Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8189

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
C/13/635316 FT RK 17.1809
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Instellign die schuldbemiddeling 'om niet' verricht kan geen verzoek moratorium indienen, geen mandaat collega B & W voor uitvoeren buitengerechtelijke regeling, art. 48 lid 1 Wck, art. 288 lid 2 sub b Fw, advocaat mag dat wel ogv art. 48 lid 1 sub C Wck

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaak-/rekestnummer: C/13/635316 FT RK 17.1809
vonnisdatum: 1 november 2017

Vonnis in de zaak van

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum]1978 te [geboorteplaats], [land],

wonende te [adres],

- hierna te noemen: verzoeker,

tegen

STICHTING STADGENOOT,

gevestigd te Amsterdam,

vertegenwoordigd door Van der Hoeden Mulder gerechtsdeurwaarders,

postadres: 1090 HD Amsterdam, Postbus 95156,

- hierna te noemen: Stadgenoot.

1 De procedure

1.1.

Ter griffie van deze rechtbank is tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw) ingediend. De gevraagde voorziening houdt het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw in.

1.2.

Bij beschikking van 11 september 2017 heeft de rechtbank een datum voor behandeling van het verzoek bepaald en daarbij verboden tot ontruiming over te gaan.

1.3.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 oktober 2017. Verzoeker is ter zitting verschenen, samen met de heer W. Doornbosch, schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting Infinity Ventures, en bijgestaan door mr. T. Dreiling, advocaat te Leiderdorp. Stadgenoot is niet ter zitting verschenen. Zij heeft bij faxbrief van 19 oktober 2017 schriftelijk verweer gevoerd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2
2. Het verzoek

2.1.

Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel – als dat niet lukt – toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.

2.2.

Mr. Dreiling heeft ter zitting en bij brief van 25 oktober 2017 het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft zich reeds tot drie maal toe gewend tot MaDi voor schuldhulpverlening. Dit is telkens om uiteenlopende redenen niet van de grond gekomen. Uiteindelijk heeft verzoeker zich gewend tot Stichting Infinity Ventures (Infinity). Infinity is de eerste onderhandelingen met de schuldeisers van verzoeker gestart. Mr. Dreiling benadrukt dat de minnelijk schuldregeling onder haar regie en controle wordt uitgevoerd. Zij is derhalve eindverantwoordelijk en zij zal, indien het zo ver mocht komen, een verklaring afleggen waarom er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Ingevolge artikel 48 lid 1 onder c van de Wet op het consumentenkrediet (Wck) is een advocaat bevoegd om schuldbemiddeling uit te voeren. Dat Infinity niet over een mandaat van de gemeente beschikt, behoeft derhalve geen beletsel te zijn voor toewijzing van dit verzoek.

2.3. [

naam] heeft ter zitting het volgende verklaard. Infinity verricht schuldhulpverlening ‘om niet’ en voert budgetbeheer uit. Zij beschikt niet over een mandaat van het college van burgemeester en wethouders te Amsterdam. Infinity werkt wel volgens de richtlijnen van de NVVK. Verzoeker heeft zich enige tijd geleden aangemeld voor schuldhulpverlening. Infinity beheert sinds juli 2017 het inkomen van verzoeker. Daarnaast is voor hem een prognoseakkoord, ook wel spaarakkoord genoemd, opgezet. Over een termijn van in totaal 36 maanden wordt de aflossingscapaciteit van verzoeker gereserveerd. Jaarlijks vindt een (her)controle van de financiële gegevens van verzoeker plaats en wordt een uitkering aan de schuldeisers gedaan. Indien verzoeker niet fulltime werkzaam is, geldt er voor hem, net als in een wettelijke schuldsaneringsregeling, een inspanningsverplichting en dient verzoeker zijn sollicitaties bij Infinity inzichtelijk te maken. Inmiddels is een groot deel van de schuldeisers akkoord gegaan met het door verzoeker gedane aanbod. Nog niet alle schuldeiser hebben op het voorstel gereageerd. Een klein aantal schuldeisers hebben het voorstel afgewezen. Zij zullen een verzoek tot heroverweging ontvangen. In het kader van de schuldregeling is het behoud van de huurwoning van verzoeker noodzakelijk.

2.4.

Verzoeker heeft zijn verzoek ter zitting toegelicht. Als gevolg van inkomstenterugval, na verlies van zijn baan, is hij in de schulden geraakt. Verzoeker heeft in juni 2017 weer een baan bemachtigd en hij is sindsdien fulltime werkzaam. Hij beschikt maandelijks over voldoende inkomsten om de vaste lasten te kunnen voldoen. De verschuldigde huurpenningen vanaf juli 2017 tot en met heden zijn dan ook tijdig en volledig betaald. Verzoeker maakt gebruik van budgetbeheer. Hij ontvangt geen huurtoeslag, omdat de Belastingdienst die toeslag verrekent met een openstaande schuld. Verder heeft verzoeker een aantal schulden (grotendeels) ingelost middels beslaglegging. De stelling van Stadgenoot dat hij over veel prijzige en nieuwe goederen beschikt wordt door hem betwist. Hij beschikt over een normale inboedel. Wellicht oogt zijn televisie, ook gezien de grote daarvan, prijzig, maar dat is die niet. Bovendien heeft hij de televisie cadeau gekregen.

3 Het verweer

3.1.

Stadgenoot heeft bij faxbrief van 19 oktober 2017 schriftelijk verweer gevoerd. Kort gezegd is Stadgenoot van mening dat verzoeker niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden. Sinds het jaar 2002 heeft hij diverse telefoonabonnementen afgesloten en diverse goederen op afbetaling besteld. Voorts heeft Stadgenoot, tijdens een huisbezoek bij verzoeker wegens vermeende woonfraude, geconstateerd dat bij verzoeker zeer prijzige en nieuwe goederen tot het interieur behoren. Zij vraagt zich af hoe deze bekostigd zijn terwijl inmiddels een huurachterstand van circa 8 maanden is opgetreden. De huur is bewust door verzoeker onbetaald gelaten om zo de goederen te kunnen bekostigen, aldus Stadgenoot. Stadgenoot concludeert tot afwijzing van het verzoek.

4. Beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat een verzoek tot het uitspreken van een moratorium, dat immers beoogt een schuldeiser af te houden van zijn recht tot het tenuitvoerleggen van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, niet lichtvaardig kan worden toegewezen. Bij de beantwoording van de vraag of voor toewijzing in het voorliggende geval aanleiding is, speelt met name een rol of het minnelijk traject, ten behoeve waarvan het moratorium wordt verzocht, enige kans van slagen heeft.

4.2.

Allereerst zal moeten worden gekeken naar diegene die namens verzoeker de schuldbemiddeling uitvoert.

4.3.

Ingevolge artikel 285 lid 1 onder f Fw dient aan een verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling te zijn voorafgegaan. Blijkens de wetsgeschiedenis, is met de in laatstgenoemd artikel vervatte eis dat de voorafgaande schuldbemiddeling door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wck is uitgevoerd, beoogd te bewerkstelligen dat de kwaliteit van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bevorderd, zodat het vertrouwen daarin wordt verhoogd.

4.4.

Verzoeker heeft zich, onder andere, gewend tot Infinity. Infinity verricht schuldbemiddeling ‘om niet’. Zij beschikt, zoals ook door haar ter zitting is verklaard, niet over een mandaat van het college van burgemeester en wethouder te Amsterdam om de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw te mogen afgeven. Uit HR 5 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN8060) vloeit voort dat de wetgever met de verwijzing naar 'een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wck’, in artikel 288 lid 2 aanhef en onder b Fw, het oog heeft gehad op de personen en instellingen, genoemd in artikel 48 lid 1 onder b, c en d Wck, en dus niet op de onder a bedoelde bemiddelaars die hun diensten om niet verrichten. Dat strookt ook met de tekst van artikel 288, nu in artikel 48 lid 1 Wck onder a immers geen personen of instellingen zijn genoemd. De rechtbank stelt derhalve vast dat Infinity niet de in artikel 285 lid 1 onder f Fw bedoelde buitengerechtelijke schuldregeling kan uitvoeren. Zij kan dus ook geen verzoeken in het kader van zo’n regeling indienen, zoals het onderhavige verzoek, maar bijvoorbeeld ook een verzoek als bedoeld in artikel 287a Fw, indienen.

4.5.

Naar de rechtbank begrijpt vindt de schuldbemiddeling in dit geval echter plaats onder de verantwoordelijkheid van de advocaat van verzoeker, mr. Dreiling. De rechtbank ziet dit traject dan ook als een door een advocaat uitgevoerde buitengerechtelijke schuldbemiddeling. Aangezien een advocaat wél een persoon als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder c Wck betreft, bestaat er in zoverre geen beletsel voor toewijzing van het onderhavig verzoek.

4.6.

Stadgenoot heeft te kennen gegeven dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden. De rechtbank overweegt dat ook als dit juist is, dat niet aan toewijzing van een verzoek om een moratorium in de weg behoeft te staan. Dit verweer slaagt dan ook niet. Verder heeft Stadgenoot aangevoerd dat verzoeker over zeer prijzige en nieuwe goederen zou beschikken. Die stelling is door verzoeker uitdrukkelijk betwist. Zonder nadere onderbouwing van Stadgenoot, die thans ontbreekt, kan de rechtbank niet uitgaan van de juistheid van de stelling van Stadgenoot. Ook dit verweer slaagt derhalve niet.

4.7.

Onbetwist is dat de huurbetalingsproblemen van verzoeker ernstig en structureel zijn (geweest). Hij lijkt inmiddels een keer ten goede te hebben gemaakt. Hij staat onder budgetbeheer en beseft welke stappen vereist zijn om uit de schulden te komen. Hij heeft professionele begeleiding van een advocaat en Infinity, hetgeen de kans op succes vergroot. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verzoeker, ondanks het gewicht dat aan het belang van Stadgenoot moet worden toegekend, toch de gelegenheid moet worden geboden te trachten met al zijn schuldeisers tot een vergelijk te komen, al dan niet middels een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord (artikel 287a Fw). Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

4.8.

De voorziening wordt toegewezen onder de strikte voorwaarde dat de lopende verplichtingen tijdig en volledig worden nagekomen. Dit houdt in dat de eerstvolgende termijn op het in de tussen partijen gesloten overeenkomst genoemde tijdstip dient te worden betaald. Wanneer de eerstvolgende huurtermijn niet tijdig wordt betaald, vervalt dit moratorium en kan opnieuw en in beginsel zonder rechterlijke tussenkomst de ontruiming worden aangezegd. De huurovereenkomst wordt ingevolge artikel 305, lid 2 Fw, voor de duur van het moratorium verlengd.

4.9.

Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijk vonnis worden beslist.

4.10.

Indien verzoeker gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, dient hij dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken. In ieder geval dient verzoeker uiterlijk aan het einde van de looptijd van dit moratorium de rechtbank te berichten of hij zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering handhaaft onder overlegging van de daarbij vereiste stukken. Indien de rechtbank na het verstrijken van de looptijd geen bericht heeft ontvangen, wordt verzoeker in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering niet-ontvankelijk verklaard.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

De rechtbank

- verklaart artikel 305 Fw van toepassing op de tussen Stadgenoot en verzoeker gesloten huurovereenkomst en schort de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis op en verbiedt Stadgenoot tot ontruiming van de door verzoeker gehuurde woning aan de [adres] over te gaan;

- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden, verminderd met het aantal dagen dat is verstreken na het afgeven van de beschikking van 11 september 2017, waarbij de ontruiming reeds werd verboden, te weten tot 11 maart 2018;

  • -

    bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, niet-ontvankelijk wordt verklaard dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;

  • -

    bepaalt dat genoemde voorziening eveneens vervalt wanneer verzoeker niet tijdig de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft nakomt;

- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk één week vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw;

- houdt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering aan totdat de rechtbank hierover door verzoeker nader wordt bericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.E. Geradts en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.