Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8239

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
AWB 16/7609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015, financiële tegemoetkoming, regeling tegemoetkoming meerkosten, maatwerkvoorziening

De rechtbank stelt vast dat verweerder de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 in de decentrale regelgeving heeft aangemerkt als een maatwerkvoorziening. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de Wmo 2015 daarvoor geen grondslag biedt. Hierbij verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de omstandigheid dat de wetgever de verordeningsplicht ten aanzien van maatwerkvoorzieningen heeft neergelegd in artikel 2.1.3 van de Wmo 2015, terwijl de verordeningsbevoegdheid ten aanzien van de financiële tegemoetkoming in de meerkosten apart is geregeld in artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Verder verwijst de rechtbank naar p. 152 van de Memorie van Toelichting van de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33841, nr. 3), waarin is neergelegd dat uitgangspunt is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt, maar dat de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget bestaat indien de aanvrager dit wenst. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheid tot het toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming daarbij niet wordt genoemd. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de financiële tegemoetkoming in de meerkosten niet als een maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/32
RSV 2018/52 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/7609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: H. Millerson),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming meerkosten (Rtm) beëindigd met ingang van 1 oktober 2016 en de aanvraag van eiseres van 8 augustus 2016, door verweerder ontvangen op 16 augustus 2016, om een (hogere) tegemoetkoming op grond van de Rtm afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen de rechtbank nadere informatie te doen toekomen. Op 25 april 2017 heeft de rechtbank de nadere informatie van eiseres ontvangen. Van verweerder is geen reactie hierop ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 22 september 2017. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiseres ontving per 1 april 2015 een vergoeding voor meerkosten in verband met haar chronische ziekten en beperkingen op grond van de Rtm. De meerkosten waarvoor eiseres een vergoeding ontving hielden verband met kledingslijtage, bewassing en energiekosten. Op 8 augustus 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een aanvullende vergoeding voor meerkosten in verband met maaltijden en dieetkosten.

1.2

Op 2 mei 2016 heeft eiseres bij het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) een aanvraag ingediend voor verlening van zorg voor het zorgprofiel ‘beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging’ op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij besluit van 23 mei 2016 heeft het CIZ deze aanvraag ingewilligd en het zorgprofiel voor onbepaalde tijd verleend. Eiseres is met ingang van 7 september 2016 verhuisd naar [instelling] , [adres] te Amsterdam.

Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Rtm. In het bestreden besluit is daaromtrent het volgende overwogen. Eiseres is op 7 september 2016 verhuisd naar voornoemd [instelling] en verblijft daarom sindsdien in een beschermde woonvorm. Dit verblijf wordt gefinancierd vanuit de Wlz (en voorheen vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Eiseres woont zelfstandig, maar door de wijze van financiering wordt deze woonvorm voor de toepassing van de Rtm gelijkgesteld aan een inrichting. Verweerder heeft in het Collegebesluit van 30 september 2014 besloten dat de doelgroep van de Rtm beperkt is tot thuiswonende Amsterdammers. In artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (de Verordening) is bepaald dat geen maatwerkvoorziening getroffen wordt als een beroep op een andere regeling mogelijk is. Als bij bewoners van instellingen sprake is van noodzakelijke meerkosten aan bewassing en kledingslijtage of dieet kan daarin voorzien worden door de instelling op grond van de Wlz.

3. Eiseres voert aan dat zij hulpbehoevend is en dat de zorg, zoals het wassen, aankleden, medicatie en wondbehandeling en ook de warme maaltijd door het [instelling] wordt verzorgd. Bewoners wonen daar zelfstandig. De verdere verzorging komt helemaal ten laste van eiseres zelf. Zij moet zelf zorgdragen voor andere maaltijden dan de warme maaltijd, haar drinken en alle dieetproducten. Zij kampt met ernstige allergieën en chronische aandoeningen en moet aangepast eten en drinken. Zij moet eveneens zorgdragen voor het aanvragen van medicatie en zorgartikelen. Ook de aanpassingen in haar appartement moeten zelfstandig worden aangevraagd. Daarvoor moet een eigen bijdrage worden betaald. Zij heeft een vaste telefoonlijn, zij moet haar kabelaansluiting zelf betalen, zij moet zelf haar was verzorgen en mag geen linnengoed en hand- en theedoeken van het huis gebruiken. Eiseres is incontinent, heeft meermalen per week een verschoond bed nodig en doet haar kleding dagelijks in de was. Door het veelvuldig wassen van kleding en linnen verslijten deze eerder.

Wettelijk kader

4.1

In artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

4.2

Op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 kan bij verordening worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

4.3

Op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 kan het college een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

4.4

In Hoofdstuk 4, ‘Maatwerkvoorzieningen’, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (de Verordening) zijn de volgende artikelen neergelegd.

4.5

Op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening hanteert het college bij de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in ieder geval het criterium dat een aanspraak op een adequate andere voorziening op grond van een andere regeling voorliggend is op een aanspraak op een maatwerkvoorziening.

