Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8140

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
16/3386
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stadsdeel Zuid mocht een brouwerij een omgevingsvergunning voor een terras in de binnentuin weigeren, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan. Er was geen aanleiding voor het stadsdeel om hierop een uitzondering te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5966
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.H. van den Berg),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Visser).

Procesverloop

Met het besluit van 31 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een terras aan de achterzijde van het gebouw [adres] te Amsterdam ten behoeve van een horecabedrijf.

Met het besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] , compagnon van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is huurder van het pand aan de [adres] te Amsterdam. In dit pand is [bedrijf] , een [eetcafé] , gevestigd. Eiser is directeur en exploitant van dit eetcafé. Op 24 maart 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan om een terras te realiseren. Het terras komt in de binnentuin van het pand waar [bedrijf] aan het [adres] in gevestigd is. Blijkens de aanvraag gaat het om een terras met een omvang van 85 m². Verder zal het terras maximaal 60 mensen kunnen faciliteren en om 23.00 uur sluiten.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Aan de afwijzing ligt het volgende ten grondslag. Het terras ten behoeve van horecadoeleinden is in strijd met de geldende bestemming “Tuinen”. Er wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan af te wijken. Het ruimtelijk beleid is gericht op het behoud van een goed woon- en leefklimaat, dat is gediend bij het behoud van de waarde van rustige, open en groene binnentuinen. Het toestaan van een terras is hiermee in strijd. Er is geen aanleiding om hierop een uitzondering te maken. Uit het akoestisch onderzoek blijkt namelijk dat er wel wezenlijke akoestische effecten voor omwonenden en belanghebbenden in de directe invloedsfeer van het terras zijn te verwachten. Deze akoestische effecten worden versterkt doordat sprake is van een relatief stil binnenterrein. Gelet hierop zou een omgevingsvergunning een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat opleveren. Bovendien bestaat het risico van precedentwerking. Ook heeft [bedrijf] al een terras aan de voorzijde. De belangenafweging valt daarom in het nadeel van eiser uit.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder verwijzing naar (de paragrafen 1, 2, 3, de laatste alinea van paragraaf 4 en onder 2 van paragraaf 5) het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften van

8 januari 2015.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

5. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen.

6. Op grond van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

7. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “De Pijp 2005” (het bestemmingsplan). De gronden zijn op de plankaart aangewezen als bestemd voor “Tuinen”.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van het bestemmingsplan zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor “Tuinen”, aangewezen voor tuinen, voetpaden, parkeervoorzieningen, daar waar dat met de nadere aanduiding “parkeervoorzieningen toegestaan” op de plankaart staat aangegeven en de in de artikelen 3 tot en met 6 genoemde doeleinden, voorzover vrijstelling kan worden verleend als bedoeld in lid 5 van dit artikel.

Belangenafweging

8. Tussen partijen is niet in geschil dat het te realiseren terras in strijd is met het geldende bestemmingsplan. In geschil is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

9. De rechtbank overweegt allereerst dat de beslissing om mee te werken aan gebruik in strijd met het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij deze beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter dit terughoudend moet toetsen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4771).

10. Eiser voert aan dat verweerder geen juiste belangenafweging heeft gemaakt. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte het algemeen belang van de bescherming van de omwonenden zwaarder laten wegen dan het belang van eiser bij het realiseren van het terras. Bovendien is verweerder uitgegaan van onjuiste feiten. Het gaat namelijk om een bijzondere, van de normale binnentuin afwijkende situatie. De binnentuin behoorde bij een oud klooster. De tuin is toegankelijk voor niet-bewoners en heeft een in- en uitgang. In de directe nabijheid van het terras zijn geen omwonenden. Tenminste, het pand waarin de woongroep woont, is afgeschermd van de binnentuin met een blinde muur. Door deze bijzondere situatie is volgens eiser het effect van een terras in de binnentuin anders dan in een normale binnentuin. Eiser verwijst in dat verband ook naar de situatie met betrekking tot de binnentuin van het Conservatorium Hotel. Daar is ook geen sprake van een normale binnentuin. Verweerder heeft voor dat terras wel een vergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Volgens eiser past verweerder het binnentuinenbeleid niet consistent toe. Het beoogde terras valt verder ruimschoots binnen de geluidsnormen. Ter onderbouwing heeft eiser een akoestisch rapport van 16 december 2014 overgelegd.

11. Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat de aanvraag van eiser is getoetst aan de nieuwe nota van uitgangspunten bestemmingsplan de Pijp 2018. Het uitgangspunt hiervan is dat er een bepaalde mate van verzadiging is ontstaan, waarbij de balans tussen het woonklimaat en de hinder vanuit horeca in gevaar dreigt te komen. Daarom is de gedragslijn om terrassen in binnentuinen niet toe te staan. De afwijzing van de vergunning is dus niet gebaseerd op beleid maar op een vaste gedragslijn. Bij een vaste gedragslijn kan verweerder bij het nemen van het besluit niet volstaan met een verwijzing naar het beleid. Hij moet een afweging maken tussen de belangen die zijn gediend met het vasthouden aan de gedragslijn en de belangen van eiser.

12. In de nota van uitgangspunten bestemmingsplan de Pijp 2018 staat dat er een bepaalde mate van verzadiging is ontstaan, waarbij de balans tussen het woonklimaat en de hinder vanuit horeca in gevaar dreigt te komen. Verder volgt uit de nota dat uitbreiding van bebouwing in de binnentuinen wordt tegengegaan om een verdere verdichting tegen te gaan. De stedelijke drukte aan de voorzijde van de woning wordt met name voor bewoners op hoger gelegen bouwlagen gecompenseerd door de rust en ruimte in de binnentuinen. Zij kunnen “meegenieten” van de tuinen beneden hen. Op het moment dat de tuinen nog verder worden verdicht dan gaat dit ten koste van de rust en ruimte. De gedragslijn om uitbreiding van terrassen in binnentuinen tegen te gaan is in overeenstemming met dit streven.

13. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van de juiste feiten is uitgegaan. Door de aanwezige toegang wijkt de binnentuin bij [bedrijf] weliswaar af van de meer gebruikelijke afgesloten binnentuinen, maar aannemelijk is dat de binnentuin nog steeds ten opzichte van de straatkant relatief rustig is. Verweerder heeft de feiten bij de belangenafweging verder anders gewaardeerd dan eiser.

14. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij met de verwijzing naar het Conservatorium Hotel geen beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. Eisers beroepsgrond houdt in dat hij van mening is dat de gedragslijn die verweerder hanteert niet op consistente wijze wordt toegepast. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Vast staat dat de binnentuinen bij het Conservatorium Hotel en bij [bedrijf] allebei open binnentuinen zijn. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat er duidelijke verschillen zijn tussen deze binnentuinen. In de binnentuin bij het Conservatorium Hotel bevinden zich een laad- en losplaats, een ondergrondse parkeergarage en toegang tot de laad- en losplaats en de parkeergarage. Hoewel er wel auto’s toegang hebben tot de binnentuin bij [bedrijf] , heeft die tuin vooral een rustig en daarmee een ander karakter.

15. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij het belang van het woonklimaat laat prevaleren boven het belang van eiser. Het gaat namelijk om een betrekkelijk stille binnentuin. Aan de binnentuin bevinden zich bedrijven, maar er wordt ook gewoond. Verder zijn de locaties rondom de binnentuin gelegen op gronden op de plankaart bestemd voor Maatschappelijke doeleinden. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat dit betekent dat daar in de toekomst mogelijk een woonzorginstelling of een ziekenhuis zich kan vestigen, waarbij geluidsoverlast niet wenselijk is. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het beoogde terras wat betreft geluid binnen de normen blijft. Gelet op de huidige situatie is echter aannemelijk dat het wel wezenlijke akoestische effecten met zich mee zal brengen voor omwonenden en belanghebbenden. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Conclusie

16. De conclusie is dat verweerder in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. Hoogendoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.