Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
13-707013-15 + 13/669084-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere feiten en vertoont hierbij agressief gedrag. De alcoholproblematiek moet worden behandeld. Gevangenisstraf van drie maanden waarvan twee voorwaardelijk (proeftijd drie jaren) met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/707013-15 (A) + 13/669084-15 (B)

Datum uitspraak: 7 november 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,

ingeschreven [GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 oktober 2017.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.J.G. Heijen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten aanzien van zaak A ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn echtgeno(o)te, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door voormelde [slachtoffer 1] , een of meermalen (met kracht) op/tegen het (onder)lichaam (billen), te schoppen en/of te trappen en/of die [slachtoffer 1] , een of meermalen (met kracht), op/tegen de hand(en) te slaan en/of te stompen, tengevolge waarvan voormelde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voormelde [slachtoffer 2] , een of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of de nek/hals en/of het (boven)lichaam te slaan en/of te stompen, tengevolge waarvan voormelde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Aan verdachte is ten aanzien van zaak B ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [slachtoffer 3] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) en/of [slachtoffer 4] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 350 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar politiebureau Meer en Vaart, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een andere richting dan dat die ambtenaren hem trachtten te bewegen en/of die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] meermaals (met kracht) te duwen en/of tegen de benen en/of het kruis van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te trappen en/of te schoppen en/of die [slachtoffer 4] een kopstoot te geven, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [slachtoffer 4] enig lichamelijk letsel (een gescheurde lip) bekwam;

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk één of meer ambtena(a)r(en), [slachtoffer 3] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) en/of [slachtoffer 4] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] in het gezicht te spugen;

3.

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Fiat 500, [kenteken 1] ) en/of een politieauto (VW Touran, [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of Politie Amsterdam Amstelland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door één of meermalen (met kracht) met een stok/stuk hengel op/tegen voornoemde personenauto ( [kenteken 1] ) te slaan en/of (met kracht) met zijn, verdachtes, voet(en) de twee achterportierruiten van voornoemde politieauto ( [kenteken 2] ) in te trappen en/of stuk te trappen;

6.

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 6] heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] één of meermalen te duwen en/of (met kracht) met zijn, verdachtes, vuist(en) op de armen, althans het lichaam van die [slachtoffer 6] te slaan en/of stompen en/of (met kracht) tegen het/de (scheen)be(e)n(en) van die [slachtoffer 6] te schoppen en/of trappen (waardoor die [slachtoffer 6] op de grond viel) en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer 6] al op de grond lag één of meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] te schoppen en/of trappen;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A onder 2. ten laste gelegde en het in zaak B onder 2., 3. en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Tevens acht de officier van justitie het in zaak B onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het duwen van verbalisant [slachtoffer 4] en het trekken in een andere richting dan dat de ambtenaren verdachte trachtten te bewegen.

Zij heeft hiertoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd en benadrukt dat geen enkele reden bestaat om aan de aangiftes, of aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 2. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu getuige [naam 1] geen letsel bij [slachtoffer 2] heeft geconstateerd.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak B onder 1. ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de kopstoot niet kan worden bewezen, nu dit niet wordt gemeld bij de meldkamer en aangever [slachtoffer 5] enkel ziet dat verdachte een kopstoot wilde geven.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak B onder 2., 3. en 6. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet bewezen hetgeen in zaak A onder 1. is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het in zaak A onder 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Weliswaar constateert getuige [naam 1] aanvankelijk geen letsel bij [slachtoffer 2] , maar later zag hij wel een rode striem in de rechterzijde van zijn hals. Bovendien voelt aangever [slachtoffer 2] ten tijde van de aangifte een branderig gevoel in zijn nek, waarop de verbalisant een schram van ongeveer zeven centimeter ziet in de rechterzijde van de nek van [slachtoffer 2] . Dit wordt ondersteund door twee foto’s van het letsel.

