Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8329

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
C/13/633912 / HA RK 17-229
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wbp verzoek om verwijdering van persoonsgegevens in incidentenregisters afgewezen. Verzoekster heeft een bankafschrift vervalst. Inschrijving in de registers is gerechtvaardigd en proportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/633912 / HA RK 17-229

Beschikking van 23 november 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. P.H. Bos te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. C.M. Jakimowicz te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en ABN AMRO worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2017,

  • -

    de tussenbeschikking van 21 september 2017, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 24 oktober 2017,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 1 november 2017, met de daarin genoemde stukken.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] was klant bij ABN AMRO.

2.2.

ABN AMRO is een financiële instelling. Voor de verwerking van persoonsgegevens hanteert zij de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen van de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars van 16 maart 2010 (hierna: de Gedragscode). ABN AMRO heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het door haar aangehouden Incidentenregister te handelen conform het Protocol Incidentenwaarschuwingssyteem Financiële Instellingen 2013 (hierna: het Protocol).

2.3.

Onder het Incidentenregister wordt volgens het Protocol verstaan de gegevensverzameling(en) van de deelnemer (in dit geval ABN AMRO), waarin - voor het doel van ondersteuning van, kort gezegd, activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector - gegevens zijn vastgelegd naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) incident. Onder incident wordt verstaan een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een financiële instelling, de financiële instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing of opzettelijke misleiding.

2.4.

Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) gekoppeld, dat uitsluitend verwijzingsgegevens bevat, zoals bijvoorbeeld een naam en geboortedatum. Het EVR kan door andere financiële instellingen worden geraadpleegd om te toetsen of een (rechts)persoon in het EVR van een financiële instelling voorkomt. Betrokkene wordt opgenomen in het EVR indien is voldaan aan de hierna onder a en b vermelde criteria en voorts het onder c genoemde beginsel is toegepast (artikel 5.2.1 van het Protocol).

  • -

    a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (i) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een financiële instelling, alsmede de (organisatie van de) financiële instelling(en) zelf of (ii) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

  • -

    b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat in principe aangifte wordt gedaan of een klacht wordt ingediend bij een opsporingsambtenaar indien de gedragingen als een strafbaar feit kunnen worden aangemerkt.

  • -

    c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat moet zijn vastgesteld dat het belang van opname in het EVR prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de betrokkene als gevolg van opname van zijn persoonsgegevens in het EVR.

2.5.

In augustus 2016 heeft [verzoekster] bij ABN AMRO een Privélimiet Plus rekening van € 1.000,- geopend. Op 11 oktober 2016 is een nieuwe kredietovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen, waarbij het krediet op de Privélimiet Plus rekening is verhoogd naar € 4.000,-.

2.6.

Op 1 februari 2017 heeft [verzoekster] ABN AMRO verzocht opnieuw de limiet van haar Privélimiet Plus rekening te verhogen van € 4.000,- naar € 6.000,-. In het aanvraagformulier heeft [verzoekster] ingevuld dat haar vaste woonlasten € 720,- bedroegen. Bij brief van 2 februari 2017 heeft ABN AMRO aan [verzoekster] de kredietovereenkomst gezonden en [verzoekster] verzocht om bewijs te verstrekken van het salaris, de woonlasten en haar paspoort. Op 2 februari 2017 heeft [verzoekster] de kredietovereenkomst ondertekend en daarbij aan ABN AMRO (onder meer) een uitdraai van haar mobielbankieren app (hierna: het bankafschrift) verstrekt, waarop een afschrijving voor maandelijkse huur zichtbaar is van € 440,-.

2.7.

Op 10 februari 2017 heeft een bankmedewerker van ABN AMRO vastgesteld dat de maandelijkse huurafschrijving vanaf de rekening van [verzoekster] € 1.440,- bedraagt in plaats van de door [verzoekster] opgegeven € 440,-. De betreffende bankmedewerker heeft hiervan melding gedaan bij de afdeling fraudepreventie van ABN AMRO, van welke afdeling de fraudespecialist na onderzoek heeft geconcludeerd dat het bankafschrift is vervalst.

