Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8461

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
13/701598-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man krijgt 3 maanden gevangenisstraf (waarvan 84 dagen voorwaardelijk) en een taakstraf van 160 uur voor zware mishandeling en het vervoeren van cocaïne en MDMA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701598-17 (Promis)

Datum uitspraak: 20 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] en de toelichting die de benadeelde partij en zijn raadsvrouw mr. C. Sent hebben gegeven.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1 primair

hij op of omstreeks 08 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en/of een gebroken kaak en/of een gebroken neus en/of zwellingen en/of (snij)wonden in het gezicht en/of een of meer tanden door de lip en/of een of meer gekneusde ribben, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht):

- eenmaal of meermalen met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan en/of

- een of meer knietjes in/op/tegen het lichaam en/of op/tegen het hoofd te geven.

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht);

- eenmaal of meermalen met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en/of

- een of meer knietjes in/op/tegen het lichaam en/of op/tegen het hoofd heeft gegeven.

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 08 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht):

- eenmaal of meermalen met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam) heeft gestompt en/of geslagen en/of

- een of meer knietjes in/op/tegen het lichaam en/of op/tegen het hoofd heeft gegeven,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken oogkas en/of een gebroken kaak en/of een gebroken neus en/of zwellingen en/of (snij)wonden in het gezicht en/of een of meer tanden door de lip en/of een of meer gekneusde ribben), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Feit 2

hij op of omstreeks 07 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt (aan [naam] ) en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 3,99 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of (ongeveer) 15 tabletten MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Uit de aangifte en getuigenverklaringen blijkt dat verdachte hard heeft geslagen. Dit in combinatie met het geconstateerde letsel leidt tot de conclusie dat de zware mishandeling bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich voor wat betreft de mishandeling, het geven van klappen tegen het gezicht en/of lichaam, aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel ontbreekt een letselverklaring in het dossier, zodat de verklaring van aangever voor wat betreft het letsel niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel. De stukken die de benadeelde partij met het voegingsformulier aan het dossier heeft toegevoegd, mogen niet voor het bewijs worden gebruikt. Het geven van knietjes kan vanwege het ontbreken van bewijs niet worden bewezen. Nu verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet had om door het geven van klappen in het gezicht en/of tegen het lichaam zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dient hij van de (poging tot) zware mishandeling te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde refereert de verdediging zich voor wat betreft het vervoeren en/of het aanwezig hebben van de 3,99 gram cocaïne en 15 tabletten MDMA aan het oordeel van de rechtbank. Niet kan worden bewezen dat verdachte deze hoeveelheden aan de koper heeft verstrekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de zware mishandeling (feit 1 primair), de mishandeling (feit 1 meer subsidiair) en het vervoeren van cocaïne en MDMA (feit 2) bewezen. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

Feit 1

Op 8 april 2017 te Amsterdam reed aangever [slachtoffer] in zijn Canta en werd hij al toeterend ingehaald en afgesneden door verdachte. Deze inhaalactie leidde vervolgens tot een verkeersruzie als verdachte en [slachtoffer] in hun voertuigen achter elkaar staan te wachten bij het stoplicht. Aangever [slachtoffer] is uitgestapt en naar de auto van verdachte gelopen. Naar eigen zeggen heeft [slachtoffer] verdachte enkel aangesproken op zijn gedrag.2 De rechtbank gaat op dit punt echter uit van de lezing van verdachte, omdat deze gesteund wordt door de verklaring van getuige [naam getuige 1] . Uit de verklaring van [naam getuige 1] blijkt dat [slachtoffer] een slaande beweging door het openstaande autoraam in de richting van verdachte heeft gemaakt.3 Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem door zijn autoraam met een gebalde vuist in zijn gezicht sloeg, maar dat dat niet echt pijn deed. Verdachte was boos, is uitgestapt en stond tegenover [slachtoffer] .4

Uit de verklaringen van verdachte en getuige [naam getuige 2] volgt dat [slachtoffer] verdachte van zich af heeft geduwd met twee handen in de nek van verdachte.5 Of de duw van [slachtoffer] uit zelfverdediging is gegeven kan de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen.

Vervolgens heeft verdachte – naar eigen zeggen uit zelfverdediging – aangever [slachtoffer] met een gebalde vuist in het gezicht geslagen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij na deze klap tegen de auto van verdachte is gevallen en dat verdachte hem daarna meermalen heeft geslagen en knietjes heeft gegeven. Verdachte heeft verklaard dat er na de vuistslag over en weer is geslagen. Hij is gestopt met slaan toen hij het letsel bij aangever zag, hij heeft geen knietjes gegeven.

Op grond van de verklaringen van getuige [naam getuige 3]6, [naam getuige 4]7, [naam getuige 5]8 en aangever [slachtoffer]9 gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte na de duw van aangever een flinke vuistslag heeft gegeven waardoor [slachtoffer] hard tegen het portier van de auto is gevallen. Hierna heeft verdachte blijkens voornoemde bewijsmiddelen meerdere vuistslagen in het gezicht en knietjes in de zij van aangever gegeven. De rechtbank baseert dit voorts op het letsel dat uit de hieronder genoemde bewijsmiddelen naar voren komt. Dat [slachtoffer] verdachte na de eerste vuistslag heeft teruggeslagen is niet aannemelijk geworden.

De verbalisant die de aangifte heeft opgemaakt en een foto van het letsel heeft gemaakt (p. 6) heeft het volgende letsel gezien bij [slachtoffer] : “Boven het rechter oog een snee van ongeveer 4 centimeter. Midden op het voorhoofd een kleine schaafwond. Rechteroog geheel opgezwollen en blauw/paars van kleur. Verband onder de neus doorlopen met bloed. Aangever klaagde over zijn ribben en kon amper zitten dan wel lopen”.

Uit de geneeskundige verklaringen blijkt verder het volgende:

 SEH arts: Forse zwelling midden op voorhoofd met verticaal verlopende wond van 3 cm lengte tot wenkbrauw. Neus gezwollen. Tevens zwelling over zygoma (jukbeen) en rondom rechter oog. Conclusie: Fors aangezichtsletsel met o.a. fractuur orbitabodem (oogkas). Contusie ribben links. Wond gelaat.10

 Chirurgie: Fractuur orbitabodem rechts, een ‘os nasale fractuur ‘(neusfractuur) en een sinus maxillaris (kaakfractuur).11

 KNO: Neusobstructieklachten, een operatieve ingreep is het doel voor een betere passage.12

Zwaar lichamelijk letsel en/of lichamelijk letsel

Of sprake is van zwaar lichamelijk letsel hangt af van de aard en de ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsel, te weten een gebroken oogkas, een gebroken kaak en een gebroken neus, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals deze uit de bewijsmiddelen naar voren komen, evenals de combinatie van deze letsels, zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Uit de geneeskundige verklaring van de KNO-arts van 17 augustus 2017, het voegingsformulier van het slachtoffer alsmede de schriftelijke slachtofferverklaring, welke ter zitting van 6 november 2017 zijn besproken en in het dossier zijn gevoegd, blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks de gevolgen van de mishandeling ondervindt. Hij heeft nog steeds veel pijn aan zijn neus en oogkas. Op 30 oktober 2017 heeft [slachtoffer] een hersteloperatie aan zijn neus ondergaan, omdat hij nog steeds niet goed kan ruiken en ademhalen als gevolg van een versmalde neuspassage. De snee op zijn voorhoofd heeft tot een ontsierend litteken geleid. Ook heeft [slachtoffer] verminderd zicht aan zijn rechteroog, het is nog onduidelijk of dit in de toekomst zal herstellen.

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat de geneeskundige verklaringen gelden als andere geschriften in de zin van de wet en kunnen bijdragen aan het bewijs voor het zwaar lichamelijk letsel. Volgens vaste rechtspraak mag ook een schriftelijke slachtofferverklaring, welke in het dossier is gevoegd, voor het bewijs worden gebruikt (HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2359). De stelling dat geneeskundige verklaringen niet als andere geschriften voor het bewijs mogen worden gebruikt, vindt geen steun in het recht, met name niet in artikel 339 lid 1 en artikel 344 lid 1 onder 5º van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De overige onder 1 primair ten laste gelegde letsels, te weten zwellingen, snijwonden in het gezicht, tanden door de lip en gekneusde ribben, zijn niet zonder meer te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Daarom volgt een partiële vrijspraak ten aanzien van de zware mishandeling. De handelingen die tot deze letsels hebben geleid leveren echter wel een eenvoudige mishandeling op. Overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2187) zal de rechtbank voor die handelingen de eenvoudige mishandeling, zoals meer subsidiair ten laste gelegd, bewezen verklaren.

Opzet

Verdachte heeft aangever met een gebalde vuist in het gezicht geslagen en nadat aangever was gevallen, heeft verdachte hem tot bloedens toe geslagen en knietjes gegeven.

Over zijn gewelddadig gedrag heeft verdachte bij de politie verklaard: “Onbegrijpelijk dat een oudere man zo zelfverzekerd op een jonge man afkwam. Voor mij was het gewoon zo. Als je me slaat sla ik terug”.13

Hieruit leidt de rechtbank af, in onderlinge samenhang bezien met de andere bewijsmiddelen, dat verdachte door zo te handelen aangever daadwerkelijk pijn en letsel wilde toebrengen, en dus het (vol) opzet had mishandeling van aangever. Gelet op de aard van het toegepaste geweld en het ontstane letsel kan het voorts niet anders zijn dan dat verdachte tenminste rekening heeft gehouden met de aanmerkelijke kans dat hij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. In zoverre acht de rechtbank voorwaardelijk opzet bewezen.

4.3.2

Feit 2

De rechtbank stelt vast dat voor wat betreft het vervoeren van de harddrugs sprake is van een bekennende verdachte, als bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv, en grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de volgende bewijsmiddelen.

  1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter zitting van 6 november 2017.

  2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017143870-6 van 8 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam opsporingsambtenaar 1] , [naam opsporingsambtenaar 2] en [naam opsporingsambtenaar 3] , inhoudende de verklaring van de verbalisanten (p. 4-6).

  3. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2017143870-11 van 7 juli 2017, ten name van beslagene [verdachte] , opgemaakt door hoofdagent van politie [naam opsporingsambtenaar 3] (p. 47-50, in het bijzonder volgnummers 2 en 4).

  4. Een verslag, te weten een rapport met nummer 0777N17 van 25 juli 2017, opgesteld door forensisch expert dr. P. Hommerson, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 1 primair

op 8 april 2017 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en een gebroken kaak en een gebroken neus, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet, met kracht, meermalen met gebalde vuist tegen het gezicht te stompen;

en

meer subsidiair

op 8 april 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] ,

- meermalen met gebalde vuist tegen het gezicht heeft gestompt en

- knietjes tegen het lichaam heeft gegeven,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwellingen en snijwonden in het gezicht en een of meer tanden door de lip en gekneusde ribben heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Feit 2

op 7 juli 2017 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd 3,99 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 15 tabletten van een materiaal bevattende MDMA.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

6.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake was van een noodweersituatie.

De verklaring van verdachte dat de aangever met de agressie en het geweld is begonnen, wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] .

Verdachte zat ten tijde van de aanval van aangever in zijn auto. Aangever heeft hem geslagen door het openstaande raam. Om te voorkomen dat verdachte verder werd geslagen is hij uit zijn auto gestapt. Buiten de auto is aangever verder gegaan met zijn geweld door verdachte ter hoogte van zijn nek vast te pakken. Hij mocht zich verdedigen tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd disproportioneel is geweest, doordat hij bleef doorslaan, komt verdachte onder deze omstandigheden een beroep op (extensief) noodweerexces toe, nu aannemelijk is dat hij heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging.

6.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces moet worden verworpen, omdat geen sprake was van een noodweersituatie.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De Hoge Raad heeft op 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:456) een overzichtsarrest gewezen waarin de voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) nogmaals uiteen zijn gezet. Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging tegen deze aanranding noodzakelijk (subsidiair) en geboden (proportioneel) te zijn. Indien de grenzen van proportionaliteit zijn overschreden, maar sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een wederrechtelijke aanranding, kan noodweerexces in beeld komen.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

Uit de stukken van het dossier en de behandeling ter zitting is aannemelijk geworden dat de aangever eerst een slaande beweging heeft gemaakt door het openstaande raam van verdachtes auto. Kort daarna, toen verdachte uit zijn auto was gestapt, heeft aangever verdachte een duw gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan het slaan en duwen door aangever worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte.

Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er voor verdachte na de duw een noodzaak bestond om zich te verdedigen, of dat verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken.

Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte na het uitstappen een duw krijgt. Zowel aangever als verdachte bevinden zich op dat moment op straat. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op straat voldoende ruimte had om zijn portier te openen en dat hij na het uitstappen pas tegenover aangever stond. Hieruit begrijpt de rechtbank dat verdachte niet “klem” stond na de duw en dat verdachte zich na de duw aan de situatie had kunnen onttrekken door bij aangever weg te lopen of in zijn auto te stappen.

Niettemin gaat de rechtbank er vanuit dat dit onder de gegeven omstandigheden niet van hem gevergd kon worden. Kort daarvoor was hij immers in zijn auto al geslagen door aangever [slachtoffer] , het incident speelde zich op straat in het verkeer af en weglopen zou betekenen dat hij zijn auto midden op straat zou moeten achterlaten. Bovendien – zo verklaarde verdachte – wilde hij aangever van zich afhouden.

De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich mocht verdedigen.

Verdediging moet geboden zijn

Vervolgens is het de vraag of de verdediging geboden en derhalve proportioneel was. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de aanranding.

De eerste vuistslag in het gezicht van aangever [slachtoffer] is dermate hard dat [slachtoffer] direct ‘out’ gaat en hard tegen de auto valt. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met een duw, zeker nu het ook zijn doel was om “aangever van zich af te houden”. Na die eerste harde vuistslag heeft verdachte de grens van de proportionaliteit nog verder overschreden door meerdere vuistslagen en knietjes te geven als [slachtoffer] al is gevallen.

Gelet op het ontbreken van de proportionaliteit kan het noodweerverweer niet slagen.

De bewezen geachte feiten zijn strafbaar. Het bestaan van het een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Noodweerexces

Van noodweerexces kan alleen sprake als de gedraging van verdachte het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die het gebruikte geweld zou kunnen excuseren. Verdachte heeft voor het eerst ter zitting verklaard dat hij bang en verward was. Over een dergelijke gemoedsbeweging heeft hij kort na het incident bij de politie maar ook later bij de rechter-commissaris niets verklaard. Wat hij wel heeft verklaard wijst eerder op een rationele afweging. Bij de politie heeft hij opgemerkt dat hij ‘gewoon ook zijn eigen gezicht wilde heel houden’ en voorts, zoals hierboven al aangehaald, dat hij het “onbegrijpelijk vindt dat een oudere man zo zelfverzekerd op een jonge man afkwam” en “Voor mij was het gewoon zo. Als je me slaat sla ik terug”. De rechtbank leidt hieruit af dat, zo al van angst en verwarring sprake is geweest, deze niet op de voorgrond heeft gestaan. Het verweer slaagt niet.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregel

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Beslag

Het bedrag van 50 euro, dat onder verdachte is inbeslaggenomen en verdachte heeft verkregen na het afleveren van de cocaïne, dient te worden verbeurd verklaard.

Op het overige inbeslaggenomen geld ligt conservatoir beslag ten behoeve van een door de rechter op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn handelen niet buiten zichzelf heeft gelegd. Hij heeft vandaag ter zitting in het bijzijn van het slachtoffer zijn spijt betuigd en in een eerder stadium, bij de rechter-commissaris, al gezegd dat hij dit niet heeft gewild en dat dit nooit had mogen gebeuren. De raadsman heeft bepleit de eis van de officier van justitie niet te volgen en in plaats van gevangenisstraf een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Het taakstrafverbod kan worden omzeild door een gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ook in het geval de rechtbank niet overgaat tot het opleggen van bijzondere voorwaarden is verdachte van plan om de training bij De Waag te gaan volgen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een zware mishandeling en mishandeling. Hij heeft het slachtoffer zo hard geslagen dat het slachtoffer daardoor onder meer een gebroken oogkas, een gebroken kaak en een gebroken neus heeft opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer niet alleen fysieke schade toegebracht. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen daarvan nog geruime tijd de psychische nadelen ondervinden. Uit de ter zitting voorgehouden slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer hier nog dagelijks de nadelen van ondervindt. Daarbij komt nog dat dit soort geweldsmisdrijven bijdraagt aan de in de samenleving heersende gevoelens van onrust en onveiligheid, in het bijzonder nu het voorval op klaarlichte dag en op de openbare weg plaatsvond.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de escalatie van de gebeurtenissen is begonnen met het gedrag van het slachtoffer. Verdachte mocht zich daartegen verdedigen, maar is daarin veel te ver gegaan. Voor het door hem toegepaste ernstige geweld was geen rechtvaardiging of excuus.

Bij een andere gelegenheid heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een voor de handel bestemde hoeveelheid harddrugs. Het aanwezig hebben en vervoeren van harddrugs is strafbaar gesteld, omdat drugs schadelijk zijn voor de gezondheid.

Gezien de ernst van de bewezen geachte feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, het strafblad van verdachte en de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd.

Kijkend naar de persoon van verdachte heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel van de Justitiële Documentatie van 10 oktober 2016 geen onbekende voor justitie. Uit de twee reclasseringsrapportages die ter zitting zijn besproken komt echter naar voren dat verdachte zijn leven ten opzichte van een aantal jaren geleden redelijk op orde heeft en dat hij afgezien van het bewezen geachte de afgelopen jaren bijna geen strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte is zich meer bewust geworden van zijn criminele gedragingen en het negatieve effect hiervan op zijn leven. Hij maakte op de reclassering een oprechte indruk. Het advies van de reclassering houdt in dat aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijk straf wordt opgelegd met een meldplicht en de verplichting om zich te laten behandelen bij “De Waag” of soortgelijke ambulante forensische zorginstelling.

De rechtbank heeft bij de bespreking van deze rapporten en het advies, evenals de reclassering de indruk gekregen dat verdachte oprecht van plan is verder op de goede weg te blijven en herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Verdachte heeft ter zitting ook spijt betuigd aan het slachtoffer.

Alles in aanmerking genomen, ziet de rechtbank aanleiding om ten gunste van verdachte af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank acht gezien de ernst en gevolgen van de feiten afgewogen tegen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, oplegging van een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf passend en geboden. Het onvoorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf is gelijk aan de 6 dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijk gedeelte dient verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

7.4.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.4.1.

De inhoud van de vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft met betrekking tot het onder 1 bewezen geachte betaling van € 6.485,85 aan schadevergoeding gevorderd. Dit geldbedrag bestaat onder meer uit € 1.485,85 aan materiële schadevergoeding, onderverdeeld in de volgende schadeposten:

1. reiskosten € 12,26

2. begroting beschadigd gebit € 1.050,54

3. kosten opvragen medische informatie € 38,05

4. eigen risico 2017 of 2017 € 385,00

De vordering tot betaling van schadevergoeding bestaat daarnaast uit € 5.000,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft verzocht om bij toewijzing van de vordering het door hem geleden schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op leggen.