4.6

Op grond van artikel 4.11, eerste lid, van de Verordening kan het college ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben.

4.7

In paragraaf 1.4, ‘Wijze van verstrekking van voorzieningen’, van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2016 (de Nadere regels) is neergelegd dat het bij een maatwerkvoorziening kan gaan om ondersteuning in natura, om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget of om een financiële tegemoetkoming in de meerkosten.

4.8

In paragraaf 4.12, ‘Financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor mensen met een chronische ziekte of beperking’, van Hoofdstuk 4, ‘Maatwerkvoorzieningen’, van de Nadere regels is neergelegd dat het college aan mensen met een chronische ziekte of beperking met een laag inkomen en niet meer dan een bescheiden vermogen op aanvraag een vergoeding verstrekt ter bestrijding van aannemelijke meerkosten. Het betreft hier de tegemoetkoming voor Amsterdammers die ten gevolge van een chronische ziekte of beperking extra kosten maken, bijvoorbeeld kosten van maaltijden of van gas of elektriciteit. Deze tegemoetkoming wordt maandelijks uitgekeerd door de Dienst Werk en Inkomen (DWI).

Oordeel rechtbank

5.1

De rechtbank stelt vast dat uit voorgaand wettelijk kader blijkt dat verweerder de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 in de decentrale regelgeving heeft aangemerkt als een maatwerkvoorziening. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de Wmo 2015 daarvoor geen grondslag biedt. Hierbij verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de omstandigheid dat de wetgever de verordeningsplicht ten aanzien van maatwerkvoorzieningen heeft neergelegd in artikel 2.1.3 van de Wmo 2015, terwijl de verordeningsbevoegdheid ten aanzien van de financiële tegemoetkoming in de meerkosten apart is geregeld in artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Verder verwijst de rechtbank naar p. 152 van de Memorie van Toelichting van de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33841, nr. 3), waarin is neergelegd dat uitgangspunt is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt, maar dat de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget bestaat indien de aanvrager dit wenst. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheid tot het toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming daarbij niet wordt genoemd. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de financiële tegemoetkoming in de meerkosten niet als een maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt.

6.1

Uit de conclusie dat de financiële tegemoetkoming in de meerkosten niet als een maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt, volgt dat artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag kan worden gelegd. Dit artikel regelt immers de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. In het primaire besluit is ter onderbouwing van de afwijzing van de aanvraag nog verwezen naar artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Nu ook dit artikel betrekking heeft op maatwerkvoorzieningen, kan dit evenmin aan de afwijzing van de aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de meerkosten ten grondslag worden gelegd.

6.2

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit een onjuiste wettelijke grondslag bevat voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal daarom voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag worden vernietigd.

7. In het belang van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank onderzoeken of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, het gedeelte dus dat ziet op de afwijzing van de aanvraag, in stand te laten dan wel om zelf in de zaak te voorzien.

8.1

De rechtbank overweegt dat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen aanleiding bestaat indien uit de toepasselijke regelgeving volgt dat eiseres, vanwege haar woonomstandigheden, niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Rtm.

8.2

Verweerder heeft in het collegebesluit ‘Uitgangspunten voor de regeling tegemoetkoming meerkosten als gevolg van chronische ziekte of beperking’ van 30 september 2014 (het Collegebesluit), de doelgroep van de Rtm aangeduid als:

“Thuiswonende Amsterdammers die meerkosten hebben als gevolg van een chronische ziekte of beperking, met een inkomen tot maximaal 120% van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM).”

8.3

Ter uitvoering van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015, artikel 4.11 van de Verordening en artikel 4.12 van de Nadere regels is in de Beleidsvoorschriften Werk, Participatie en Inkomen in paragraaf 9.4.5 de Regeling tegemoetkoming meerkosten (de Rtm) neergelegd. In paragraaf 9.4.5.2.5, ‘Klanten in een instelling’, is onder meer opgenomen:

“Klanten die in een instelling (inrichting/tehuis) verblijven komen niet in aanmerking voor de Regeling tegemoetkoming meerkosten. Als er een medische noodzaak is voor dieetvoeding en extra bewassing, dan dient de instelling daarin te voorzien op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). In instellingen is het gebruikelijk dat mensen zelf betalen voor het wassen, stomen, drogen en strijken van kleding etc. Daarvoor betaalt men in de meeste gevallen ongeveer € 45,-- per maand. Hier wordt geen bijstand voor verstrekt. Als er in verband met ziekte extra moet worden gewassen, dan wordt dit vanuit de Wlz gefinancierd.”

8.4

De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘thuiswonen’ niet nader is aangeduid in het Collegebesluit, noch in de andere toepasselijke regelgeving. Gelet hierop bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres niet als thuiswonend kan worden aangemerkt. Uit het Collegebesluit volgt dan ook niet dat eiseres niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de meerkosten op grond van de Rtm.