2.8.

Bij brief van 16 februari 2017 heeft ABN AMRO de klantrelatie met [verzoekster] beëindigd en gemeld dat de gegevens van [verzoekster] worden opgenomen in het Incidentenregister en in het EVR (hierna gezamenlijk: de registers), omdat is vastgesteld dat [verzoekster] bij haar kredietaanvraag gebruik heeft gemaakt van vervalste documenten.

2.9.

Op 17 februari 2017 heeft ABN AMRO bij de politie aangifte gedaan tegen [verzoekster] .

2.10.

Bij brief van 28 februari 2017 heeft [verzoekster] gereageerd op de brief van ABN AMRO van 16 februari 2017, waarin zij onder meer erkent dat zij het bankafschrift heeft vervalst en daarvoor haar excuses aanbiedt. Bij brief van 14 maart 2017 heeft ABN AMRO aan [verzoekster] medegedeeld te blijven bij haar beslissing om de klantrelatie te beëindigen.

2.11.

Bij brief van 20 maart 2017 heeft [verzoekster] aan ABN AMRO onder meer verzocht om de registratie in de registers opnieuw te beoordelen. Bij brief van 27 maart 2017 heeft ABN AMRO aan [verzoekster] medegedeeld vast te houden aan de registraties. Op 22 juni 2017 heeft [verzoekster] daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 4 juli 2017 heeft ABN AMRO aan [verzoekster] medegedeeld dat het bezwaar niet wordt gehonoreerd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek van [verzoekster] strekt er primair toe dat de rechtbank ABN AMRO zal bevelen om binnen twee werkdagen over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [verzoekster] uit de registers, met - kort gezegd - mededeling van de verwijdering aan derden die ABN AMRO over de verwerking van de persoonsgegevens van [verzoekster] heeft geïnformeerd, een en ander op straffe van een dwangsom, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van deze procedure. Subsidiair verzoekt [verzoekster] de duur van de opname in de registers te beperken tot één jaar.

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.
De registratie in de registers is onjuist en onterecht geschied. ABN AMRO heeft de persoonsgegevens van [verzoekster] niet verwerkt conform de Wbp en de Gedragscode, omdat ABN AMRO niet heeft omschreven welke gebeurtenis in de registers werd opgenomen en geen hoor- en wederhoor heeft toegepast voorafgaand aan de registratie. De registratie is onterecht, omdat [verzoekster] geen opzet had om ABN AMRO te misleiden. [verzoekster] bevond zich ten tijde van de kredietaanvraag wegens omstandigheden in een emotioneel labiele toestand. Zij heeft het bankafschrift in een vlaag van verstandsverbijstering vervalst om deze in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Volgens [verzoekster] huurde zij een woning voor € 1.440,- per maand en ontving zij van haar ex-partner maandelijks € 1.000,- ten behoeve van die woonlasten, zodat zij zelf per saldo € 440,- aan woonlasten had. De registratie in de registers is ook disproportioneel. [verzoekster] , die zich in een levensfase bevindt waarin zij zich wil gaan settelen, is door de registratie acht jaar lang beperkt in haar mogelijkheid om een krediet af te sluiten die daarbij past. Dit staat niet in verhouding tot het relatief kleine vergrijp dat onder verzachtende omstandigheden heeft plaatsgevonden, waarbij ABN AMRO mogelijk voor maximaal € 2.000,- is benadeeld, aldus nog steeds [verzoekster] .

3.3.

ABN AMRO verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Volgens ABN AMRO is sprake van een incident in de zin van het Protocol en is zij gerechtvaardigd en op de juiste wijze overgegaan tot registratie van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers. ABN AMRO voert aan dat [verzoekster] voldoende mogelijkheden heeft gehad om haar visie op de registraties te geven, waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt, zodat ABN AMRO aan de op haar rustende zorgvuldigheidsnormen heeft voldaan. Een verplichting tot het toepassen van hoor- en wederhoor voorafgaand aan de registraties bestaat volgens ABN AMRO niet. ABN AMRO benadrukt dat [verzoekster] met opzet valsheid in geschrifte heeft gepleegd door het bankafschrift te vervalsen. Dit raakt de integriteit en veiligheid van de financiële sector, ongeacht de omvang van de schade dat het handelen van [verzoekster] heeft veroorzaakt. ABN AMRO betwist dat het bankafschrift is aangepast naar de werkelijke situatie, aangezien de afspraak met haar ex-partner nergens uit blijkt en ook anderszins onjuist is dat haar feitelijke woonlasten slechts € 440,- waren. De gevolgen van de registratie zijn volgens ABN AMRO ook niet disproportioneel. Het feit dat registratie in de registers voor [verzoekster] gedurende acht jaar een beperking vormt bij het verkrijgen van een krediet, is immers het (voorzienbare) gevolg van het handelen van [verzoekster] .

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek is gebaseerd op artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dit artikel bepaalt onder meer dat een belanghebbende zich tot de rechtbank kan wenden met het verzoek de verantwoordelijke te bevelen de hem betreffende persoonsgegevens te verwijderen. Een dergelijk verzoek moet binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke worden ingediend. ABN AMRO heeft bij brief van 4 juli 2017 aan [verzoekster] bericht dat zij niet zal overgaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [verzoekster] . Het onderhavige verzoek is tijdig (op 11 augustus 2017) ingediend.

4.2.

De rechtbank dient thans te beoordelen of aan de voorwaarden voor opname in de registers (zie 2.3 en 2.4) is voldaan en dus of opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers gerechtvaardigd was en of de handhaving daarvan thans nog gerechtvaardigd is. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat vaststaat dat [verzoekster] het bankafschrift heeft vervalst, door de maandelijkse afschrijving van € 1.440,-, die vanaf haar bankrekening plaatsvond ten behoeve van haar woonlasten, in het bankafschrift aan te passen naar € 440,-. Dit vervalste bankafschrift heeft [verzoekster] vervolgens gebruikt om ABN AMRO te bewegen tot de verstrekking van een krediet. [verzoekster] heeft zich daarmee dus schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, namelijk valsheid in geschrifte.

4.3.

Het betoog van [verzoekster] dat zij geen opzet had om ABN AMRO te misleiden, gaat niet op. Nog daargelaten dat ABN AMRO gemotiveerd heeft betwist dat het vervalste bankafschrift overeenstemde met de feitelijke situatie, geldt dat [verzoekster] met opzet het bankafschrift heeft vervalst. Dat zij dit vanwege privé problemen in een moment van verstandsverbijstering heeft gedaan, zoals [verzoekster] heeft aangevoerd, doet niet af aan de ernst van haar gedraging. Een bank moet, mede ter voorkoming van overkreditering, kunnen vertrouwen op de juistheid en getrouwheid van de door een klant verstrekte gegevens. Derhalve is het van belang dat frauduleuze handelingen als de onderhavige, die dit vertrouwen ondergraven, worden geregistreerd, ook vanwege de afschrikwekkende werking die daarvan uitgaat. Het vervalsen van gegevens of documenten is een gedraging die een bedreiging vormt voor de integriteit en continuïteit van de financiële sector, ongeacht of de bank daardoor concreet schade heeft geleden. Aangezien sprake is van een incident als bedoeld in het Protocol had en heeft ABN AMRO een gerechtvaardigd belang om de gegevens van [verzoekster] te registreren in de registers.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat ook aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Het is inherent aan de werking van het Incidentenwaarschuwingssysteem dat gevolgen worden verbonden aan de registratie van incidenten. Dat [verzoekster] door de registratie nadeel ondervindt en/of zal ondervinden, doordat zij gedurende acht jaar (mogelijk) beperkt is in het verkrijgen van een krediet, is het (voorzienbare) gevolg van haar handelen. Dat ABN AMRO geen dan wel beperkt schade heeft geleden als gevolg van dat handelen, zoals [verzoekster] aanvoert, doet niet af aan de ernst van de gedraging. Ook de aangevoerde omstandigheid dat [verzoekster] zich in een levensfase bevindt waarin zij zich mogelijk wil gaan settelen, weegt niet op tegen het belang van ABN AMRO en andere financiële instellingen bij registratie in de registers ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector. Ten aanzien van de in het verzoekschrift gestelde complicaties rondom de financiering van het huis in aanbouw is ter terechtzitting aangegeven dat deze situatie is opgelost. Aangezien [verzoekster] geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld waarom de registraties in het onderhavige geval buitenproportioneel zijn, komt de rechtbank tot de conclusie dat de registraties voldoen aan de in artikel 5.2.1 onder a, b en c van het Protocol neergelegde eisen en derhalve rechtmatig zijn.