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank acht voorts de in zaak B onder 1. ten laste gelegde kopstoot eveneens wettig en overtuigend bewezen. Hoewel [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij zag dat dat verdachte een kopstoot wilde geven, heeft verbalisant [slachtoffer 4] verklaard dat verdachte hem daadwerkelijk een kopstoot heeft gegeven, waardoor hij een gescheurde lip heeft opgelopen. Bovendien wordt deze verklaring ondersteund door de verklaring van verbalisant [slachtoffer 3] , die gezien heeft dat [slachtoffer 4] een kopstoot van verdachte op zijn onderlip kreeg. Er bestaat bij de rechtbank geen twijfel over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Om die reden vindt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, eveneens het duwen van verbalisant [slachtoffer 4] en het trekken in een andere richting dan dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] verdachte trachtten te bewegen, wettig en overtuigend bewezen.

Voorts vindt de rechtbank bewezen dat verdachte verbalisanten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] in het gezicht heeft gespuugd, dat hij de auto van [slachtoffer 5] heeft vernield en dat hij daarnaast op 26 augustus 2015 [slachtoffer 6] heeft mishandeld.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het in zaak A onder 2. ten laste gelegde:

op 29 april 2015 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voormelde [slachtoffer 2] meermalen met kracht tegen het hoofd en de nek/hals en het bovenlichaam te stompen, ten gevolge waarvan voormelde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden

Ten aanzien van het in zaak B onder 1. ten laste gelegde:

op 11 mei 2015 te Amsterdam, toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [slachtoffer 3] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) en [slachtoffer 4] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 350 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar politiebureau Meer en Vaart, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een andere richting dan dat die ambtenaren hem trachtten te bewegen en die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] meermaals met kracht te duwen en tegen de benen van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te trappen en tegen het kruis van die [slachtoffer 3] te trappen en die [slachtoffer 4] een kopstoot te geven, ten gevolge waarvan de opsporingsambtenaar [slachtoffer 4] enig lichamelijk letsel (een gescheurde lip) bekwam;

Ten aanzien van het in zaak B onder 2. ten laste gelegde:

op 11 mei 2015 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, [slachtoffer 3] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) en [slachtoffer 4] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam) gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in het gezicht te spugen;

Ten aanzien van het in zaak B onder 3. ten laste gelegde:

op 11 mei 2015 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Fiat 500, [kenteken 1] ), toebehorende aan [slachtoffer 5] , heeft beschadigd door meermalen met kracht met een stuk hengel op/tegen voornoemde personenauto ( [kenteken 1] ) te slaan en een politieauto (VW Touran, [kenteken 2] ), toebehorende aan Politie Amsterdam Amstelland, heeft beschadigd en onbruikbaar gemaakt door met kracht met zijn, verdachtes, voeten de twee achterportierruiten van voornoemde politieauto ( [kenteken 2] ) stuk te trappen;

Ten aanzien van het in zaak B onder 6. ten laste gelegde:

op 26 augustus 2015 te Amsterdam [slachtoffer 6] heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] te duwen en met kracht tegen de scheenbenen van die [slachtoffer 6] te trappen (waardoor die [slachtoffer 6] op de grond viel) en vervolgens, terwijl die [slachtoffer 6] al op de grond lag meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] te trappen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 2. en in zaak B onder 1., 2., 3. en 6. bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan deze proeftijd de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , te weten tot een bedrag van € 487,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , te weten tot een bedrag van € 100,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 6] in zijn vordering.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2017 van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook blijkt uit dit uittreksel dat verdachte sinds het plegen van deze feiten niet meer met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsrapport van Reclassering Inforsa van 16 mei 2017 en de toelichting ter terechtzitting van reclasseringsmedewerker [naam 2] . Gebleken is dat het delictgedrag van verdachte in grote mate samenhangt met zijn alcoholgebruik. Verdachte heeft een voorgeschiedenis van alcoholmisbruik, wat in het verleden heeft geleid tot het plegen van strafbare feiten. Verdachte was reeds vanaf oktober 2015 abstinent, waarbij twee terugvallen in mei 2016 niet worden meegerekend. In eerste instantie werd een toezicht van een jaar geadviseerd zonder behandelverplichting, omdat hier geen aanleiding meer toe werd gezien. Verdachte was ten tijde van het opstellen van het reclasseringsrapport abstinent en er was geen sprake meer van agressie. De terminale ziekte van zijn echtgenote is aanleiding voor hem geweest om meer alcohol te gaan gebruiken. Sinds eind 2016 duidelijk werd dat zijn echtgenote uitbehandeld was, ging het steeds verder bergafwaarts met betrokkene. In april 2017 heeft verdachte wel een officiële waarschuwing gekregen, omdat hij het alcoholverbod had overtreden, zich niet hield aan de urinecontroles en overlastgevend gedrag vertoonde. Verdachte heeft zich (onder invloed van alcohol) onder meer agressief opgesteld tijdens een bezoek aan zijn echtgenote in het hospice, waardoor de situatie uit de hand is gelopen. Sinds het overlijden van zijn echtgenote enkele maanden geleden, gaat het minder goed met verdachte. Hij is een periode opgenomen geweest in een kliniek, is in ernstige mate teruggevallen in het alcoholgebruik en vertoont regelmatig agressief gedrag. Gelet op de gewijzigde omstandigheden wordt ingeschat dat enkel een meldplicht niet afdoende zal zijn. Tevens wordt een jaar toezicht te summier geacht. Reclassering Inforsa ziet voldoende grond om een drangkader te adviseren, met meldplicht en behandelverplichting voor de duur van twee jaar. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, gelet op de gevoeligheid voor alcohol. Onder invloed van alcohol nemen zijn remmingen af, wat kan leiden tot agressie. Momenteel is verdachte aangemeld bij het FACT-team, met het doel om zijn verslaving en zijn gedrag onder controle te houden. Dit is lastig, ook vanwege zijn narcistische afweer. Voorgesteld wordt een toezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen, welk toezicht zich zal richten op de controle van de bijzondere voorwaarden en het motiveren van de verdachte om zich hieraan te houden. Indien van toepassing zal de toezichthouder als casemanager fungeren tussen de verschillende (hulpverlenende) instellingen en ondersteuning bieden bij het regelen van praktische zaken