7.4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

7.4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. Er is sprake van medeschuld nu de aangever is begonnen met het geweld tegen verdachte. Hierdoor wordt de beoordeling van de vordering te complex nu de mate van medeschuld dient te worden vastgesteld. De raadsman heeft verder bepleit dat het causaal verband tussen de opgevoerde tandheelkundige hulp en het voorval niet voldoende vaststaat, zodat dat deel van de vordering niet kan worden toegewezen. Verder is niet duidelijk in hoeverre het eigen risico (ook) geldt voor het gebitsframe.

7.4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] door het onder 1 primair en meer subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en zal bij de begroting van de immateriële schade rekening houden met de rol die het slachtoffer zelf heeft gespeeld. Ten aanzien van de materiele schade ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

De vordering is voor wat betreft de posten 2. en 4. betwist.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft over deze posten ter zitting een nadere toelichting gegeven. Als gevolg van het geweld tegen het hoofd van de benadeelde partij zijn er twee tanden beschadigd met daarin twee vullingen. Het gebitsframe is eveneens beschadigd en vervormd en niet meer bruikbaar. Vanwege aanhoudende klachten heeft de kaakchirurg een relaxatieplaat geadviseerd. Als gevolg van deze tandtechnische kosten zal het eigen risico in rekening worden gebracht, maar dat weet de benadeelde partij nog niet omdat hij wacht op facturen van het ziekenhuis en hij nog niet is uitbehandeld.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank, voor wat betreft de posten 1. en 3. niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 april 2017.

Ook de gevorderde schadevergoeding voor wat betreft post 2. komt de rechtbank gelet op de toelichting van de raadsvrouw niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Voor deze schadepost wordt geen wettelijke rente toegekend

Voor post. 4 zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd, omdat niet duidelijk hoe het nog niet in rekening gebrachte eigen risico zich verhoudt tot de begroting voor de gebitsschade. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, mede bezien zijn eigen rol in de aanloop naar de geëscaleerde verkeersruzie en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 8 april 2017.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair en meer subsidiair

Eendaadse samenloop van: Zware mishandeling en mishandeling.

Feit 2

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 160 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 84 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde moet zich melden bij de Reclassering Nederland op het adres [adres 1] . De duur van het reclasseringstoezicht kan evenredig zijn aan de duur van het behandeltraject. Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Behandelverplichting – ambulante behandeling
Veroordeelde wordt verplicht deel te nemen aan een behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Wijst de vordering van [slachtoffer] , domicilie kiezende op het adres van zijn advocaat, mr. C. Sent, [adres 2] , toe tot € 4.100,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over een deel van dat bedrag, te weten: € 3.050,31, vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 april 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , domicilie kiezende op het adres van zijn advocaat, mr. C. Sent, [adres 2] , € 4.100,85 aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een deel van dat bedrag, te weten: € 3.050,31, vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 april 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 51 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op de - geschorste - bevelen tot voorlopige hechtenis in de zaken met parketnummers 13/701598-17 en 13/702134-17.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en R. Funke Küpper, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2017.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] (p. 3-6).

3 Proces-verbaal van bevindingen (p. 20-21)

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte (p. 33-37.)

5 Proces-verbaal van bevindingen (p. 11-12)

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 3] (p. 26)

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 4] (p. 28-29)

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 5] (p. 31)

9 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] (p. 3-6).

10 Een geschrift, te weten een kopie van een geneeskundige verklaring van drs. MP. Gorzeman, SEH Arts KNMG, van 8 april 2017 ten name van [slachtoffer] .

11 Een geschrift, te weten een kopie van een geneeskundige verklaring van mw. E.C. Gertsen, Chirurgie, van 9 april 2017 ten name van [slachtoffer] .

12 Een geschrift, te weten een kopie van een geneeskundige verklaring van KNO-arts i.o. dr. M.C. Berkhout en KNO-arts drs. R. Hoffmans van 17 augustus 2017 ten name van [slachtoffer] .

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte (p. 33-37, in het bijzonder p. 36).