Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8433

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3812
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kinderopvangtoeslag / beroep ongegrond / sociaal-medische indicatie valt buiten de Wko

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: N. Marienus).

Procesverloop

In de definitieve berekening toeslagen 2015 van 3 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 definitief berekend op € 121,- en vastgesteld dat eiser € 1.225,- moet terugbetalen.

In het besluit van 19 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook de echtgenote van eiser, [naam] , was op de zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.1

Eiser, geboren op [geboortedatum] , is gehuwd met [naam] die tevens zijn toeslagpartner is. Hij heeft de chronische ziekte M.S. en ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Daarnaast verricht eiser werkzaamheden voor zijn [naam] Hij heeft ten behoeve van zijn kind [naam] , geboren op [geboortedatum] , in het jaar 2015 voorschotten kinderopvangtoeslag van verweerder ontvangen. De hoogte daarvan is laatstelijk herzien bij voorschotbeschikking van 5 februari 2016 en vastgesteld op € 1.314,-.

1.2

In het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op basis van het aantal uren dat eiser heeft gewerkt de kinderopvangtoeslag van eiser over 2015 definitief berekend en vastgesteld op € 121,-. Eisers gewerkte uren in het jaar 2015 heeft verweerder gebaseerd op de door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ontvangen gegevens. Eiser heeft daarnaast geen traject naar werk, een opleiding of een inburgeringscursus gevolgd. Dat eiser vanwege zijn ziekte niet in staat is om zelf voor zijn kind te zorgen, maakt volgens verweerder niet dat hij recht heeft op kinderopvangtoeslag. Hij dient zich te wenden tot de gemeente om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang te krijgen.

Standpunten van eiser

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij door zijn chronische ziekte een WIA-uitkering ontvangt, omdat hij volledig arbeidsongeschikt is. Hij is vanwege zijn chronische ziekte niet in staat om zijn zoon op te vangen, net als dat hij niet in staat is om te werken of een opleiding te volgen. Zijn echtgenote werkte in 2015 fulltime en kon dus ook niet voor hun zoon zorgen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met deze specifieke situatie en heeft ten onrechte de kinderopvangtoeslag over 2015 gekort. Eiser meent dan ook dat hij gelet op het voorgaande aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag voor de volledige aangevraagde opvanguren.

Relevante wettelijke bepalingen

3.1

Op grond van artikel 1.3, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing.

3.2

Op grond van artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wko heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten.

3.3

Op grond van artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wko heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de ouder – samengevat weergegeven en voor zover relevant - in dat jaar recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten behoeve van wie het UWV werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces laat verrichten.

Beoordeling

4.1

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in het jaar 2015 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang ten behoeve van zijn kind [naam] . De gegevens van het UWV waar het aantal gewerkte uren uit blijkt en op basis waarvan verweerder de kinderopvangtoeslag over 2015 heeft berekend, heeft eiser niet bestreden. In geschil is of eiser recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de uren waarin hij weliswaar niet heeft gewerkt, maar toch kinderopvang nodig had, omdat hij vanwege zijn ziekte niet in staat was voor zijn kind te zorgen.

4.2

Hoewel de rechtbank gezien de medische situatie van eiser niet twijfelt aan de noodzaak van kinderopvang voor zijn kind in 2015, voldoet eiser niet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wko.

4.3

De wetgever heeft erkend dat er naast de combinatie van arbeid en zorg andere omstandigheden kunnen zijn die kinderopvang noodzakelijk maken, waaronder een handicap of chronische ziekte van de ouder. De uitvoering van deze kinderopvang op een zogeheten sociaal-medische indicatie is overgelaten aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (Kamerstukken II 2001-2002, 28 447, nr. 3, blz. 15). In zijn brief van 3 juli 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vermeld dat gemeenten sinds 2005, het jaar van inwerkingtreding van de Wko, verantwoordelijk zijn voor kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie en dat hiervoor gezinnen in aanmerking kunnen komen die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, bijvoorbeeld omdat een van de ouders werkt, terwijl de andere ouder om sociale of gezondheidsredenen tijdelijk niet in staat is voor de kinderen te zorgen. De minister zet in deze brief verder uiteen dat hij kinderopvang voor deze doelgroep beschouwt als een onderdeel van de gemeentelijke uitvoering in het sociale domein, waarvoor het Rijk jaarlijks een bedrag aan de algemene uitkering van het Gemeentefonds toevoegt. (Kamerstukken II 2013-2014, 31 322, nr. 245).

4.4

Onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis en gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1478), overweegt de rechtbank dat de wetgever er expliciet voor heeft gekozen om de situatie van eiser niet onder het bereik van de Wko te brengen. Deze omstandigheden zijn reeds verdisconteerd in artikel 1.6 van de Wko. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser zich dient te wenden tot het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam voor een bijdrage in de kosten van kinderopvang in verband met een sociaal-medische indicatie. Ter zitting is gebleken dat eiser nog geen aanvraag heeft ingediend en zo spoedig mogelijk daartoe zal overgaan. Of die aanvraag ook voor het jaar 2015 zal worden toegewezen is nog de vraag, nu een sociaal-medische indicatie in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt afgegeven.

Conclusie

5. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet anders concluderen dan dat verweerder de kinderopvangtoeslag van eiser over het jaar 2015 op grond van artikel 1.6 van de Wko terecht heeft vastgesteld op € 121,-. De rechtbank overweegt dat in artikel 26 van de Awir is bepaald dat het teruggevorderde bedrag in zijn geheel terugbetaald moet worden. In de Awir is geen bepaling opgenomen dat verweerder van terugvordering kan afzien of het bedrag kan matigen. Dit betekent dat verweerder het totale bedrag van € 1.225,- moet terugvorderen en dat de persoonlijke en financiële omstandigheden van eiser daar geen verandering in kunnen brengen. Eiser kan verweerder verzoeken om een betalingsregeling.

6. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.