Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8163

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
13/684218-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak bedreiging en mishandeling. Andere mishandeling wel bewezen: 20 uur taakstraf. Vordering benadeelde partij tot € 200,00 toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684218-17

Datum uitspraak: 1 november 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

[GBA-adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Mannen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F. van Geuns, alsook de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 4 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend (zijn, verdachte’s ex-vriendin genaamd) [slachtoffer 1] (met kracht) in/tegen diens gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 2

hij op of omstreeks 4 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (met kracht) in/tegen diens gezicht en/of tegen diens hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen diens lichaam heeft getrapt en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 3

hij op of omstreeks 4 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, (zijn verdachte’s ex-vriendin genaamd) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen: “Ik ga je schieten”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- zijn, verdachte’s hand naar zijn, verdachte’s broeksband te brengen, in elk geval bij voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de indruk of suggestie te wekken dat hij, verdachte een (vuur)wapen bij zich had en/of daarvan gebruik zou gaan maken en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te tonen en/of voor te houden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Verdachte dient van feit 3 te worden vrijgesproken. De verklaring van aangever [slachtoffer 2] dat verdachte zou hebben gezegd ‘ik ga je schieten’, vindt geen steun in een ander bewijsmiddel. Omdat de verklaringen over de aanwezigheid van een wapen uiteen lopen, ontbreekt de overtuiging ten aanzien van de bedreiging met een vuurwapen. Feit 1 en 2, betreffende de mishandelingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , kunnen wel worden bewezen. Dit volgt uit de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en uit de camerabeelden van Burger King van het incident. Ten aanzien van het schoppen van [slachtoffer 2] geldt dat verdachte verklaard heeft dat hij [slachtoffer 2] heeft geschopt en dat het een feit van algemene bekendheid is dat het schoppen tegen een lichaamsdeel enige pijn oplevert.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte dient van de gehele tenlastelegging te worden vrijgesproken. Uit hetgeen op de camerabeelden van het incident te zien is, blijkt dat de verklaringen van aangevers niet juist zijn. Daarnaast is het zo dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op meerdere onderdelen van elkaar verschillen. Dat maakt deze verklaringen onbetrouwbaar, zodat ze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij richting [slachtoffer 2] een schoppende beweging heeft gemaakt, maar dat die schop niet raak was. Hij ontkent [slachtoffer 2] te hebben geslagen. [slachtoffer 2] heeft niet verklaard dat hij door verdachte is geschopt, maar dat verdachte hem met zijn vuist in zijn gezicht heeft geslagen. Daarnaast verklaren de getuigen [slachtoffer 1] en [getuige] dat verdachte en [slachtoffer 2] aan het vechten waren.

Ten aanzien van het slaan overweegt de rechtbank dat de verklaring van [slachtoffer 2] , dat verdachte hem met zijn vuist tegen zijn hoofd heeft geslagen, geen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Er is bijvoorbeeld geen verklaring in het dossier, waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] letsel heeft opgelopen. Op de camerabeelden is niet te zien dat [slachtoffer 2] door de slaande bewegingen van verdachte in zijn richting wordt geraakt. Daarnaast verklaren de getuigen slechts in het algemeen dat verdachten en [slachtoffer 2] aan het vechten waren. Ook hieruit valt niet af te leiden dat verdachte [slachtoffer 2] tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Ook voor het schoppen van [slachtoffer 2] door verdachte is onvoldoende bewijs. [slachtoffer 2] heeft hierover zelf in zijn aangifte niets verklaard en van enig letsel bij [slachtoffer 2] is ook niet gebleken. Verdachte verklaart dat hij [slachtoffer 2] niet heeft geraakt, de camerabeelden geven geen uitsluitsel op dit punt en door de getuigen is niets over schoppen verklaard.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende wettig bewijs is dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van feit 2.

4.3.2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook van feit 3 moet worden vrijgesproken, nu er ten aanzien van dit feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

4.3.3.

Oordeel ten aanzien van feit 1

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet heeft geslagen, maar dat hij haar tegen haar schouder heeft geduwd. De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit, en heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn, en daarmee onbruikbaar voor het bewijs. De rechtbank overweegt het volgende.

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] verklaren dat verdachte [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, vindt de rechtbank hun verklaringen betrouwbaar. De rechtbank is het eens met de raadsman dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op onderdelen van elkaar verschillen, maar in hoofdlijnen verklaren zij gelijkluidend. Ook ten aanzien van de klap in het gezicht van [slachtoffer 1] komen hun verklaringen overeen. De rechtbank gebruikt beide verklaringen dan ook voor het bewijs. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden op dit punt bovendien ondersteund door de camerabeelden, waarop te zien is dat verdachte een slaande beweging maakt in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] . Tenslotte overweegt de rechtbank dat zij op de foto van aangeefster [slachtoffer 1] , die zich in het dossier bevindt (dossierpagina’s 4 en 5), een lichte verdikking waarneemt onder het rechteroog. Dit alles bij elkaar genomen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] tegen haar gezicht heeft geslagen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 4 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met kracht tegen diens gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

Verdachte dient te worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast dient een taakstraf van 80 uren te worden opgelegd, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

Aan verdachte dient, in het geval van een veroordeling, een (voorwaardelijke) geldboete of taakstraf te worden opgelegd. Hierbij is van belang dat verdachte zijn leven steeds meer op orde krijgt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf brengt het risico mee dat hij zijn huurhuis kwijtraakt. Dat zou desastreus zijn.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op straat een vrouw mishandeld door haar een klap in het gezicht te geven. Dit heeft pijn en letsel veroorzaakt. Hoewel verdachte ontkent dat aangeefster zijn ex-partner is, is er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van een incident in de relationele sfeer. Het conflict is immers ontstaan toen verdachte het zoontje van aangeefster bij haar terug kwam brengen, nadat deze een week bij hem had gelogeerd. Daarnaast was ook het éénjarige zoontje van aangeefster bij het conflict aanwezig. Beide kinderen zijn getuige geweest van het feit dat verdachte hun moeder heeft geslagen. Dit moet, zeker op de zoon van aangeefster die net bij verdachte had gelogeerd, veel indruk hebben gemaakt. Daarnaast vond het feit overdag op de openbare weg (bij het drukke Bijlmerstation) plaats, zodat ook andere mensen hier getuige van zijn geweest. Hoewel verdachte van het overig ten laste gelegde wordt vrijgesproken, stelt de rechtbank op grond van de camerabeelden vast dat hij zich agressief heeft gedragen tegenover aangevers. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee bij het bepalen van de straf. Uit het strafblad van verdachte blijkt verder dat hij zich vaker schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten. Ook dit weegt in het nadeel van verdachte mee.

In de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht is opgenomen dat het uitgangspunt voor dit feit een geldboete van € 750,00 is. Vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat dat geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank legt daarom aan verdachte een taakstraf van 20 uur op, met aftrek van voorarrest.

De straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank tot een bewezenverklaring van minder feiten is gekomen dan door de officier van justitie betoogd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij, [slachtoffer 2] , vordert € 800,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering heeft betrekking op de feiten 2 en 3.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De wet geeft dan geen ruimte om verdachte tot het betalen van een schadevergoeding te veroordelen.

9.2.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij, [slachtoffer 1] , vordert € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering heeft betrekking op de feiten 1 en 3, waarbij de benadeelde partij voor de mishandeling (feit 1) een bedrag van € 350,00 vordert en ten aanzien van de bedreiging (feit 3) een bedrag van € 650,00.

Nu verdachte van feit 3 wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit (enig) lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. De schadevergoedingsmaatregel houdt in dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘mishandeling’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van TWINTIG (20) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van tien (10) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee (2) uren per dag.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , wonende te Arnhem, toe tot een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vier (4) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 november 2017.