Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:839

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
13/752043-16, 16/8294
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executie EAB België / aanhouding ivm lopende verzetprocedure in België

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752043-16

RK nummer: 16/8294

Datum uitspraak: 14 februari 2017

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 december 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juli 2016 door C. Dederen, Eerste Subsitituut-Procureur des Konings te Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentie adres] ;

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 januari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege haar volle agenda niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een verstekvonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout van 12 maart 2015, griffienummer 421/2015 inzake TU60.98.1846-134.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 30 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het voornoemde EAB onder punt 3.4 het volgende vermeld:

De beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

- de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en

- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal worden toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en

- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet, namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen).

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting overgelegd:

- een kopie van de dagvaarding om op 30 januari 2017 voor de rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout, te verschijnen; en

- een e-mailbericht van 30 januari 2017 van de gemachtigd raadsvrouw van de opgeëiste persoon in België die namens hem verzet heeft gedaan tegen het bedoelde vonnis, waarin zij meedeelt dat de zaak op 30 januari 2017 is ingeleid en dat de zaak voor behandeling is gesteld op 20 februari 2017.

De verdediging heeft aangevoerd dat inmiddels verzet is ingesteld tegen het bedoelde vonnis en dat het de vraag is of door het instellen van dit verzet de grondslag aan dit EAB is komen te ontvallen. Primair verzoekt de verdediging daarom om de overlevering te weigeren en subsidiair om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te winnen bij de Belgische justitiële autoriteiten omtrent de vraag of het noodzakelijk is dat de opgeëiste persoon bij de behandeling van zijn verzet op 15 februari 2017 aanwezig is.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de zaak. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat, zolang het verzetschrift niet inhoudelijk is behandeld, de grondslag van het EAB nog steeds van kracht is.

De rechtbank overweegt dat onduidelijk is of de opgeëiste persoon in zijn verzet zal worden ontvangen. Om te voorkomen dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd voor de tenuitvoerlegging van een – naar achteraf blijkt – onherroepelijke vrijheidsstraf, acht de rechtbank het van belang om de beslissing over de ontvankelijkheid van het ingestelde verzet af te wachten. Daarom is er aanleiding om het onderzoek te heropenen.

4 Beslissing

HEROPENT EN SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de beslissing over de ontvankelijkheid van het ingestelde verzet af te wachten.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.