Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8194

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
AMS 17/3579
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser terecht de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag opgelegd, omdat eiser bij opkomst voor alarm een geslotenverklaring heeft genegeerd en door rood is gereden (roekeloos rijgedrag). Eiser was door verweerder eerder al meermaals op zijn gedrag aangesproken/gewaarschuwd. Ook voor de schorsingen van eiser (als orde-maatregel) was voldoende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3579

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Aalsmeer, eiser

(gemachtigde: mr. K.M. van Dijk-Opstal),

en

Brandweer Amsterdam-Amstelland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Huizinga).

Procesverloop

Bij brief van 17 oktober 2016 heeft verweerder aan eiser geschreven dat er klachten zijn over zijn rijgedrag en dat verweerder erop vertrouwt dat eiser zijn rijgedrag aanpast.

Bij besluit van 17 november 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser per direct uitgesloten van opkomst op alarm.

Bij besluit van 5 januari 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang geschorst tot de datum van effectuering van het ontslag.

Bij besluit van 31 januari 2017 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 2017 primair de disciplinaire maatregel van een ongevraagd ontslag opgelegd en subsidiair een ongevraagd eervol ontslag verleend.

Bij besluit van 17 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 17 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen [naam] , [functie 1] , en [naam 2] , [functie 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was sinds 1 juli 2006 vrijwilliger bij verweerder, laatstelijk in de functie van senior manschap op de [bedrijf] .

2. Op het bevelvoerdersoverleg van 17 maart 2016 wordt het rijgedrag van eiser besproken. Aangegeven wordt dat eiser veel te hard rijdt als hij opkomt voor een uitruk. Er zijn klachten binnengekomen uit de straat waar eiser woont. Afgesproken wordt dat eiser hier op zal worden aangesproken. Op 3 september 2016 en 7 september 2016 heeft verweerder van respectievelijk een collega van eiser en van buurtbewoners van eiser een klacht ontvangen over het rijgedrag van eiser. Op 21 september 2016 heeft er een verantwoordingsgesprek met eiser plaatsgevonden.

3. Bij brief van 17 oktober 2016 heeft verweerder aan eiser geschreven dat hij erop vertrouwt dat eiser zijn rijgedrag aan zal passen en dat de klachten over zijn rijgedrag nu definitief tot het verleden behoren. Herhaling is niet acceptabel.

4. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder eiser per direct uitgesloten van opkomst op alarm. Reden hiervoor waren de bij verweerder binnengekomen klachten van 22 oktober 2016 en 6 november 2016 over het rijgedrag van eiser.

5. Eiser heeft op 23 november 2016 bezwaar gemaakt tegen de brief van 17 oktober 2016 en het primaire besluit 1.

6. Op 30 november 2016 heeft er opnieuw een verantwoordingsgesprek met eiser plaatsgevonden.

7. Bij brief van 5 januari 2017 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem met ingang van 1 februari 2017 primair de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag op te leggen en subsidiair ongevraagd eervol ontslag te verlenen. Eiser heeft op 23 januari 2017 tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.

8. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang geschorst tot de datum van effectuering van het ontslag. Naast uitsluiting van opkomst op alarm mag eiser niet langer opkomen voor oefeningen, opleiding, vergaderingen/teambesprekingen en overige formele en informele bijeenkomsten. Eiser heeft op 9 januari 2017 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 2.

9. Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder het voornemen van 5 januari 2017 omgezet in een definitief besluit. Verweerder heeft tevens een inhoudelijke reactie gegeven op de zienswijze van eiser van 23 januari 2017. Eiser heeft op 8 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 3. Bij brief van 17 maart 2017 heeft eiser zijn bezwaar aangevuld.

10. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Bezwaarcommissie [naam 3] van 10 mei 2017, het bezwaar van eiser tegen de brief van 17 oktober 2016 niet ontvankelijk verklaard en het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.
Beroepsgronden van eiser

11. Eiser heeft aangevoerd dat de brief van 17 oktober 2016 een besluit is, dat verweerder hem ten onrechte heeft uitgesloten van opkomst op alarm, hem ten onrechte heeft geschorst en hem ten onrechte heeft ontslagen. Eisers beroepsgronden worden in het hiernavolgende per onderwerp nader besproken.