4.5.

Anders dan [verzoekster] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat ABN AMRO heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij de opname van persoonsgegevens in de registers en dat zij dus niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [verzoekster] . ABN AMRO heeft door onderzoek vastgesteld dat het door [verzoekster] verstrekte bankafschrift is vervalst. In haar brief van 16 februari 2017 heeft ABN AMRO [verzoekster] hierover naar behoren geïnformeerd en medegedeeld dat de persoonsgegevens van [verzoekster] om die reden zijn geregistreerd in de registers. Aangezien zonder twijfel is vastgesteld dat het bankafschrift is vervalst, was het niet noodzakelijk om [verzoekster] te horen voorafgaand aan de registraties. Dit geldt te meer nu er op grond van het Protocol voldoende mogelijkheden bestaan om achteraf bezwaar te maken tegen opname in de registers, waarvan [verzoekster] ook gebruik heeft gemaakt (zie 2.10 en 2.11).

4.6.

Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat is voldaan aan de criteria zoals geformuleerd in het Protocol en dat de opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers gerechtvaardigd is. Voor veroordeling van ABN AMRO tot een vermindering van de looptijd van de opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers, ziet de rechtbank geen aanleiding. [verzoekster] heeft ook in dit kader slechts aangevoerd dat zij de komende acht jaar (mogelijk) beperkt is in het verkrijgen van een krediet. Gelet op hetgeen hierover onder 4.4 is overwogen, vormt deze omstandigheid geen rechtvaardiging voor de verzochte vermindering van de standaard looptijd van acht jaar. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat het [verzoekster] vrijstaat zich in de toekomst tot ABN AMRO te wenden met het verzoek de termijn van registratie alsnog te verminderen, indien zich daartoe (andere) omstandigheden voordoen.

4.7.

De slotsom luidt dat de verzoeken van [verzoekster] zullen worden afgewezen.

4.8.

ABN AMRO heeft verzocht [verzoekster] in de kosten van deze procedure te veroordelen. [verzoekster] heeft verzocht de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat [verzoekster] als gevolg van de registratie al veel extra kosten heeft gehad, is het gevolg van haar eigen handelen en doet niet af aan de kosten die ABN AMRO in het kader van deze procedure heeft moeten maken. Ook de omstandigheid dat [verzoekster] psychisch in een dal zit, hoe vervelend ook, regardeert ABN AMRO niet. Dat de proceskosten voor ABN AMRO in vergelijking tot [verzoekster] relatief laag zijn, is ook onvoldoende reden om tot compensatie van de proceskosten over te gaan. [verzoekster] zal dus, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 618,00 aan griffierecht en € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 1.522,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.T. Beuving, rechter, bijgestaan door mr. W.A. Bree, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.1

1 type: WAB coll: