels en verkeersdoeleinden. De gevelaanpassingen en wijzigingen van de entrees aan de Jodenbreestraat en de Houtkopersdwarsstraat zijn gelegen op de bestemming Gemengd en zijn op grond van het bestemmingsplan toegestaan. Aan de zijde van het Waterlooplein is het project in strijd met de artikelen 7.2 en 7.2.5 van de planregels (onderdeel Verkeer), omdat de entrees niet ten dienste staan van de aldaar geldende bestemming “Verkeer” en omdat zij worden vergroot. Op grond van het bestemmingsplan mogen de entrees wel worden vernieuwd, maar niet vergroot.

6.3

De bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid. Daardoor heeft het bestuursorgaan bij toepassing van deze bevoegdheid een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Het gebruik van een dergelijke bevoegdheid moet terughoudend door de bestuursrechter worden getoetst. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure geen eigen oordeel geeft over de bouwplannen voor [naam] , maar alleen kan en zal beoordelen of het algemeen bestuur de omgevingsvergunning hiervoor ‘in redelijkheid’ heeft kunnen verlenen.

Beoordeling van het beroep

7.1

Eiser voert aan dat de bekendmaking van de aanvraag en de omgevingsvergunning misleidend zijn, omdat daarin uitsluitend staat vermeld dat het project betrekking heeft op het adres Waterlooplein 35.

7.2

Het algemeen bestuur heeft naar voren gebracht dat het systeem van bekendmakingen vereist dat één specifiek adres wordt opgegeven. In dit geval is gekozen voor het Waterlooplein omdat daar wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Verder blijkt volgens het algemeen bestuur uit de aanvraag voldoende dat het project ook betrekking heeft op andere delen van [naam] en blijkt dit ook uit de ter inzage gelegde stukken.

7.3

Hoewel het algemeen bestuur de aanduiding van het project op een andere locatie in de publicatie wellicht specifieker of uitgebreider had kunnen omschrijven, ziet de rechtbank hierin geen grond om het bestreden besluit te vernietigen. Met de aanduiding van dit adres is namelijk wel voldoende herleidbaar om welk complex het gaat. Eiser heeft bovendien tijdig bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, zodat hij door de wijze van publiceren niet in zijn belangen is geschaad.

8.1

Eiser voert ook aan dat het algemeen bestuur ten onrechte geen verslag van de hoorzitting heeft gemaakt.

8.2

Op grond van artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van het horen een verslag gemaakt. In dit artikel is niet wettelijk voorgeschreven in welke vorm het verslag wordt gegoten en hoe uitgebreid het is. In dit geval heeft het algemeen bestuur van het horen geen verslag gemaakt, maar een geluidsopname. Dat is op zich geen ongebruikelijke handelwijze. Het bestreden besluit bevat in dit geval geen (samengevatte) weergave van de hoorzitting. In zoverre voldoet het bestreden besluit dus niet aan artikel 7:7 van de Awb. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. In de Awb is niet bepaald op welk moment het verslag dient te worden gemaakt. Niet is gebleken dat eiser heeft verzocht om een afschrift van het verslag. Verder heeft eiser niet vermeld waarom hij door het ontbreken van het verslag in zijn belangen is geschaad.

9.1

Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en op een ondeugdelijke motivering berust. Eiser heeft daarbij op de volgende punten gewezen. De wijziging van de locatie van de brievenbussen naar de Houtkopersdwarsstraat zal tot verwarring leiden bij de postbezorging; het afsluiten dan wel verdwijnen van de trappen aan het Waterlooplein en de Houtkopersdwarsstraat levert gevaar op voor de veiligheid van de bewoners van [naam] ; het verkleinen van de openbare ruimte (de stoep) aan het Waterlooplein wegens het vergroten van de entree en het naar voren plaatsen van de deuren voor de marktberging zal de verkeersdoorstroming daar belemmeren.

9.2

In artikel 8:69a van de Awb is het zogeheten relativiteitsvereiste neergelegd. Het relativiteitsvereiste houdt in dat een betrokkene zich alleen op een bepaalde geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel kan beroepen, als deze regel of dit beginsel ook beoogt zijn/haar belangen te beschermen. Eiser beoogt met de in 9.1 beschreven beroepsgronden naar het oordeel van de rechtbank niet eigen belangen te beschermen, maar dat van anderen, te weten dat van de postbezorgers, de bewoners van [naam] , de bezoekers/gebruikers van het Waterlooplein en de marktkooplui. Deze beroepsgronden kunnen dus alleen al vanwege het relativiteitsvereiste niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en worden daarom niet inhoudelijk beoordeeld.

10.1

Eiser voert ook aan dat het algemeen bestuur zijn besluit niet heeft mogen baseren op de ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door [naam] . in samenwerking met [naam] . Eiser is van mening dat deze bureaus uit [naam] vanuit de theorie een bouwplan hebben gemaakt, zonder kennis van de lokale en feitelijke situatie in [woonplaats] . Het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (CWM) is gelet daarop gebaseerd op een onzorgvuldige uitwerking van de feiten.