Wettelijk kader

12. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Beoordeling

De brief van 17 oktober 2016

13. Eiser heeft aangevoerd dat de brief van 17 oktober 2016 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens eiser is deze brief geen waarschuwing, maar een berisping. Er wordt namelijk aangegeven dat er sprake is van rechtspositionele consequenties.

14. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) wordt een ambtenaar rechtstreeks geraakt in zijn rechtspositie wanneer in een brief wordt vastgesteld dat hij zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Is dat niet het geval, dan gaat het om een waarschuwing en wordt de brief gezien als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen. Daartegen staat geen rechtsmiddel open.1

15. De rechtbank stelt vast dat de brief van 17 oktober 2016 melding maakt van de ingekomen klachten bij verweerder op respectievelijk 3 september 2016 en 7 september 2016. Verder waarschuwt verweerder eiser dat roekeloos rijgedrag niet geaccepteerd wordt en dat eiser zich aan de regels dient te houden. Verweerder stelt niet dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De brief van 17 oktober 2016 is dus een waarschuwing, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Het ontslag

Plichtsverzuim

16. Verweerder verwijt eiser dat hij bij opkomst voor de alarmering op 22 oktober 2016 bij het verlaten van het parkeerterrein [adres 1] een geslotenverklaring heeft genegeerd. Daarbij heeft eiser een andere auto zodanig gesneden, dat deze een noodstop moest maken om een aanrijding te voorkomen. Verweerder verwijt eiser ook dat hij bij opkomst op 6 november 2016 op de kruising [adres 2] door rood is gereden.

17. Eiser heeft deze gedragingen erkend, maar stelt daartegenover dat geen sprake is van plichtsverzuim. Gelet op de gang van zaken was er geen sprake van roekeloos rijgedrag, maar van een samenloop van omstandigheden.

18. De rechtbank overweegt het volgende. Het is niet toegestaan om een geslotenverklaring te negeren of door rood te rijden. Iedereen met een rijbewijs, dus ook eiser, weet dat dit verkeersovertredingen zijn. Dat eiser op het moment van de gedragingen op weg was naar de [bedrijf] , omdat sprake was van opkomst op alarm maakt niet dat het eiser wel zou zijn toegestaan deze overtredingen te begaan. De rechtbank kwalificeert de hiervoor genoemde gedragingen als ontoelaatbaar en niet als een (te vergoelijken) samenloop van omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Toerekenbaarheid

19. Eiser stelt dat de gedragingen niet aan hem kunnen worden toegerekend, omdat hij op het moment dat de gedragingen plaatsvonden slechts handelde in het belang van verweerder. Bovendien was eiser ten tijde van de gedragingen niet te herkennen als [functie 3] , zodat het opmerkelijk is dat hij op zijn rijgedrag wordt aangesproken in het licht van het ambtenaarschap.

20. De rechtbank overweegt het volgende. Op het moment dat eiser op 22 oktober 2016 de geslotenverklaring negeerde en op 6 november 2016 door rood reed, was hij op weg naar de [bedrijf] in het kader van opkomst op alarm. Eiser nam op dat moment dus al in zijn hoedanigheid van [functie 3] deel aan het verkeer. Dat eiser in zijn eigen auto reed en zijn eigen kleding aan had, maakt dit niet anders. Het is – zoals verweerder terecht heeft gesteld – [functie 3] niet toegestaan verkeersregels te overtreden, ook niet bij opkomst op alarm. Eiser is bovendien door verweerder meermaals aangesproken op zijn rijgedrag.

21. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen en moeten handelen. Het plichtsverzuim is dan ook aan eiser toe te rekenen. Waarom hij in het belang van verweerder zou handelen door dergelijk rijgedrag, is de rechtbank niet duidelijk geworden en het is bovendien niet relevant in het kader van de toerekenbaarheid.

Evenredigheid

22. Eiser stelt primair dat het disciplinaire ontslag onevenredig is, omdat hij al is gestraft door de uitsluiting van opkomst bij uitruk en door de schorsing.

23. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser was, als [functie 3] , werkzaam in een omgeving waar hoge eisen worden gesteld aan veiligheid. Eiser, die bovendien een gewaarschuwd man was, heeft echter met zijn rijgedrag zichzelf en anderen meermaals in gevaar gebracht dan wel een gevaarlijke situatie gecreëerd en heeft daarmee de goede naam van de [bedrijf] en het vertrouwen van het publiek in de [bedrijf] geschaad. De rechtbank is daarom van oordeel dat de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Het (financieel en emotioneel) belang van eiser bij behoud van zijn functie weegt niet op tegen het belang van verkeersveiligheid.

De uitsluiting van opkomst op alarm en de schorsing

24. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem in het primaire besluit 1 ten onrechte heeft uitgesloten van opkomst op alarm per 17 november 2016. Volgens eiser dienen zijn gedragingen op 22 oktober 2016 en 6 november 2016 te worden genuanceerd en is de maatregel onevenredig. Voor zover het primaire besluit 1 wel genomen had kunnen worden, meent eiser dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat geschorst kan worden voor bepaalde tijd.

25. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij met het primaire besluit 2 ten onrechte is geschorst per 5 januari 2017. Eiser stelt dat hij met de schorsing wordt gestraft voor gedragingen waarvoor hij al is gestraft met het uitsluiten van opkomst op alarm per 17 november 2016. Verder is eiser van mening dat het primaire besluit 2 onzorgvuldig is, omdat verweerder onnodig lang heeft gewacht met het nemen van dit besluit zonder daarvoor een goede reden te geven.

26. De rechtbank merkt op dat het uitsluiten van eiser van opkomst per 17 november 2016 en de schorsing van eiser per 5 januari 2017 ordemaatregelen betreffen. Eiser is hiermee niet gestraft voor de hem verweten gedragingen.

27. De rechtbank overweegt dat het primaire besluit 1 (de uitsluiting van opkomst op alarm) terecht is gebaseerd op artikel 40, aanhef en onder d, van de Aanvullende Rechtspositieregeling Brandweer Amsterdam-Amstelland (ARBAA). Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder, het voorkomen van gevaarlijke situaties, in dit geval (waarin eiser bovendien al eerder was gewaarschuwd) prevaleerde boven het belang van eiser, namelijk het kunnen deelnemen aan een uitruk.

28. De rechtbank overweegt dat voor het primaire besluit 2 (de schorsing per 5 januari 2017 op grond van artikel 40, aanhef en onder a, van de ARBAA) voldoende grondslag was, nu door verweerder aan eiser bij brief van 5 januari 2017 het voornemen tot ontslag bekend is gemaakt en verweerder bij het primaire besluit 3 het voornemen tot ontslag heeft omgezet in een definitief besluit.

29. De periode tussen het primaire besluit 1 en het primaire besluit 2 heeft niet onevenredig lang geduurd. Een organisatie als die van verweerder heeft enige tijd nodig alvorens er (definitieve) rechtspositionele stappen kunnen worden ondernomen.

Conclusie

30. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. B.C. Langendoen en
mr. C.J. Polak, leden,in aanwezigheid van mr. C.M.A.V. van Kleef, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Op grond van artikel 38, eerste lid, van de ARBAA kan de vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair worden gestraft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 39, aanhef en onder d, van de ARBAA kan de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag worden opgelegd.

Op grond van artikel 40, aanhef en onder a, van de ARBAA kan een vrijwilliger voor een bepaalde tijd geschorst worden wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt.

Op grond van artikel 40, aanhef en onder d, van de ARBAA kan een vrijwilliger voor een bepaalde tijd geschorst worden in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7741.