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    Meldplicht;

  • -

    Behandelverplichting - Ambulante behandeling, ook indien dit inhoudt het meewerken aan urinecontroles en, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken;

  • -

    Andere voorwaarden het gedrag betreffende: de verplichting om mee te werken aan schuldhulpverlening en/of, indien dit nodig mocht blijken, onderbewindstelling en de verplichting om mee te werken aan het vinden en behouden van dagbesteding.

De reclassering acht het in beginsel mogelijk dat verdachte een werkstraf zou kunnen uitvoeren. Hoewel een verslaving geen contra-indicatie voor een werkstraf hoeft te zijn, wordt echter in dit geval ingeschat dat verdachte momenteel niet in staat zal zijn een werkstraf naar behoren uit te voeren.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 4 februari 2016, opgesteld door I. Maksimovic . Hieruit blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de vorm van alcoholafhankelijkheid, die reeds enkele maanden in volledige remissie is. De emotionele ontregeling door de zorgen omtrent zijn zieke vrouw heeft betrokkenes frustratietolerantie verlaagd. De gevoelens van boosheid (in verband met het gedrag van anderen dat als onheuse bejegening werd ervaren) werden daardoor getriggerd. Verdachtes afweer is narcistisch gekleurd, in de zin dat hij zichzelf niet wegcijfert en dat hij geneigd is om zijn doelen te bereiken. Dit maakt hem gevoelig voor ongepast autoritair gedrag en onheuse bejegening.

Onder invloed van alcohol, vanwege een drempelverlagend effect daarvan, was hij in verminderde mate in staat om zich af te kunnen remmen in zijn gedrag. Hoewel betrokkene had kunnen weten dat het gebruik van alcohol een drempelverlagend effect zou kunnen hebben, was hij in verminderde mate in staat om de keuze te maken om wel of geen alcohol tot zich te nemen, daar langdurige middelenverslaving beschouwd kan worden als fysiologische afhankelijkheid. Dit alles overziend wordt geadviseerd om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde, indien bewezen. Het geheel geeft het beeld van een laag recidiverisico onder omstandigheden dat betrokkene abstinent blijft. Gevoeligheid voor alcoholverslaving is het belangrijkste risicofactor voor recidive. Onder invloed van alcohol nemen remmingen af, wat kan leiden tot agressie.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch onderzoek Pro Justitie van 15 januari 2016, opgesteld door M.H. Enklaar. Hieruit blijkt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van alcoholafhankelijkheid. Van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is geen sprake. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was verdachte lijdende aan alcoholafhankelijkheid. Bij verdachte is reeds jarenlang sprake van een alcoholverslaving. In de maanden voorafgaande aan de ten laste gelegde feiten is hij emotioneel ontregeld geraakt. Hij kon de angst en het verdriet rondom de ziekte van zijn vrouw niet goed hanteren. Deze emotionele toestand heeft de drempel om alcohol te gaan gebruiken verder verlaagd. Betrokkenes alcoholgebruik nam toe en resulteerde in een nieuwe periode van alcoholafhankelijkheid. Het is aannemelijk dat de emotionele ontregeling – verdachtes frustratietolerantie verlaagd heeft. Hierdoor lagen negatieve gevoelens dicht aan de oppervlakte en werd boosheid gemakkelijk getriggerd. Onder invloed van alcohol is hij deze sterke emoties niet langer de baas geweest en heeft hij zichzelf onvoldoende kunnen afremmen in zijn gedrag. Dit gebrek aan remmingen lijkt in sterke mate het gevolg te zijn geweest van de effecten van de alcohol. Verdachte is beperkt geweest in de mogelijkheid zijn gedrag bewust (bij) te sturen. Hoewel verdachte zichzelf in beschonken toestand heeft gebracht, wil onderzoeker graag benadrukken dat langdurige middelenverslaving beschouwd kan worden als een hersenziekte, met onder andere gevolgen voor de mate waarin iemand werkelijk controle heeft over zijn middelengebruik, c.q. vrij is in de keuze om wel of geen middelen tot zich te nemen. Onder invloed van alcohol nemen remmingen af en betrokkene gaat eerder grenzen over of conflicten aan (ook op straat), in plaats van deze te mijden. Ook voor zijn eigen veiligheid kan dit een risico zijn. Daarnaast tast de verslavingsproblematiek verdachtes sociale netwerk aan en maakt het hem geïsoleerder. Hij komt niet toe aan het vinden van een nieuwe levensinvulling en zingeving, iets wat voor hem juist belangrijk is. Dit maakt verdachte met zijn toch al kwetsbare zelfgevoel ontvankelijk voor verdere negatieve gevoelens en een neerwaartse spiraal. Vanuit zijn persoonlijkheid is hij gevoelig voor onrecht en autoritair gedrag, hetgeen conflictsituaties kan opleveren. In het verleden heeft dit zelden tot agressief gedrag geleid, maar in combinatie met emotionele stress en alcoholgebruik leidt dit mogelijk tot escalaties. Het zou aan te bevelen zijn om tijdens de behandeling ook aandacht te besteden aan bovenstaande factoren. Geadviseerd wordt om verdachte een reclasseringstoezicht op te leggen, met als bijzondere voorwaarden mee te werken aan urinecontroles en aan behandeling voor zijn verslavingsproblematiek, ook als dit inhoudt dat toch moet worden overgegaan op een klinische behandeling van langere duur.

Gelet op voornoemde rapportages die over verdachte zijn opgemaakt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van de door hem gepleegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere incidenten waarbij agressie de boventoon voert. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een kennis en een wildvreemde man op straat, een auto vernield, twee politieagenten beledigd en zich verzet tegen zijn aanhouding. Tijdens deze incidenten was hij vermoedelijk onder de invloed van alcohol. Het baart de rechtbank grote zorgen dat verdachte weinig tot geen inzicht lijkt te hebben in zijn verslavingsproblematiek en de gevolgen die deze problematiek met zich mee brengt. Dit geldt temeer nu hij ter terechtzitting heeft verklaard nooit te zullen stoppen met drinken en geen medicatie in te zullen nemen om deze problematiek beheersbaar te krijgen. Als verdachte onder invloed is van alcohol kent hij geen remmingen meer, wordt hij zeer snel agressief, waarna hij zich nog maar weinig kan herinneren van hetgeen hij heeft gedaan. Zo zegt hij niet te weten dat de personen die hij heeft aangevallen (verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ) politieagenten waren, omdat hij deze niet als zodanig herkende. Ook heeft hij [slachtoffer 6] (destijds 61 jaar oud) zonder duidelijke aanleiding mishandeld, terwijl verdachte onder de indruk was dat hij zich moest verweren tegen een jongen van twintig, met wie hij ruzie had gekregen over een gestolen scooter. Deze [slachtoffer 6] was echter een onschuldig slachtoffer, die simpelweg op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats aanwezig was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op zijn plaats is, waarbij de behandeling van de problematiek van verdachte voorop moet komen te staan om soortgelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. In dat kader acht de rechtbank het noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, zo lang mogelijk kunnen worden toegepast. De rechtbank zal dan ook een proeftijd van drie jaar aan deze voorwaarden verbinden. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden niet aan de orde, nu verdachte sinds het plegen van deze feiten niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting enigszins af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft ten slotte bij het opleggen van de straf rekening gehouden met het gegeven dat de feiten dateren van 2015, dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en het gegeven dat de redelijke termijn is overschreden.

Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur afhankelijk is, zijn onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

De termijn heeft voor wat betreft zaak A een aanvang genomen met de inverzekeringstelling van verdachte op 29 april 2015 en voor wat betreft zaak B 11 op 11 mei 2015 respectievelijk 26 augustus 2015. Tussen die data en de datum van het vonnis – 7 november 2017 – ligt een periode die de redelijke termijn met meer dan zes maanden overschrijdt.

In beginsel acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de feiten, een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Echter, rekening houdend met de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

9 .Vordering benadeelde partij

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 5] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 1.769,63 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is door de raadsman van verdachte betwist, nu [slachtoffer 5] ook schadekosten heeft gevorderd die zien op de linkerkant van de auto, terwijl verdachte alleen aan de rechterzijde van de auto heeft geslagen met een stok.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 3. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 589,88 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Uit het dossier blijkt enkel dat verdachte schade heeft aangericht aan het rechter voorspatbord van de auto. De rechtbank is dan ook van oordeel dat alleen de schade aan de rechter zijkant van de auto, zoals vermeld in het aanvullend rapport van ITEB schadeservices van 25 mei 2015, voor vergoeding in aanmerking komt, te vermeerderen met de BTW en de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen in het onderhavige geval onwenselijk is. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 5] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 3. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 589,88 (vijfhonderdnegenentachtig euro en achtentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 mei 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, aan materiële schade.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 350,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 2. bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,- (tweehonderd euro). De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 3] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 2. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 mei 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, aan materiële schade.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 375,- aan materiële schadevergoeding.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 6. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist, nu deze kosten volgens de raadsman van verdachte niet nader zijn onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 100,- kan worden toegewezen. Weliswaar is geen schadeformulier ingevuld, maar uit het dossier blijkt duidelijk dat sprake is van schade die door verdachte is veroorzaakt. De hoogte kan niet precies worden vastgesteld, maar de rechtbank acht een vergoeding van honderd euro naar redelijkheid en billijkheid passend en geboden.

De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 6] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 6. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 100,- (honderd euro).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 180, 181, 267, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2. en in zaak B onder 1., 2., 3. en 6. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 2. en in zaak B onder 6. bewezenverklaarde:

Mishandeling, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het in zaak B onder 1. bewezenverklaarde:

Wederspannigheid;

Ten aanzien van het in zaak B onder 2. bewezenverklaarde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het in zaak B onder 3. bewezenverklaarde:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

De veroordeelde moet zich binnen drie dagen nadat het vonnis onherroepelijk is, melden bij reclassering Inforsa op het volgende adres: Keizersgracht 572 te Amsterdam. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Behandelverplichting - Ambulante behandeling

De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij de ambulante forensische zorg van Inforsa, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, óók indien dit inhoudt het meewerken aan urinecontroles.

De veroordeelde wordt, als de reclassering dit noodzakelijk acht, verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Andere voorwaarden het gedrag betreffende

1. De veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan schuldhulpverlening en/of, indien dit nodig mocht blijken, het aanvragen en meewerken aan bewindvoering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. De veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan het vinden en behouden van dagbesteding.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende op het [adres] , tot een bedrag van € 589,88 (zegge vijfhonderdnegenentachtig euro en achtentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 mei 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] , te betalen de som van € 589,88 (zegge vijfhonderdnegenentachtig euro en achtentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 mei 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van elf dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], tot een bedrag van € 200,- (zegge: tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 mei 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening,.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , te betalen de som van € 200,- (zegge: tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 mei 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vier dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], tot een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro) aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] , te betalen de som van € 100,- (zegge: honderd euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 november 2017.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.