10.2

Uit de uitgebreide omschrijving die eiser in de stukken heeft gegeven en die hij ook heeft geïllustreerd met verschillende foto’s van de omgeving en aan de hand van de tekeningen, is de rechtbank niet gebleken dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van een onjuiste situatie of van onjuiste feiten rond het pand [naam] en van de entree aan de Jodenbreestraat in het bijzonder. Ter zitting heeft de rechtbank de tekeningen van de huidige en toekomstige situatie samen met partijen bekeken en hebben partijen de situatie ter plaatse nog eens toegelicht. Ook daar is niet gebleken dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van onjuistheden. Dat de ruimtelijke onderbouwing tot stand is gebracht door een samenwerkingsverband uit [naam] maakt dat niet anders. Het advies van de CWM is weliswaar kort, maar ook daarvan is de rechtbank niet gebleken dat dit advies onjuistheden of onzorgvuldigheden bevat. Eiser heeft noch ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing, noch ten aanzien van welstand een contra-expertise overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het algemeen bestuur zich dan ook op de ruimtelijke onderbouwing en het advies van de CWM mogen baseren. Zowel uit de verhalen van eiser als uit de ruimtelijke onderbouwing valt op te maken dat er nu veel overlast is. Met het plan wordt beoogd deze overlast tegen te gaan. Dat eiser het geen goed plan vindt, omdat het niet voor alle overlast een oplossing biedt, betekent nog niet dat het algemeen bestuur zich niet op de ruimtelijke onderbouwing en bouwtekeningen heeft mogen baseren.

11.1

Eiser is het verder niet eens met de aanpassing van de entree aan de Jodenbreestraat, direct naast de ingang van zijn winkel. Eiser vreest dat de overlast daar juist zal toenemen. Door het verplaatsen van de toegangsdeur van [naam] aan de Jodenbreestraat naar de straatzijde zullen de junks in plaats van in de nis naast zijn winkel (2,5 meter van zijn winkeldeur) direct voor zijn winkeldeur gaan staan en/of urineren. Er blijft namelijk nog steeds een kleine nis/portiek over, waar iemand zich (even) van de straat kan afwenden. Daarnaast zal door het verplaatsen van de toegangsdeur ook de intercom/videofoon dichter naar de winkeldeur verplaatst worden. Eiser verwacht daarvan geluidsoverlast. Bewoners en bezoekers van [naam] zullen naar verwachting de deur naar eisers winkel blokkeren. Ook verwacht eiser dat de toegangsdeur nog meer geluidsoverlast zal veroorzaken in zijn winkel dan in de huidige situatie, omdat deze dichterbij de ingang van zijn winkel komt. Eiser vindt dat het project geen goede oplossing biedt voor de problemen in de buurt.

11.2

De rechtbank stelt vast dat [vergunninghoudster] één projectaanvraag heeft gedaan voor het wijzigen van alle entrees aan drie zijden van [naam] en dat het algemeen bestuur voor dat project één omgevingsvergunning heeft verleend. In de ruimtelijke onderbouwing is het accent gelegd op de gevolgen van het project aan het Waterlooplein, omdat het project alleen aan die zijde in strijd is met het bestemmingsplan. De belangenafweging van het algemeen bestuur ziet om die reden ook voornamelijk op het Waterlooplein. Het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat het project noodzakelijk is vanwege de overlast van junks en anderen en om de veiligheid en leefbaarheid van de buurt te verbeteren. Hiervoor is het noodzakelijk dat alle nissen waarin mensen zich ’s nachts ongezien kunnen ophouden en bijvoorbeeld urineren of drugs gebruiken, dus ook aan de zijde van de Jodenbreestraat, verdwijnen. Doordat de ingang aan de Houtkopersdwarsstraat de hoofdingang zal worden van het gebouw is de verwachting dat de ingang naast eisers winkel minder gebruikt zal worden.

11.3

Onder verwijzing naar deze ruimtelijke onderbouwing, en met inachtneming van de omstandigheid dat de wijzigingen aan de Jodenbreestraat zijn toegestaan op basis van het bestemmingsplan, is naar het oordeel van de rechtbank door het algemeen bestuur voldoende gemotiveerd dat de wijziging van de entree niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Meer onderzoek naar de ruimtelijke impact van het project was niet noodzakelijk. Tijdens de zitting heeft eiser erkend dat het project niet tot méér drukte bij de toegangsdeur naast zijn winkel zal leiden. Op basis van het plan is ook niet aannemelijk dat het door de wijzigingen van de entrees aan de Jodenbreestraat drukker zal worden. [vergunninghoudster] heeft toegezegd dat voor de nieuwe toegangsdeur een nieuw kozijn zal moeten worden geplaatst en de deur voorzien zal worden van een nieuwe dranger. Beide maatregelen zouden geluidsoverlast moeten tegengaan. Hoewel deze oplossingen in eisers visie misschien niet de beste oplossingen zijn, heeft het algemeen bestuur naar het oordeel van de rechtbank, na afweging van alle belangen, in redelijk kunnen concluderen dat het project, ook aan de zijde van de Jodenbreestraat wel een verbetering zal zijn ten opzichte van de huidige situatie.

12.1

Eiser heeft verder enkele alternatieve suggesties ingebracht, waar het algemeen bestuur naar zijn mening ten onrechte niets mee heeft gedaan.

12.2

Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient het bevoegde gezag, in dit geval het algemeen bestuur, te beslissen over het project zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor dat gezag aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen tot weigering van een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt1. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser en [vergunninghoudster] voorafgaand aan de vergunningaanvraag (minimaal) vier keer onderling overleg hebben gevoerd over alternatieven voor het plan. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het nu voorliggende plan. Dat de door eiser aangedragen alternatieven tot een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren zullen leiden is door hem niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal deze dan ook niet verder bij de beoordeling betrekken, omdat het huidige plan het uitgangspunt is.

Conclusie

13. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het algemeen bestuur met inachtneming van alle belangen in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het project heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en
mr. B. de Vos, leden,in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage juridisch kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De onder 2° bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet aangewezen de categorieën van gevallen in artikel 4 van Bijlage II.

Op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.

1 Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:619