Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8150

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
13/741129-17 en 13/741136-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden (waarvan 5 maanden voorwaardelijk) voor onder meer inbraken en heling. Ook moet hij ruim 6.700 euro schadevergoeding betalen aan meerdere slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/741129-17 en 13/741136-15 (TUL)

Datum uitspraak: 7 november 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam Huis van Bewaring] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 oktober 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H. Boersma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.A. Jansen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging ter terechtzitting van 24 oktober 2017 – ten laste gelegd dat

ten aanzien van feit 1:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 januari 2017 tot en met 23 mei 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een of meer (bedrijfs)pand(en) heeft weggenomen, diverse goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot het/die pand(en) heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of door middel van een valse sleutel, te weten door het open flipperen van een deur van die pand(en) met een (plastic) voorwerp en/of door gebruik te maken van een bij een inbraak buitgemaakte sleutel, immers heeft verdachte

- ( proces-verbaal 2017010063)

op of omstreeks 13 januari 2017 in/uit een pand gelegen aan de [adres 1] weggenomen een of meer laptop(s) (van het merk Dell), geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of

- ( proces-verbaal 2017009562)

op of omstreeks 12 januari 2017 in/uit een pand (perceel [adres 2] ) weggenomen een of meer computer(s) van het merk (Apple, type Imac) met toebehoren, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of

- ( proces-verbaal 2017006097)

in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 08 januari 2017 in/uit een pand gelegen aan de [adres 3] weggenomen een of meer laptop(s) (van het merk Dell en/of HP) en/of een of meer cadeaubon(nen) van Bol.com (met een totale waarde van ongeveer 875,- euro) en/of een of meer parkeerkaart(en) (met een totale waarde van ongeveer 470,-) en/of geld, te weten ongeveer 75,- euro en/of een of meer sleutel(s), geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] en/of

- ( proces-verbaal 2017107347)

op of omstreeks 23 mei 2017 in/uit een pand gelegen aan de [adres 4] weggenomen diverse kledingstuk(ken) en/of ondergoed en/of een laptop (van het merk Apple) met toebehoren, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 4] ;

en/of

(processen-verbaal 2017010063 en 2017006097) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 januari 2017 tot en met 16 januari 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten een of meer laptop(s) (van het merk Dell) en/of een of meer cadeaubon(nen) van Bol.com heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 12 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer deur(en) en/of een deurruit en/of een of meer stoel(en) en/of een kapstok en/of decoratiemateriaal, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met voornoemde stoel(en) en/of kapstok en/of decoratiemateriaal voornoemde deur te openen en/of voornoemde deurruit te breken en/of door tegen die deur te schoppen en/of te trappen;

ten aanzien van feit 3:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 11 augustus 2016 en/of op of omstreeks 03 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een of meer bedrijfspand(en) heeft weggenomen, diverse goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot het/die pand(en) heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/ door middel van een valse sleutel, te weten door het open flipperen van een deur met een (plastic) voorwerp, immers heeft verdachte

- ( proces-verbaal 2016245089)

op of omstreeks 03 november 2016 in/uit een pand (perceel [adres 5] ) weggenomen een of meer laptop(s) (van het merk Dell) met toebehoren en/of een of meer cadeaubon(nen) van Bol.com (met een totale waarde van ongeveer 1600,- euro), geheel of ten dele toebehorende aan de [naam 6] en/of

- ( proces-verbaal 2016174740)

in of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 11 augustus 2016 (telkens) in/uit een pand gelegen aan [adres 6] weggenomen een of meer DJ cd-speler(s) (van het merk Pioneer) en/of een lichtcomputer (van het merk Avolites Pearl), geheel of ten dele toebehorende aan [naam 7] ;

en/of

(proces-verbaal 2016174740)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 08 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten een of meer DJ cd-speler(s) (van het merk Pioneer) en/of een lichtcomputer (van het merk Avolites Pearl) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 4:

hij op of omstreeks 09 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (perceel [adres 7] ) weg te nemen een laptop, geheel of ten dele toebehorend aan [naam 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en zich daarbij de toegang tot die laptop te verschaffen en/of die weg te nemen laptop

onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, te weten door een nooduitgang van dat pand te forceren en/of dat pand binnen te gaan en/of dat pand te doorzoeken en/of met voornoemde laptop door dat pand te lopen;

ten aanzien van feit 5:

hij op of omstreeks 05 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,8 tabletten MDMA en/of 0,90 gram MDMA, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraken

Feit 1 inbraak [naam 1] en feit 3 inbraak [naam 7]

Op 13 januari 2017 is ingebroken bij [naam 1] (feit 1), waarbij een groot aantal laptops is weggenomen. Zes van de in totaal achttien laptops zijn op 14 en 16 januari 2017 door verdachte aan [naam 9] aangeboden en verkocht. Verdachte heeft erkend dat hij de laptops heeft verpand, maar ontkent dat hij bij de inbraak was betrokken. Verdachte heeft verklaard dat hij financiële problemen had en een deel van de verkoopprijs kreeg als hij de laptops op zijn naam aan [naam 9] verkocht.

Tussen 10 augustus 2016 en 11 augustus 2016 is ingebroken bij het [naam 7] (feit 3). Hierbij zijn een tweetal DJ cd-spelers van Pioneer weggenomen. Op 15 augustus 2016 is geconstateerd dat ook een lichtcomputer van het merk Avolites Pearl ontbrak. Deze moet tussen 1 augustus 2016 en 8 augustus 2016 zijn weggenomen. Onderzoek bij [naam 9] heeft uitgewezen dat verdachte de Pioneer cd-spelers op 11 augustus 2016 en de Avolites computer op 8 september 2016 aan [naam 9] heeft verkocht. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ook toen werd gevraagd de spullen tegen betaling te verkopen en dat hij dit heeft gedaan, omdat hij geld nodig had. Verdachte heeft ontkend bij de inbraak betrokken te zijn geweest.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de inbraken bij [naam 1] en bij het [naam 7] niet bewezen. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van verdachte niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kunnen worden geschoven. Het tijdsbestek tussen de inbraken enerzijds en het verkopen door verdachte van de gestolen goederen anderzijds is niet zo kort dat daaruit onomstotelijk kan worden afgeleid dat verdachte degene moet zijn geweest die de goederen heeft gestolen. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van deze gedeelten van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

Feit 4

Op 9 augustus 2016 is gepoogd een laptop te stelen in een pand gelegen aan de [adres 7] . Het is vast komen te staan dat de dader reed op een scooter met kenteken [kenteken] , toebehorende aan [naam 10] . [naam 10] heeft verklaard dat de scooter van zijn dochter is en dat haar vriend – genaamd [verdachte] – er gebruik van maakte. Op een aan hem getoonde foto van de dader herkent hij ‘bijna zeker’ verdachte, maar stelt hij ook dat de foto niet scherp is en dat de bril met gouden montuur niet een bril is die [verdachte] droeg.

De rechtbank overweegt dat de herkenning van [naam 10] niet stellig genoeg is om zonder redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte de dader van de poging diefstal is geweest. Ook de verklaring van verbalisant [naam verbalisant 1] , dat de gezichtskenmerken van de dader overeenkomen met de gezichtskenmerken van de hem bekende [verdachte] , is onvoldoende specifiek om met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat het hier verdachte betreft, nu een beschrijving van die specifieke onderscheidende persoonskenmerken ontbreekt. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen hem niet mag worden tegengeworpen, omdat er in deze zaak geen sprake is van een situatie die ‘om uitleg schreeuwt’, zoals in jurisprudentie van onder andere het EHRM in de zaak [naam zaak] is geformuleerd. Er is, in andere woorden, onvoldoende direct bewijsmateriaal in deze zaak, of andere omstandigheden, die maken dat verdachte een verklaring af zou dienen te leggen, bij gebreke waarvan dit hem kan belasten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 4.

4.2.

Bewezenverklaringen

Feit 1 heling goederen [naam 1] en feit 3 heling goederen [naam 7]

Op grond van de bewijsmiddelen die in het dossier zijn vervat en de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank opzetheling van de laptops van [naam 1] (feit 1) en de cd-spelers en lichtcomputer van [naam 7] (feit 3) bewezen. Verdachte werd gevraagd op zijn naam voor iemand anders relatief dure goederen te verkopen. Verdachte, die eerder is veroordeeld voor heling, stelde geen vragen over de herkomst van deze goederen en verkocht deze op verschillende data op verschillende locaties bij [naam 9] . Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze goederen door misdrijf waren verkregen.

Feit 1 inbraak [naam 2] en feit 2 vernieling [naam 5]

Op 12 januari 2017 is ingebroken bij advocatenkantoor [naam 2] waarbij twee laptops zijn gestolen. Teneinde toegang tot het pand te verkrijgen is doorgang gezocht bij [naam 5] , waarbij ernstige vernielingen zijn aangericht. Van de inbraak zijn beelden veiliggesteld, die ter terechtzitting zijn getoond en waarop verdachte door twee verbalisanten is herkend. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die deze inbraak heeft gepleegd. Dat een andere verbalisant een ander persoon op dezelfde beelden heeft herkend, doet daar niet aan af. Voor de betrouwbaarheid van een herkenning is namelijk onder meer de kwaliteit van de beelden en de zichtbaarheid van de dader op de beelden van groot belang. Voorts kan van belang zijn in welke hoedanigheid en frequentie waarnemer en dader elkaar eerder hebben getroffen. De rechtbank heeft ter terechtzitting geconstateerd dat de beelden van hoge kwaliteit zijn en dat het gezicht van de dader duidelijk zichtbaar is. Op basis van deze beelden is verdachte herkend door verbalisanten die hem goed kenden. Verbalisant [naam verbalisant 2] was zijn Top600 regisseur en verbalisant [naam verbalisant 3] was zijn interventiepleger. Beiden hebben verklaard verdachte in die hoedanigheid meerdere keren te hebben gezien en gesproken. De rechtbank volgt de raadsvrouw dan ook niet in haar standpunt en oordeelt dat er geen reden is te twijfelen aan de door verbalisanten gedane herkenning van verdachte, waarin voldoende specifiek is beschreven aan de hand waarvan de verbalisanten verdachte herkennen. Desgevraagd, tijdens de behandeling ter zitting na het bekijken van de beelden, heeft verdachte niets naar voren gebracht waardoor enige twijfel is komen te bestaan bij de herkenningen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met braak bij [naam 2] en de vernieling van goederen van [naam 5] .

Feit 1 [naam 3]

Het [naam 3] heeft aangifte gedaan van een inbraak op de zevende en de negende verdieping van het ziekenhuis die na 6 januari 2017 om 17:00 uur heeft plaatsgevonden. De inbraak op de negende verdieping is ontdekt op 8 januari 2017 en de inbraak op zevende verdieping op 9 januari 2017. De toegangsdeur van de negende verdieping was geforceerd en vervolgens zijn uit een sleutelkastje, dat bij de deur van de negende verdieping hangt, sleutels gepakt en zijn nog acht deuren opengemaakt met deze sleutels. Van de negende verdieping zijn een groot aantal goederen gestolen, waaronder Bol.com bonnen. Van de zevende verdieping zijn een laptop en adapter gestolen. Gelet op de korte tijdspanne tussen beide inbraken, gaat de rechtbank ervan uit dat de inbraken op de zevende en de negende verdieping op hetzelfde moment en door dezelfde dader gepleegd zijn. Op 8 januari 2017, de dag van ontdekking van de inbraak op de negende verdieping, zijn met de gestolen Bol.com bonnen parfum en lachgaspatronen besteld. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze goederen zijn besteld door een persoon genaamd ‘ [naam 11] ’ en zijn bezorgd op het adres [adres 8] te [plaats] . Op dit adres stonden zeven mensen ingeschreven, waaronder verdachte en zijn stiefmoeder, genaamd [naam stiefmoeder] . Verdachte heeft bij een eerder verhoor aangegeven gebruik te maken van het e-mailadres [e-mailadres] . De bij de bestelling gebruikte voor- en achternaam kunnen gelet op het voorgaande aan verdachte worden gekoppeld en de bestelling is dus bezorgd op het adres waar verdachte stond ingeschreven. Daarbij is gebleken dat verdachte verslaafd zou zijn aan lachgaspatronen, althans zo heeft hij een keer verklaard. Verdachte heeft zich op vragen van de rechtbank beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl bovengenoemde omstandigheden vragen om uitleg. De rechtbank zal dit zwijgen niet als zelfstandig bewijsmiddel gebruiken, maar laat dit met betrekking tot haar overtuiging wel meewegen.

Gelet op voornoemde omstandigheden waarvoor verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, als ook het gegeven dat relatief kort na de diefstal goederen zijn gekocht met behulp van de gestolen Bol.com bonnen, acht de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak van deze bonnen en daarmee ook aan diefstal van de overige goederen en/of geldbedragen. Gelet op de beschikbare stukken ziet de rechtbank slechts aanleiding voor het hierboven geschetste scenario. Indien er, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, een alternatief scenario aan de orde is, had het op de weg van verdachte gelegen hierover meer duidelijkheid te verschaffen.

Feit 1 inbraak [naam 4]

Op 23 mei 2017 is een raam van de winkel [naam 4] geforceerd en is een groot aantal kledingstukken uit die winkel gestolen. Diezelfde nacht, om 3:45 uur, zag verbalisant [naam verbalisant 4] een scooter staan met een drietal grote tassen vol met kledingstukken en met de scootersleutel nog in het contact. De kledingstukken blijken te zijn gestolen van [naam 4] . In de buddy van de scooter worden een bankpas en een identiteitskaart op naam van verdachte aangetroffen. De scooter is van het nichtje van verdachte. Zij heeft verklaard dat ze de scooter op de dag van de inbraak heeft uitgeleend aan verdachte. Verdachte heeft erkend dat hij die dag op de scooter heeft gereden. Hij heeft echter gesteld dat hij de scooter ’s middags heeft teruggebracht. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet aannemelijk is geworden. Allereerst blijkt dit niet uit voornoemde verklaring van het nichtje van verdachte. Bovendien is de verklaring van verdachte dat hij de scooter al had teruggegeven aan zijn nichtje gemakkelijk te onderbouwen door zijn nichtje daarover te laten verklaren. Dit heeft verdachte echter, zonder daarvoor enige uitleg te geven, nagelaten. Daar komt bij dat verdachte zijn identiteitskaart en bankpas nog in de scooter lagen. Het voorgaande in samenhang bezien met het feit dat de scooter werd aangetroffen met kledingstukken die betrekkelijk korte tijd daarvoor waren gestolen, maakt dat de rechtbank – anders dan de raadsvrouw – de diefstal met braak wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 3 [adres 5] en feit 5 aanwezig hebben MDMA

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw op grond van de bewijsmiddelen die in het dossier zijn vervat en de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte het gedeelte van het onder 3 ten laste gelegde dat ziet op de inbraak bij het [adres 5] en het onder 5 ten laste gelegde, bewezen.

4.3.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 januari 2017 tot en met 23 mei 2017 te Amsterdam en Amstelveen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit bedrijfspanden heeft weggenomen, diverse goederen en geld toebehorende aan anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich telkens de toegang tot die panden heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van een bij een inbraak buitgemaakte sleutel, immers heeft verdachte

  • -

    op 12 januari 2017 uit een pand perceel [adres 2] weggenomen computers van het merk Apple, type Imac met toebehoren, toebehorende aan [naam 2] en

  • -

    op of omstreeks 8 januari 2017 uit een pand gelegen aan de [adres 3] weggenomen laptops van het merk Dell en HP, cadeaubonnen van Bol.com met een totale waarde van 875,- euro, parkeerkaarten met een totale waarde van 470,-, geld, te weten 75,- euro en sleutels toebehorende aan [naam 3] en

  • -

    op 23 mei 2017 uit een pand gelegen aan de [adres 4] weggenomen diverse kledingstukken en ondergoed toebehorende aan [naam 4]

en

op tijdstippen in de periode van 13 januari 2017 tot en met 16 januari 2017 te Amsterdam meermalen goederen, te weten laptops van het merk Dell, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving van deze goederen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 2:

op 12 januari 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk deuren, een deurruit, stoelen, een kapstok en decoratiemateriaal toebehorende aan [naam 5] heeft vernield, beschadigd en onbruikbaar gemaakt door met voornoemde stoelen en kapstok en decoratiemateriaal voornoemde deuren te openen, voornoemde deurruit te breken en door tegen die deur te trappen;

ten aanzien van feit 3:

op of omstreeks 3 november 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand heeft weggenomen, diverse goederen, waarbij verdachte zich de toegang tot het pand heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, immers heeft verdachte

- op of omstreeks 3 november 2016 uit een pand perceel [adres 5] weggenomen laptops van het merk Dell en cadeaubonnen van Bol.com met een totale waarde van 1600,- euro toebehorende aan de [naam 6]

en

op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 8 september 2016 te Amsterdam meermalen goederen, te weten DJ cd-spelers van het merk Pioneer en een lichtcomputer van het merk Avolites Pearl heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 5:

op 5 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,8 tabletten MDMA en 0,90 gram MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en de maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 4 oktober 2017, met een proeftijd van 3 (drie) jaren). Bij de eis heeft de officier van justitie mee laten wegen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf dient, vanwege het overtreden van zowel de algemene als de bijzondere voorwaarden te worden toegewezen. De beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging is, voor wat betreft het overtreden van de bijzondere voorwaarden, afzonderlijk schriftelijk vastgelegd.

De vorderingen van de benadeelde partijen [naam 12] , [naam 13] en [naam 7] dienen in zijn geheel te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [naam 1] dient voor een gedeelte te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De benadeelde partij [naam 5] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van het beslag dienen alle goederen te worden teruggegeven aan de rechthebbenden [naam 1] en verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier bedrijfsinbraken. Verdachte heeft hiermee veel schade aangericht, wat nadrukkelijk blijkt uit de vernielingen die zijn aangericht bij [naam 5] , en tevens blijkt uit het feit dat veel kostbare goederen zijn weggenomen. Hierbij heeft verdachte geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en uitsluitend oog gehad voor persoonlijk financieel gewin. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling, waardoor het plegen van andere vermogensdelicten zoals diefstal wordt bevorderd, aan vernieling en tot slot heeft hij drugs aanwezig gehad.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het strafblad van verdachte van 29 september 2017, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waaronder bedrijfsinbraken en heling. Verder volgt hieruit dat verdachte na het plegen van een deel van de onderhavige feiten door een rechter is veroordeeld met als gevolg dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De ernst en de hoeveelheid van de gepleegde feiten in combinatie met de recidive maakt een gevangenisstraf van behoorlijke duur passend en geboden. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op de psychologische Pro Justitia rapportage van 27 september 2017, waarin wordt geconcludeerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een antisociale-persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, welke van invloed zijn op het gedrag, het denken en het voelen van verdachte en – gezien de chronische aard hiervan – waren deze stoornissen ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 29 augustus 2017, het beknopte reclasseringsadvies van 4 oktober 2017 en hetgeen hierover ter zitting is besproken. Verdachte heeft inzicht gegeven in zijn persoonlijkheid en zijn problematiek. Hij heeft te kennen gegeven dat hij graag wil veranderen, maar dat dit lastig is en met vallen en opstaan gepaard gaat. De rechtbank vindt verdachte oprecht in zijn emotie en goede wil en realistisch in wat haalbaar is en wat niet. De rechtbank heeft dan ook begrip voor verdachte als hij zegt dat een begeleid wonen traject enkel kans van slagen heeft als het in de omgeving van Amsterdam zal plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor zijn bezwaren tegen elektronisch toezicht. Voor het overige verenigt de rechtbank zich met de adviezen van de reclassering en zal zij een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en de opname in een instelling voor begeleid wonen. Het verdient grote voorkeur dat deze opname in de omgeving van Amsterdam zal plaatsvinden.

De rechtbank ziet aanleiding aansluiting te zoeken bij de Landelijke Oriëntatiepunten van het LOVS. Alleen al voor een inbraak in een bedrijfspand met frequente recidive geldt op grond hiervan een gevangenisstraf van vier maanden. Gelet echter op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en mede in aanmerking genomen dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, acht de rechtbank termen aanwezig om af te wijken van wat de officier van justitie heeft geëist en zal een lagere gevangenisstraf opleggen.

9 Beslag

De volgende goederen zijn inbeslaggenomen:

1. Computer Deel Ultrabook (5322113)

2 Computer Dell Latitude (5322110)

3 Acculader Dell (5322112

4 Computer Dell Precision (5321996)

5 Computer Dell Precision (5329123)

6 Zaktelefoon iPhone (5397769)

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen dienen aan de rechthebbenden te worden teruggegeven aangezien zij aan hen toebehoren.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 1] (hierna: [naam 1] )

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 29.455,00 (negenentwintigduizend vierhonderdvijfenvijftig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft [naam 14] namens [naam 1] de vordering nader toegelicht.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.105,92 (tweeduizend honderdvijf euro en tweeënnegentig cent) een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 bewezen verklaarde opzetheling van zes laptops. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandelingen en de door de rechthebbende geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is hier van oordeel dat de benadeelde partij door de helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden en wijst de vordering derhalve (gedeeltelijk) toe. Verdachte heeft de laptops immers kort na de diefstal verkocht en de schade voor de benadeelde partij op deze manier in stand gehouden. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte zes laptops heeft geheeld, waarvan er vier retour zijn gegaan naar [naam 1] . Twee laptops konden niet aan [naam 1] worden teruggegeven, omdat deze al waren verkocht door [naam 9] . Die twee laptops, van het merk en soort Dell Latitude E7470, hebben een waarde van € 1.052,96 (duizendtweeënvijftig euro en zesennegentig cent) per stuk, zodat de schade in totaal € 2.105,92 bedraagt. De behandeling van dit deel van de vordering van [naam 1] levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering kan tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [naam 1] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.105,92 (tweeduizend honderdvijf euro en tweeënnegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

[naam 2] ten aanzien van [naam 12] (hierna: [naam 12] )

De benadeelde partij [naam 12] vordert € 2.129,00 (tweeduizend honderdnegenentwintig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [naam 12] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder feit 1 bewezen geachte inbraak, rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde btw, nu de laptop zakelijk is aangeschaft. De rechtbank waardeert de schade op € 1.759,50 (duizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en vijftig eurocent) en wijst de vordering tot dat bedrag toe. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal, als extra waarborgde voor betaling aan de benadeelde partij [naam 12] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.759,50 (duizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[naam 2] ten aanzien van [naam 13] (hierna: [naam 13] )

De benadeelde partij [naam 13] vordert € 2.164,00 (tweeduizend honderdvierenzestig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [naam 13] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder feit 1 bewezen geachte inbraak, rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde BTW, nu de laptop en kabel zakelijk zijn aangeschaft. De rechtbank waardeert de schade op € 1.788,43 (duizend zevenhonderdachtentachtig euro en drieënveertig eurocent) en wijst de vordering tot dat bedrag toe. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal, als extra waarborgde voor betaling aan de benadeelde partij [naam 13] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.788,43 (duizend zevenhonderdachtentachtig euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[naam 7]

De benadeelde partij [naam 7] vordert € 2.135,60 (tweeduizend honderdvijfendertig euro en zestig cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft [naam 15] namens [naam 7] de vordering nader toegelicht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [naam 7] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder feit 3 bewezen geachte opzetheling, rechtstreeks schade heeft geleden. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandelingen en de door de rechthebbende geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is hier van oordeel dat de benadeelde partij door de helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden en wijst de vordering derhalve (gedeeltelijk) toe. Verdachte heeft de cd-spelers immers kort na de diefstal verkocht en de schade op deze manier in stand gehouden.

De rechtbank overweegt dat de gevorderde materiële schade de nieuwwaarde van de cd-spelers betreft en dat de cd-spelers zijn aangeschaft op 17 september 2012. Deze waren op het moment van het intreden van de schade dus vier jaar oud. Uitgaande van een gemiddelde afschrijftermijn van acht jaar waardeert de rechtbank de schade op € 1.067,80 (duizend zevenenzestig euro en tachtig cent), zijnde de helft van de oorspronkelijke aanschafprijs, en wijst de vordering tot dat bedrag toe. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [naam 7] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.067,80 (duizend zevenenzestig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[naam 5]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder 2 bewezenverklaarde vernieling rechtstreeks materiële schade is toegebracht, maar dat de behandeling van de vordering van [naam 5] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 10 juni 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741136-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 31 maart 2016 van de meervoudige kamer te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 92 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 90 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 311, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en van valse sleutels, meermalen gepleegd;

en

opzetheling;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken;

ten aanzien van feit 3:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

en

opzetheling;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie)jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Hiertoe moet betrokkene zich binnen drie werkdagen na vrijlating melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het volgende adres: Weesperzijde 70 te Amsterdam. Hierna moet betrokkene zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- wordt verplicht om vanaf opnamedatum in HVO Querido of een soortgelijke instelling in de omgeving van Amsterdam, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelast de teruggave aan [naam 1] van de nummers 1 t/m 5 genoemd op de beslaglijst, zijnde een ultrabook (5322113), een Dell Latitude (5322110), een Acculader Dell (5322112), een Dell Precision (5321996) en een Dell Precision (5329123)

Gelast de teruggave aan [verdachte] van nummer 6 genoemd op de beslaglijst, zijnde een iPhone 7S (5397769).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1], domicilie kiezende te [adres 1] te [plaats] toe tot een bedrag van € 2.105,92 (tweeduizend honderdvijf euro en tweeënnegentig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] , te betalen de som van € 2.105,92 (zegge tweeduizend honderdvijf euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] ten aanzien van [naam 12], domicilie kiezende te [adres 2] te [plaats] toe tot een bedrag van € 1.759,50 (duizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en vijftig eurocent)), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] ten aanzien van [naam 12] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] ten aanzien van [naam 12] , te betalen de som van € 1.759,50 (duizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] ten aanzien van [naam 13], domicilie kiezende te [adres 2] te [plaats] toe tot een bedrag van € 1.788,43 (duizend zevenhonderdachtentachtig euro en drieënveertig eurocent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] ten aanzien van [naam 13] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] ten aanzien van [naam 13] , te betalen de som van € 1.788,43 (duizend zevenhonderdachtentachtig euro en drieënveertig eurocent) , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7], domicilie kiezende te [adres 6] te [plaats] toe tot een bedrag van € 1.067,80 (duizend zevenenzestig euro en tachtig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 7] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 7] , te betalen de som van € 1.067,80 (duizend zevenenzestig euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [naam 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 31 maart 2016, namelijk een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 november 2017.