Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8143

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
6097430 EA VERZ 17-578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst, na een door de werkgever vernietigde beeindigingsovereenkomst. Overeenkomst ondertekend door de partner van werknemer en feitelijk leidinggevende/persoon waarvoor werknemer werkte, was niet op de hoogte. Strijd met art. 3:68 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1341

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 6097430 EA VERZ 17-578

beschikking van: 22 september 2017

func.: 245

Beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap TMG Personeel B.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekster, verweerster

nader te noemen: TMG

gemachtigde: mr. J. van der Steenhoven

t e g e n

[verweerster]

wonende te [plaats]

verweerster, verzoekster

nader te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. M.H. Stekelenburg

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

TMG heeft op 23 juni 2017 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft op 4 augustus 2017 een verweerschrift ingediend, tevens houdende een tegenverzoek.

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 15 augustus 2017. [verweerster] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. TMG is verschenen bij [naam 1] , vergezeld door de gemachtigde en een belangstellende. Partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht en hebben ter zitting hun standpunten, mede aan de hand van een pleitnota, toegelicht.

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende:

1.1.

[verweerster] is op 15 maart 2010 in dienst van TMG getreden. Zij was laatstelijk werkzaam als managementassistente op het secretariaat van de Raad van Bestuur van TMG tegen een salaris van € 3.950,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

1.2.

[verweerster] heeft een affectieve relatie met [naam 2] , hoofd HR van TMG (verder [naam 2] ). [verweerster] en [naam 2] wonen samen. Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel had [naam 2] volledige volmacht TMG te vertegenwoordigen. Volgens een intern besluit was [naam 2] niet bevoegd overeenkomsten met een belang van meer dan € 50.000,- te sluiten.

1.3.

Op 5 maart 2017 hebben TMG en Mediahuis/VP Exploitatie een akkoord bereikt over de overname van TMG. De Raad van Commissarissen (RvC) heeft toen de beide leden van de Raad van Bestuur, de heren [naam 3] (CEO) en [naam 4] (CFO) met onmiddellijke ingang geschorst.

1.4.

Op 13 maart 2017 is de heer [naam 1] door de RvC aangewezen als algemeen directeur TMG ad interim.

1.5.

Op 21 maart 2017 heeft [verweerster] aan de heer [naam 5] , secretaris van de Raad van Bestuur, aangegeven dat zij stress op het werk ondervond. Er is toen over een eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesproken.

1.6.

[naam 5] heeft [verweerster] doorverwezen naar de heer [naam 6] , een zogenoemde HR business partner (medewerker PZ).

1.7.

[verweerster] heeft daarna haar voorwaarden voor een beëindiging van het dienstverband op papier gezet en besproken met [naam 6] .

1.8.

[naam 6] heeft vervolgens een concept-vaststellingsovereenkomst opgesteld en per e-mail naar [naam 5] gestuurd. Hierin staat onder meer:
Bijgevoegd de overeenkomst (…) graag jouw akkoord. Formeel dien jij als leidinggevende dit verzoek aan mij te doen, maar je bent op de hoogte hoe dit proces is verlopen. Hoor graag.

1.9.

[naam 6] heeft ook [verweerster] de concept-vaststellingsovereenkomst gestuurd en daarbij geschreven:
Zoals besproken ontvang je hierbij als bijlage de concept overeenkomst. Graag je reactie. Na akkoord kunnen [naam 5] en [naam 2] tekenen.

1.10.

Nadat [verweerster] nog een aantal wijzigingen had doorgegeven, hebben [verweerster] en [naam 2] , namens TMG, de overeenkomst op 22 maart 2017 ondertekend. Ingevolge deze vaststellingsovereenkomst heeft [verweerster] onder meer recht op een beëindigingsvergoeding van € 55.142,- bruto tegen een einde van de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2017. [verweerster] werd ook vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

1.11.

Na 23 maart 2017 heeft [verweerster] geen werkzaamheden meer voor TMG verricht.

1.12.

Op 10 april 2017 heeft [verweerster] aan TMG meegedeeld dat zij via een uitzendbureau een andere baan had gevonden en de arbeidsovereenkomst met TMG al per 30 april 2017 wilde laten eindigen. Volgens de vaststellings-overeenkomst wordt in dat geval het resterende salaris tot de einddatum
(30 juni 2017) ineens uitgekeerd.

1.13.

Bij e-mail van 19 april 2017 heeft [naam 1] aan [verweerster] bericht dat er een extern onderzoek zou worden ingesteld naar de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. BDO Investigations BV heeft dat onderzoek uitgevoerd.

1.14.

Het rapport van BDO dateert van 28 mei 2017 en is in de procedure gebracht. De kosten van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen TMG en [verweerster] wordt door BDO op € 72.312,- bruto berekend.

1.15.

Bij brief van 19 juni 2017 heeft TMG de vaststellingsovereenkomst buiten rechte vernietigd en meegedeeld dat het handelen van [verweerster] door TMG onacceptabel wordt geacht en dat de gemachtigde opdracht wordt gegeven de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

1.16.

Op 23 juni 2017 heeft de Raad van Bestuur de aan [naam 2] verstrekte volmacht partieel vernietigd.

1.17.

Bij vonnis van 6 juli 2017 heeft de kantonrechter te Amsterdam in kort geding een vordering zijdens [verweerster] - kort gezegd tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst en dus uitbetaling van de overeengekomen vergoeding van € 55.142,- bruto c.a. - afgewezen.

1.18.

De transitievergoeding voor [verweerster] is € 12.102,14 bruto.

Verzoek ex artikel 671b BW

2. TMG verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 1 en lid 3 sub e BW.

3. TMG stelt daartoe - samengevat - dat de vaststellingsovereenkomst non-existent, althans nietig is. Dit is volgens TMG allereerst omdat een toereikende volmacht van [naam 2] ontbrak (boven de € 50.000,- diende [naam 2] eerst goedkeuring te vragen aan de Raad van Bestuur) en [verweerster] - als diens partner - er niet op mocht vertrouwen dat [naam 2] over een toereikende volmacht beschikte. Daarnaast verhindert artikel 3:68 BW (Selbsteintritt) dat de vaststellingsovereenkomst gelding bezit, nu sprake is van een belangenverstrengeling omdat [naam 2] een belang heeft bij (de financiële situatie van) zijn partner [verweerster] . Tot slot stelt TMG dat er wegens een wilsgebrek in het verlenen van de volmacht aan [naam 2] geen rechtsgeldige overeenkomst met [verweerster] tot stand is gekomen. TMG heeft derhalve de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd.

4. Door de buitengerechtelijke vernietiging van de vaststellingsovereenkomst, en anders omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat TMG aan de inhoud van de vaststellingsovereenkomst wordt gehouden, is de arbeidsover-eenkomst tussen TMG en [verweerster] blijven bestaan. TMG houdt [verweerster] dus niet aan haar opzegging daarvan tegen 1 mei 2017. Van die arbeidsovereenkomst verzoekt TMG de ontbinding.

5. In dat verband stelt TMG dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door het ertoe te leiden dat de vaststellingsovereenkomst werd gesloten, waardoor er van TMG redelijkerwijs niet gevergd kan worden het dienstverband te laten voortduren. In de kern komt dat handelen er op neer dat [verweerster] TMG welbewust heeft misleid door bij de heer [naam 5] een dreigende burn-out voor te wenden, teneinde een buitenproportionele beëindigingsregeling te bedingen, waarbij zij gebruik heeft gemaakt van de positie van haar partner. TMG meent dat dit evident ontoelaatbaar gedrag is.

6. Volgens TMG is de wijze waarop [verweerster] TMG welbewust heeft misleid, die in de weg staat aan een verdere samenwerking, zodanig is dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, als bedoeld in artikel 7: 673 lid 7 sub c BW. De arbeidsovereenkomst kan dus zonder de opzegtermijn, tegen een eerder tijdstip ontbonden worden.

Verweer

7. [verweerster] voert hiertegen – samengevat – aan dat nu de vaststellingsovereenkomst geldig is, TMG niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar verzoek. Subsidiair verzoekt [verweerster] het verzoek af te wijzen. Meer subsidiair verzoekt [verweerster] om, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, de proceduretijd niet in aftrek te brengen op de opzegtermijn, haar een transitievergoeding van € 12.102,14 bruto toe te kennen, alsmede als billijke vergoeding het bedrag van € 55.142,- bruto.

8. [verweerster] stelt dat TMG haar stellingen over de totstandkoming van de beëin-digingsovereenkomst onjuist onderbouwt. [verweerster] wordt daarbij op een ver-velende en achterdochtige manier weggezet. Er is onmiskenbaar sprake van een geldige overeenkomst. [naam 2] , op het moment van tekenen (extern) volledig en onbeperkt gevolmachtigd, was inhoudelijk niet betrokken bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst. De overeenkomst is (eigenlijk) met de heer [naam 5] , haar leidinggevende, gesloten. [verweerster] wist niet eens dat [naam 2] zou onder-tekenen. Bovendien was de (interne) regeling van de goedkeuring boven € 50,000,- bij [verweerster] niet bekend.

9. Verder voert [verweerster] aan dat er geen sprake van is dat [verweerster] en [naam 2] een gemeenschappelijk belang hebben. [verweerster] en [naam 2] hebben gescheiden vermogens en hebben ieder hun eigen financiële verplichtingen. Bovendien zijn hechte affectieve of familiaire relaties zeer gebruikelijk en veel voorkomend binnen TMG.

10. [verweerster] heeft eerst gesteld dat als de vaststellingsovereenkomst niet rechts-geldig is, het dienstverband met TMG te willen voortzetten. Maar inmiddels heeft TMG [verweerster] zo zwart gemaakt, dat ze niet meer terug kan. [verweerster] vraagt daarom om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en de proceduretijd niet in aftrek te brengen op de geldende opzegtermijn.

Tegenverzoek

11. [verweerster] vordert - kort gezegd - nakoming van de vaststellingsovereenkomst en derhalve veroordeling van TMG de beëindigingsvergoeding van € 55.142,- bruto uit te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017 tot aan de dag der voldoening, en alle andere vergoedingen uit de overeenkomst te voldoen, waaronder een vergoeding voor de kosten die zij heeft moeten maken om haar vorderingen buitengerechtelijk te incasseren.

11. Subsidiair heeft [verweerster] gevorderd TMG te veroordelen haar weder te werk te stellen, op straffe van een dwangsom, de loonbetaling te hervatten, haar een lease-auto ter beschikking te stellen en haar - zo begrijpt de kantonrechter - te compenseren voor het gemis van een mobiele telefoon met een bedrag van € 50,- per maand.

11. Onder verwijzing naar het besprokene ter zitting (zie rov 10) begrijpt de kantonrechter dat de subsidiaire vordering van [verweerster] voor zover het de wedertewerkstelling betreft, is komen te vervallen.

Verweer

14. Het verweer van TMG op de aanverwante vorderingen van [verweerster] komt er op neer dat nu zij verwijtbaar heeft gehandeld, wedertewerkstelling niet aan de orde is en zullen verder bij de beoordeling zo nodig aan de orde komen.

BEOORDELING

In het verzoek ex artikel 7:671b BW

15. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. TMG heeft het verzoek onvoorwaardelijk gedaan, tegen de achtergrond dat zij de vaststellingsovereenkomst buitenrechtelijk heeft vernietigd en het dienstverband daarmee is voortgezet. Mede gelet op het zijdens [verweerster] ingestelde tegenverzoek, houdende aanverwante vorderingen, zal de kantonrechter eerst beoordelen of de buitengerechtelijke vernietiging van TMG doel heeft getroffen.

vaststellingsovereenkomst

16. Geoordeeld wordt dat TMG terecht de beëindigingsovereenkomst heeft vernietigd, althans dat de vernietiging van de overeenkomst door TMG bij brief van 19 juni 2017 doel heeft getroffen. Los van het feit dat er voldoende vraagtekens zijn te plaatsen bij de gang van zaken rond de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst eind maart 2017, geldt dat het bepaalde in artikel 3:68 BW zich er tegen verzet dat [naam 2] de overeenkomst voor TMG heeft gesloten. Daartoe moge het volgende dienen.

16. Vaststaat dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten met een vergoeding van ruim 4 x de kantonrechtersformule (die bij TMG nog wel werd gebruikt) tot 6 x de hoogte van de transitievergoeding. Een hoge vergoeding is niet in het belang van TMG, zeker daar waar het initiatief tot beëindiging niet van haar afkwam. Vaststaat ook dat de partner van [verweerster] , waarmee zij samenwoont, die overeenkomst namens TMG heeft ondertekend. [naam 2] heeft onmiskenbaar een belang bij een zo hoog mogelijke vergoeding voor zijn directe levenspartner, althans belangenverstrengeling is niet uitgesloten. Artikel 3:68 verhindert dan dat [naam 2] als gemachtigde voor TMG optreedt.

16. Bovendien was de volmacht van [naam 2] voor het aangaan van een overeenkomst met een belang boven € 50.000,- intern beperkt. [naam 2] diende voor het aangaan van de overeenkomst toestemming te vragen, hetgeen niet is gebeurd. De stelling [verweerster] dat zij dit niet wist, is tegen de achtergrond van hun affectieve relatie zo onwaarschijnlijk dat de kantonrechter dat verweer passeert.

16. Nu de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst door TMG doel treft en TMG [verweerster] niet houdt aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst, duurt de arbeidsovereenkomst tot heden voort.

ontbinding

20. Daarmee komt de kantonrechter toe aan de vraag of deze arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. TMG heeft ontbinding verzocht op de e-grond (verwijtbaar handelen), waarbij herplaatsing niet in de rede ligt.

20. De eerder geschetste feiten en omstandigheden rond het tekenen van de overeen-komst worden door de kantonrechter aangemerkt als verwijtbaar handelen zijdens [verweerster] . Ook [verweerster] had iedere schijn van belangenverstrengeling dienen te vermijden en ervoor dienen te waken dat [naam 2] haar beëindigingsovereenkomst ondertekende óf dat boven iedere twijfel was verheven dat de inhoud van de overeenkomst de goedkeuring van de Raad van Bestuur kon wegdragen. Dat laatste is niet gebleken. [verweerster] heeft de inhoud of de totstandkoming niet met iemand van de Raad van Bestuur en/of [naam 1] besproken. [verweerster] heeft toegestaan dat haar levenspartner haar vaststellingsovereenkomst tekende met daarin een beëindigingsvergoeding, die als buitengewoon riant valt aan te merken, met allerlei even riante bijkomende regelingen, terwijl zij van TMG niet hoefde te vertrekken.

20. Ten onrechte tracht [verweerster] zich nog te verschuilen achter het voortraject via [naam 5] en [naam 6] . Zij stelt te makkelijk dat alles helemaal buiten haar partner om is gegaan, dat [naam 2] zich volledig afzijdig heeft gehouden. Uit de geschetste gang van zaken blijkt dat [naam 2] minder afzijdig is gebleven dan [verweerster] doet voorkomen.

20. Indien [verweerster] werkelijk van oordeel was dat zij haar werkzaamheden niet ongewijzigd kon voortzetten, had zij dit met [naam 1] - voor wie zij uiteindelijk (mede) werkte - dienen te bespreken om te bezien wat de oplossing kon zijn. [naam 1] heeft achteraf pas vernomen dat [verweerster] “met een zak met geld was vertrokken” en pas achteraf is hij na het doornemen van de op zijn verzoek door [naam 2] toegezonden vaststellingsovereenkomsten op de hoogte geraakt van de regeling van [verweerster] .

20. [verweerster] doet het daarbij ten onrechte voorkomen alsof sprake was van een onder deze omstandigheden gebruikelijke regeling. Uit de ingebrachte producties en de toelichting ter zitting volgt dat TMG bij een vertrek op verzoek van de werknemer niet dit soort riante regelingen treft. Bij een vertrek op verzoek van de werknemer wordt doorgaans geen vergoeding toegekend, hetgeen de kantonrechter overigens juist voorkomt.

20. Dit alles wegende wordt geoordeeld dat [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld. Dit handelen heeft TMG ingegeven het ontbindingsverzoek in te dienen. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst onder toepassing van artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW ontbinden tegen 1 november 2017. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst - gelet op de opzegtermijn - bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure en met een minimum van een maand. de kantonrechter ziet geen aanleiding de arbeidsovereenkomst tegen een eerdere datum te laten eindigen.

billijke vergoeding

26. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, welke handelen heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarvan is hier niet gebleken. In casu is het het handelen van [verweerster] zelf (geweest) dat heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

transitievergoeding

27. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden heeft [verweerster] om toekenning van de transitievergoeding verzocht, die zij heeft berekend op € 12.102,14 bruto. TMG heeft zich ter zitting bereid verklaard de transitievergoeding te voldoen. Het bedrag is in hoogte niet door TMG betwist, zodat toegewezen wordt € 12.102,14 bruto aan transitievergoeding.

intrekkingsmogelijkheid

28. Nu TMG zich bereid heeft verklaard de transitievergoeding te voldoen en aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, behoeft TMG geen gelegenheid te krijgen haar verzoek in te trekken.

In het tegenverzoek (samenhangende vorderingen)

nakoming vaststellingsovereenkomst

29. Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van [verweerster] met betrekking tot de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en daarmee samenhangende vorderingen worden afgewezen. Nu de vaststellingsovereenkomst is vernietigd, is er geen grond voor toewijzing van deze vorderingen.

opheffing schorsing

30. Hetzelfde geldt (feitelijk) voor de subsidiaire vordering van [verweerster] met betrekking tot de - kort gezegd - opheffing van de schorsing. Een veroordeling daartoe zal de kantonrechter voor de korte tijd dat de arbeidsovereenkomst nog duurt, niet uitspreken. Ook al omdat [verweerster] zelf aangeeft niet meer terug te kunnen.

Doorbetaling loon c.a.

31. Nu de arbeidsovereenkomst tot 1 november 2017 voortduurt dient TMG tot dat moment het loon te voldoen. Nu echter [verweerster] elders werkzaamheden heeft verricht, zij het tegen een lager loon, en TMG heeft gesteld dat er reden is het achterstallig loon te matigen, ziet de kantonrechter aanleiding om de loonvordering te beperken tot het verschil tussen het laatstgenoten loon van [verweerster] bij TMG, vermeerderd met vakantiegeld, en het genoten inkomen elders, over de periode 1 mei 2017 tot 1 november 2017, voor zover verschuldigd vermeerderd met de wettelijke rente en met de wettelijke verhoging beperkt tot 10%. Nu de kantonrechter onvoldoende informatie heeft over het inkomen van [verweerster] , zal zij de vordering van [verweerster] slechts op deze wijze kunnen toewijzen.

31. De overige vorderingen van [verweerster] met betrekking tot de bedrijfsauto en de mobiele telefoon, worden - gelet op het vorenstaande - eveneens afgewezen. Er is onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij op deze emolumenten ook tijdens non-activiteit recht heeft gehad.

Kosten verzoek en tegenverzoek

33. Gelet op de uitkomst de procedure zullen de kosten over en weer worden gecom-penseerd, in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

in het verzoek:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2017;

kent daarbij aan [verweerster] toe ten laste van TMG een transitievergoeding ter hoogte van € 12.102,14 bruto;

veroordeelt TMG tot betaling van deze vergoeding en verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek voor het overige af;

in het tegenverzoek:

veroordeelt TMG tot betaling aan [verweerster] het verschil tussen het laatst-genoten loon van [verweerster] bij TMG, vermeerderd met vakantiegeld, en het door [verweerster] genoten inkomen elders, over de periode 1 mei 2017 tot 1 november 2017, voor zover verschuldigd vermeerderd met de wettelijke rente en met de wettelijke verhoging beperkt tot 10%;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het tegenverzoek voor het overige af;

in beide verzoeken:

compenseert de proceskosten tussen partijen, des dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.


De griffier De kantonrechter