Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:838

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
13/751285-16, 16/6307
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executie EAB Polen / OP niet bij inhoudelijke behandeling aanwezig / gemachtigd raadsman in Polen teruggetrokken / niet gebleken dat OP de hoogte was van de zittingsdatum / weigering ogv art 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751285-16

RK nummer: 16/6307

Datum uitspraak: 14 januari 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 september 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 maart 2014 door the District Court of Legnica (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:

[adres] , [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 november 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.S. Dobosz, advocaat te Wassenaar en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 7 mei 2012 van the Regional Court in Rawicz, met kenmerk II K 105/11.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 9 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB resteert nog een straf van 8 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 november 2016 en 31 januari 2017 het volgende vast.

Bij punt 4.1 onder d van het EAB hebben de Poolse autoriteiten vermeld dat het vonnis niet aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend. De opgeëiste persoon is wel ter terechtzitting verschenen op 14 juni 2011 en heeft daar verklaringen over de ten laste gelegde feiten afgelegd. Vervolgens heeft hij een raadsman gemachtigd die niet heeft deelgenomen aan het verdere verloop van de terechtzitting op 7 mei 2012, waar ook de opgeëiste persoon niet is verschenen. Volgens de Poolse autoriteiten is het vonnis niet bij verstek gewezen en dat het zeven dagen na het uitspreken ervan onherroepelijk is geworden.

De Poolse autoriteiten hebben verder vermeld dat de opgeëiste persoon nog een verzetgarantie op grond van artikel 540b van het Poolse Wetboek van Strafrecht heeft.

Deze garantie is echter niet onvoorwaardelijk en voldoet volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank niet aan de vereisten van artikel 12 van de OLW. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12 sub d OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

Het Openbaar Ministerie heeft daarom bij e-mailbericht van 10 november 2016 aanvullende vragen gesteld.

Bij brief van 15 november 2016 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB aangevuld.

Daarbij is vermeld dat zittingen hebben plaatsgevonden op 14 juni 2011, 2 augustus 2011, 11 oktober 2011, 6 december 2011, 30 januari 2012, 20 maart 2012 en 7 mei 2012. Verder is vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de terechtzitting op 7 mei 2012, waar het bewijs is voorgehouden en getuigen zijn gehoord, en dat de raadsman zich op 16 maart 2012 heeft teruggetrokken.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon niet in staat is geweest om adequaat zijn verdediging te voeren. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij niet wist dat zijn raadsman zich in deze zaak had teruggetrokken en dat hij ook niet begrijpt waarom hij dit heeft gedaan. Nu zijn advocaat zich al had teruggetrokken, kon de opgeëiste persoon geen wetenschap hebben van de datum waarop de inhoudelijke behandeling van zijn zaak heeft plaatsgevonden, aldus de raadsman.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wel is voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW en dat de opgeëiste persoon wel in staat is geweest zijn verdediging te voeren. Artikel 12 OLW vereist niet dat de opgeëiste persoon op alle zittingen bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon verklaringen heeft kunnen afleggen over het ten laste gelegde, maar dat hij aan de daadwerkelijke inhoudelijke behandeling van zijn zaak niet heeft deelgenomen en hij op de desbetreffende zitting ook niet is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Weliswaar is niet noodzakelijk dat de opgeëiste persoon op alle zittingen in zijn zaak aanwezig is geweest, maar het aanwezigheidsrecht dat aan artikel 12 OLW ten grondslag ligt, vereist naar het oordeel van de rechtbank wel dat een verdachte dan wel zijn gemachtigd raadsman van de zittingsdata op de hoogte is gesteld. Dat geldt in ieder geval voor de datum van de zitting waar het bewijs wordt voorgehouden en besproken. Uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie, zoals hierboven weergegeven, kan niet worden opgemaakt of de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte is gesteld van de zitting van 7 mei 2012, waar de inhoud van de zaak is besproken en de straf is bepaald. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd de dat opgeëiste persoon in staat is geweest in die zaak zijn verdediging te voeren.

5 Slotsom

Nu aldus is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is, dient de overlevering te worden geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikel 2, 5, 7 en 12 OLW.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica (Polen).

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.