Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8144

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
104367 EA VERZ 16-918.02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na bewijslevering komt er geen vernietiging van het ontslag op staande voet. Dringende reden is komen vast te staan. Dienstverband is rechtsgeldig beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 104367 - EA 16-918.02

beschikking van: 16 oktober 2017

func.: 245

Beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [plaats]

verzoeker, nader te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. M.M.A. Appelman

t e g e n

de besloten vennootschap Egis Parking Services B.V.

gevestigd te Amsterdam

verweerster, nader te noemen: Egis

gemachtigde: mr. S.P.M. Romijn

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Tussen partijen hebben verschillende zaken gelopen. Op 9 november 2016 heeft de kantonrechter een beschikking gewezen, waarbij op het verzoek van [verzoeker] tot het vast stellen van voorlopige voorzieningen (EA 16 - 919) en het (voorwaardelijk) tegenverzoek (EA 16 - 1022) en het zelfstandig verzoek van Egis, beide tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (EA 16-938), is beslist.

In het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet (EA 16 - 918) heeft de kantonrechter [verzoeker] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Nadien zijn in die procedure nog de volgende stukken gewisseld:
- brief van [verzoeker] van 28 november 2016

- akte vermeerdering eis van [verzoeker] van 16 februari 2017
- proces-verbaal van het getuigenverhoor van 21 februari 2017 (enquête)
- proces-verbaal van het getuigenverhoor van 11 mei 2017(contra-enquête)
- conclusie na enquête zijdens [verzoeker]
- conclusie na enquête zijdens Egis, met productie 21
- briefwisseling over de laatste productie
- brief van Egis met productie 22, die is geweigerd, en de briefwisseling daarover

- nadere reactie van [verzoeker] op productie 21 van Egis

Daarna is door de kantonrechter nogmaals beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESCHIKKING

  1. De kantonrechter blijft bij de inhoud van haar eerdere beschikking van 9 november 2016 en verwijst daar kortheidshalve naar. Het gaat in deze zaak vooreerst om de vraag of [verzoeker] op 27 juni 2016 terecht op staande voet is ontslagen. Is dat het geval, dan komt de kantonrechter niet toe aan de wijziging van eis van [verzoeker] , die in feite een nieuwe aanverwante vordering inhoudt, namelijk toewijzing van een bedrag van € 8.393,- (bruto) aan transitievergoeding.

  2. In de eerdere beschikking van 9 november 2016 is overwogen dat met de zijdens Egis ingebrachte stukken voorshands is komen vast te staan dat [verzoeker] de gedragingen, die Egis aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, heeft gepleegd. Daarvoor is redengevend geacht dat de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] qua weergave van de feiten met elkaar overeenkomen en dat de kantonrechter geen reden heeft om aan de juistheid ervan te twijfelen. Dat de verklaring van [naam 2] deels in de ik-vorm en deels in de hij-vorm is opgesteld, maakt geen verschil.

  3. Omdat [verzoeker] de zijdens Egis geschetste gang van zaken gemotiveerd betwistte, heeft de kantonrechter, hoewel [verzoeker] geen bewijs van zijn stellingen had bijgebracht of aangeboden, hem toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. De beslissing op het verzoek van [verzoeker] ex artikel 7:681 BW is daartoe aangehouden. De andere verzoeken zijn op 9 november 2016 afgedaan.

Het ontslag op staande voet

4. Geoordeeld wordt dat [verzoeker] niet in het leveren van tegenbewijs is geslaagd; hij is niet geslaagd in de ontzenuwing van de door de kantonrechter voorshands als vaststaand aangenomen gang van zaken rond het ontslag op staande voet. Niet is uit de door [verzoeker] bijgebrachte bewijsmiddelen gebleken dat het verwijt dat Egis hem maakt en op grond waarvan hij (mede gelet op de eerdere waarschuwingen) op staande voet is ontslagen, niet terecht is geweest. Met name volgt uit alle stukken, feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet dat [verzoeker] niet [naam 1] , maar [naam 1] [verzoeker] heeft bedreigd, zoals [verzoeker] steeds heeft gesteld. Overwogen wordt daartoe als volgt.

5. [verzoeker] heeft drie getuigen voorgebracht: zichzelf (partijgetuige), getuige [naam 3] en getuige [naam 2] . Bij het waarheidsgehalte van de verklaring van [naam 3] zijn dusdanige vraagtekens te plaatsen, dat deze niet door de kantonrechter zal worden gebruikt. Niet alleen hebben twee andere getuigen - de getuigen [naam 1] en [naam 2] - [naam 3] niet in de bewuste ruimte gezien, maar ook doet de officiële tekening van (de vluchtroutes in) de ruimte blijken dat vanuit de plek waar [naam 3] stond (bij de WC), hij de gebeurtenissen niet gezien kan hebben. Daarnaast wordt de verklaring van [naam 3] omtrent de mogelijkheid zich tegenover [naam 4] uit te spreken, door twee andere verklaringen (van de getuige [naam 5] en van [naam 4] ) gemotiveerd weersproken. Tot slot heeft [naam 3] verklaard dat hij de dag voor het getuigenverhoor met [verzoeker] en diens gemachtigde uitgebreid heeft doorgesproken wat hij zou zeggen. Daarmee ligt een zeker inkleuring van zijn verklaring op de loer.

6. Getuige [naam 2] , opgeroepen door [verzoeker] , verklaart daarentegen in lijn met getuige [naam 1] , opgeroepen door Egis. [naam 2] verklaart dat hij [verzoeker] heen en weer heeft zien lopen; [naam 1] zelf liep volgens [naam 2] niet heen en weer. Getuige [naam 1] verklaart ook dat [verzoeker] op hem af kwam lopen en dat hij zelf stil stond bij zijn kast. En getuige [naam 2] hoorde [verzoeker] tekeer gaan, terwijl hij bij [naam 1] geen stemverheffing heeft gehoord. Ook dat wordt ondersteund door de verklaring van [naam 1] . Zowel de verklaring van [naam 2] als die van [naam 1] komen de kantonrechter geloofwaardig voor.

7. Nu de voorshandse beoordeling van de kantonrechter niet is ontzenuwd, is de lezing van de gebeurtenissen op 22 juni 2016 zijdens Egis komen vast te staan. Die gebeurtenissen kwalificeren als voldoende reden voor een ontslag op staande voet. Dat Egis geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] is niet gebleken, maar die persoonlijke omstandigheden maken ook niet dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is; daarvoor is het gebeurde te ernstig.

8. Het dienstverband tussen [verzoeker] en Egis is derhalve op 27 juni 2016 ten einde gekomen. Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van dat ontslag zal worden afgewezen. De bijbehorende vorderingen van [verzoeker] (doorbetaling loon en wedertewerkstelling) zullen eveneens worden afgewezen.

De wijziging van eis; de transitievergoeding

9. [verzoeker] heeft zijn eis vermeerderd en heeft gevorderd dat hem een transitiever-goeding wordt toegekend in verband met de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Egis. Uit de toelichting blijkt dat [verzoeker] de aanspraak op de transitievergoeding verbindt aan de beslissing, waarbij de arbeidsovereenkomst tegen 1 januari 2017 wordt ontbonden, onder de voorwaarde dat (kort gezegd) het ontslag op staande voet geen stand houdt. In die procedure is geoordeeld dat - buiten de gebeurtenissen leidend tot het ontslag op staande voet - het dienstverband op grond van een verstoorde arbeidsrelatie dient te worden ontbonden, als het ontslag op staande voet zou worden vernietigd.

10. Egis heeft tegen de vermeerdering van eis geen bezwaren geuit en geen afzonderlijk verweer gevoerd. Nu echter het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, is de voorwaarde voor de ontbinding niet vervuld en is de arbeidsovereenkomst reeds geëindigd door het ontslag op staande voet. De kantonrechter komt dus niet toe aan de beoordeling van de zijdens [verzoeker] gevraagde transitievergoeding.

11. Voor zover het de bedoeling was van [verzoeker] de transitievergoeding ook te vorderen als het ontslag op staande voet in stand blijft, wordt - nog los van het tijdstip van het instellen van de vordering - overwogen dat ook bij ontslag op staande voet aanspraak op een transitievergoeding kan bestaan, maar in dit geval [verzoeker] van het einde van de arbeidsovereenkomst een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook daarom komt hem geen transitievergoeding toe.

Resumé

12. De slotsom van dit alles is dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet, met de aanverwante vorderingen, zal worden afgewezen en dat de vordering van [verzoeker] ten aanzien van de transitievergoeding niet in behandeling wordt genomen, dan wel wordt afgewezen.

12. [verzoeker] wordt deels veroordeeld in de kosten van de procedure ex artikel 7:681 BW, gevallen aan de zijde van Egis, namelijk tot het bedrag van € 1.000,00, daaronder de kosten van de getuigenverhoren begrepen. Voor het overige worden de kosten in deze en in alle andere zaken gecompenseerd, in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.


BESLISSING

De kantonrechter:


In EA 16-918 (vernietiging ontslag op staande voet):

wijst het verzoek met de aanverwante vorderingen van [verzoeker] af;

wijst af de vordering van [verzoeker] tot betaling van de transitievergoeding;

veroordeelt [verzoeker] (deels) in de kosten van de procedures, namelijk tot een bedrag van € 1.000,- en compenseert de proceskosten in alle zaken voor het overige.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, op 16 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter