Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8469

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
AWB 17/3189
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling en terugvordering pgb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/3189 en 17/3229

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] ,

(gemachtigde: mr. C.E. Kolthof),

en

het Zilveren Kruis Zorgkantoor, opvolger van het Achmea Zorgkantoor, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Saro).

Procesverloop

In de zaak met zaaknummer: 17/3189

Bij besluit van 18 april 2015 (de beschikking subsidievaststelling pgb I) heeft verweerder over 2013 het persoonsgebonden budget (pgb) vastgesteld op nihil en een bedrag van € 16.270,- aan pgb van eiser teruggevorderd.

In de beslissing op bezwaar van 30 september 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend.

Bij beslissing op bezwaar van 14 april 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de beslissing op bezwaar van 30 september 2015 herzien, de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

In de zaak met zaaknummer: AMS 17/3229

Bij de verantwoordingsbeschikking van 11 mei 2015 heeft verweerder het verantwoorde bedrag over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 van € 7.664,99 afgekeurd.

Bij de verantwoordingsbeschikking van 11 mei 2015 heeft verweerder het verantwoorde bedrag over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 van € 7.792,01 afgekeurd.

Bij brief van 25 juni 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 juli 2015 (de beschikking subsidievaststelling pgb II) heeft verweerder over 2014 het pgb vastgesteld op nihil en een bedrag van € 14.906,47 aan pgb van eiser teruggevorderd.

Bij beslissing op bezwaar van 14 april 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

In beide zaken

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken op zitting behandeld op 9 oktober 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande kennisgeving – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Chronologisch is het volgende gebeurd

1.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum] , beschikt over een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg voor de zorgfuncties “begeleiding individueel” met klasse 3, “begeleiding groep” met klasse 2. Eiser heeft op basis van deze indicatie voor het jaar 2013 en 2014 een pgb toegekend gekregen. Eisers vader, [naam 1] , verleent zorg aan eiser.

1.2.

Bij de verantwoordingsbeschikking van 18 december 2014 heeft verweerder het verantwoorde bedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 van € 8.068,14 afgekeurd.

1.3.

Bij de verantwoordingsbeschikking van 18 april 2015 heeft verweerder het verantwoorde bedrag over de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 van € 8.179,46 afgekeurd.

1.4.

Bij de beschikking subsidievaststelling pgb I van eveneens 18 april 2015 heeft verweerder over 2013 het pgb vastgesteld op nihil en een bedrag van € 16.270,- aan pgb van eiser teruggevorderd.

1.5.

Bij de verantwoordingsbeschikking van eveneens 11 mei 2015 heeft verweerder het verantwoorde bedrag over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 van € 7.664,99 afgekeurd.

1.6.

Bij de verantwoordingsbeschikking van 11 mei 2015 heeft verweerder het verantwoorde bedrag over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 van € 7.792,01 afgekeurd.

1.7.

Bij brief van 25 juni 2015 heeft eisers moeder, [naam 2] , bezwaar gemaakt tegen de afkeuring van de verantwoording van het jaar 2013 en 2014.

1.8.

Bij de beschikking subsidievaststelling pgb II van 25 juli 2015 heeft verweerder over 2014 het pgb vastgesteld op nihil en een bedrag van € 14.906,47,- aan pgb van eiser teruggevorderd.

2. Standpunten partijen

2.1.

Bij de bestreden besluiten I en II heeft verweerder het bezwaar ontvankelijk en ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich ten aanzien van de periode 1 januari 2013 tot en met 30 mei 2014 – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat er sprake is van discrepanties in de administratie van de besteding van het pgb bij de zorgverlener, waardoor het niet objectief controleerbaar is of het pgb van eiser in die periode daadwerkelijk is besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg die onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) valt. Niet kan worden achterhaald op basis waarvan de betalingen zijn overgemaakt. Over de periode 1 juni 2014 tot en met 31 december 2014 zijn de betalingen via de Sociale verzekeringsbank gelopen en valt wel de samenhang tussen de facturen en de bankafschriften te zien. Omdat de verleende zorg echter niet valt aan te merken als AWBZ-zorg, kunnen de zorgkosten niet worden goedgekeurd. Het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen weegt zwaarder dan de gevolgen van de verlaging van het pgb voor eiser, aldus verweerder.

2.2.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld. Volgens eiser is wel aannemelijk gemaakt dat over het jaar 2013 en 2014 zorg is ingekocht bij de zorgverlener die valt onder AWBZ-zorg en die vanuit het pgb mag worden betaald. Voorts is op grond van de administratie wel degelijk aantoonbaar te achterhalen op basis waarvan de betalingen over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 mei 2014 zijn overgemaakt. Dat geldt althans in ieder geval voor een deel van de betalingen. De bestreden besluiten zijn tot slot ondeugdelijk gemotiveerd voor wat betreft de belangenafweging.

3. Juridisch kader

3.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd. Artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa bevat de verplichting het pgb uitsluitend te gebruiken voor de betaling van AWBZ-zorg.

3.2.

Op grond van artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

3.3.

Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

3.4.

Volgens artikel 4:95, vierde lid, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4. Beoordeling door de rechtbank

Hoe zit het met het bezwaarschrift van 25 juni 2015?

4.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 juni 2015 een bezwaarschrift heeft ingediend. De rechtbank acht dit bezwaarschrift zowel te zijn gericht tegen de beschikking subsidievaststelling pgb I van 18 april 2015 (waarbij onder andere het pgb over het jaar 2013 is vastgesteld) als tegen de latere beschikking subsidievaststelling pgb II van 25 juli 2015 (waarbij onder andere het pgb over het jaar 2014 is vastgesteld). De rechtbank stelt voorts vast dat het bezwaarschrift buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 14 december 2016 (AWB 16/2453) in de zaak van de moeder van eiser, is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder deze termijnoverschrijding terecht als verschoonbaar heeft aangemerkt.

Inhoud

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de bestreden besluiten terecht vastgesteld dat eiser (of zijn vaders als wettelijk vertegenwoordiger en zorgverlener) voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 mei 2014 niet aan de pgb-verplichtingen heeft voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat discrepanties bestaan in de door eiser overgelegde administratie. Eiser heeft geen facturen of urendeclaraties overgelegd. Wel heeft eiser een zorgovereenkomst en bankafschriften overgelegd. Uit de zorgovereenkomst blijkt dat eisers vader zorg verleend voor 15 uur per week en dat er een vast maandtarief is afgesproken van € 1.288,08. Uit de bankafschriften in de bedoelde periode is echter niet te zien dat er maandelijks een betaling van € 1.288,08 wordt verricht. In 2013 en de eerst helft van 2014 zijn in totaal wel zeven keer een betaling verricht aan de zorgverlener. Er wordt echter bij geen enkele betaalomschrijving verwezen naar een periode waarop de betaling ziet. Daarnaast komt het veelvoud van het afgesproken maandbedrag ook niet overeen met één van die zeven betalingen aan de zorgverlener. Zo is in de eerste helft van 2013 een bedrag van € 4.056,- betaald en een bedrag van € 8.068,14 verantwoord. In de tweede helft van 2013 is een bedrag van € 8.200,93 overgemaakt en een bedrag van € 8.179,46 verantwoord. Over de eerste helft van 2014 is in totaal een bedrag van € 5.166,02 overgemaakt terwijl er een bedrag van € 7.664,99 is opgegeven als verantwoord bedrag. Tot slot is niet duidelijk welke betalingen op welke budgethouder betrekking hebben. Zowel eiser als zijn moeder ontvangen namelijk een pgb en hebben dezelfde zorgverlener. Beide pgb’s worden op de rekening van de moeder gestort.

4.3.

Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten terecht heeft vastgesteld dat eiser niet aan de pgb-verplichtingen heeft voldaan. Dit is met name relevant voor de periode 1 juni 2014 tot en met 31 december 2014. Hoewel niet in geschil is dat een deel van de zorg die aan eiser is verleend (namelijk het aanbrengen van structuur aan de hand van pictogrammen en aan de hand van kaarten de stemming van budgethouder peilen) is aan te merken als ABWZ-zorg, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt hoeveel uren er aan AWBZ-zorg is verleend boven de gebruikelijke zorg van één uur per etmaal. Eiser heeft daartoe geen gegevens overgelegd. De in bezwaar overgelegde zorgbeschrijving maakt dit niet anders, omdat deze te summier is en niet duidelijk weergeeft welke feitelijke zorgactiviteiten hebben bijgedragen aan het concreet ondersteunen of bij het oefenen met vaardigheden of handelingen en/of het concreet ondersteunen bij het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie.

4.4.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser de besteding van het pgb over 2013 en 2014 niet toereikend heeft verantwoord. Verweerder was dan ook bevoegd om het pgb lager vast te stellen dan de bij de verlening bepaalde bedragen. Verweerder is dus bevoegd om de onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheden gebruikt heeft kunnen maken.

4.5.

De rechtbank overweegt dat verweerder de discretionaire bevoegdheid om de pgb’s lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, dient uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. De rechtbank kan zich in de gegeven omstandigheden ook verenigen met de door verweerder gemaakte belangenafweging. Gebleken is dat eiser zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden. Uit de door eiser verstrekte verantwoording kan op geen enkele wijze worden opgemaakt welke zorg in welke mate is verleend. Hierdoor heeft verweerder het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting kunnen laten prevaleren. De rechtbank ziet geen grond voor eisers standpunt dat verweerder hetgeen is opgemerkt over de verantwoording, niet had mogen meewegen bij zijn belangenafweging. Het is de rechtbank tot slot niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder niet redelijkerwijs het pgb bedrag op nihil heeft kunnen stellen en tot terugvordering had kunnen overgaan.

4.6.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I en het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht is dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.