8.5

Wel is in de paragraaf 9.4.5.2.5 van de Rtm neergelegd dat cliënten die in een instelling (inrichting/tehuis) verblijven niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de meerkosten. Uit de verwijzing naar de Wlz leidt de rechtbank af dat de gedachte hierachter is, dat er een voorliggende voorziening is, namelijk de Wlz, die meerkosten als gevolg van een chronische ziekte of beperking (deels) vergoedt. Gesteld noch gebleken is dat dit beleid kennelijk onredelijk is. Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank op dat, voor zover er kosten zijn waarvoor op grond van de Rtm wél een tegemoetkoming bestaat, maar die niet worden gefinancierd vanuit de Wlz, dit niet maakt dat het beleid kennelijk onredelijk is. Uit het voorgaande volgt dat ter beoordeling voorligt of eiseres in een instelling verblijft op grond van de Wlz.

8.6

Eiseres heeft in dit kader naar voren gebracht dat zij in een [instelling] verblijft, en niet in een [instelling] of [instelling] . Daarbij heeft zij verwezen naar de kosten die zij zelf dient te dragen en die niet door de instelling worden gefinancierd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 13 maart 2017 geschorst en eiseres in de gelegenheid gesteld dit standpunt nader te onderbouwen. Eiseres heeft vervolgens een brief van 13 april 2017 van de teammanager van [instelling] overgelegd, alsmede de met de instelling gesloten zorgovereenkomst.

8.7

De rechtbank stelt vast dat eiseres in het bezit is van een indicatie op grond van de Wlz voor beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging. Blijkens de brief van 13 april 2017 die eiseres heeft overgelegd, verblijft zij ook sinds 20 mei 2016 op grond van deze indicatie in [instelling] . De rechtbank concludeert hieruit dat eiseres in een instelling verblijft op grond van de Wlz. Dit betekent dat [instelling] dient te voorzien in de zorg waarop eiseres op grond van de Wlz recht heeft. Dat de instelling de naam woonzorgcentrum draagt, doet aan die verantwoordelijkheid niet af. Voor zover [instelling] niet (volledig) voorziet in de zorg waarop eiseres op grond van de Wlz recht heeft, ligt het op haar weg om dit bij de instelling aan te kaarten.

8.8.

Uit het voorgaande volgt dat de conclusie luidt dat eiseres gelet op het beleid zoals opgenomen in paragraaf 9.4.5.2.5 van de Rtm niet voor een tegemoetkoming in de meerkosten in aanmerking komt. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiseres, in afwijking van verweerders beleidsvoorschriften, toch in aanmerking zou moeten komen voor een tegemoetkoming op grond van de Rtm.

8.9

Nu eiseres niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Rtm, bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit dat ziet op de afwijzing van de aanvraag in stand te laten.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van de beëindiging van de aan eiseres toegekende tegemoetkoming op grond van de Rtm

11. De rechtbank constateert dat de grondslag voor de beëindiging van de aan eiseres toegekende tegemoetkoming op grond van de Rtm in het bestreden besluit geheel ontbreekt, zodat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

12.1

Op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan het college onverminderd artikel 2.3.10 van de wet een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college vaststelt dat niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening. Deze bevoegdheid is neergelegd in het Hoofdstuk 6, ‘Toezicht en Handhaving’ en heeft betrekking op alle voorzieningen die op grond van de Verordening zijn toegekend, dus ook op tegemoetkomingen meerkosten.

12.2

In onderdeel 2, ‘Aanvraag en toekenning’ van paragraaf 4.12 van de Nadere regels is in 2.4 neergelegd dat het besluit waarbij een tegemoetkoming op grond van de Rtm wordt toegekend voor twaalf maanden geldt, gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Het toekenningsbesluit wordt telkens stilzwijgend verlengd met twaalf maanden, tenzij er geen noodzaak meer is voor ongewijzigde verlenging.

12.3

In het onderhavige geval is het toekenningsbesluit waarbij eiseres met ingang van 1 april 2015 een tegemoetkoming op grond van de Rtm is verstrekt, op 1 april 2016 stilzwijgend met twaalf maanden verlengd, dus tot 1 april 2017. Echter, eiseres is in deze toekenningsperiode op 7 september 2016 in [instelling] gaan wonen, waardoor zij vanaf dat moment, gelet op hetgeen hiervoor in 8.7 en 8.8 is geoordeeld, niet langer voldeed aan de voorwaarden om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Gelet hierop mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruikmaken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening om de tegemoetkoming tussentijds per 1 oktober 2016 in te trekken. Eiseres heeft geen bijzondere feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder van de gebruikmaking van die bevoegdheid had moeten afzien. De conclusie luidt dat het bestreden besluit in stand blijft voor wat betreft de beëindiging van de toegekende tegemoetkoming aan eiseres.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Rtm;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    laat het bestreden besluit in stand voor zover daarbij de reeds toegekende tegemoetkoming op grond van de Rtm is beëindigd per 1 oktober 2016;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Tax, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.