Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8076

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
C/13/14/459-R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank staat toe dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de nieuwe schulden in de boedelachterstand met schenking van derde worden voldaan. Schone lei.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

insolventienummer: C/13/14/459-R

uitspraak: 27 september 2017

beëindiging schuldsanering (artikel 358 lid 1 Fw)

schone lei

Bij vonnis van deze rechtbank van 11 juli 2014 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenares] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

- hierna te noemen: schuldenares.

De bewindvoerder heeft verzocht de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld ter zitting van 20 september 2017. Ter zitting zijn de bewindvoerder en schuldenares, bijgestaan door mr. M.A. Hupkes, verschenen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de op 31 augustus 2017 gehouden pro forma verificatievergadering, van het daaraan gehechte verslag van de bewindvoerder en van het advies van de rechter-commissaris. In haar verslag heeft de bewindvoerder geconstateerd dat schuldenares de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen niet volledig is nagekomen. Er is sprake van nieuwe schulden (circa € 1.100,=) en een boedelachterstand (€ 5.923,94). De rechter-commissaris heeft vervolgens negatief geadviseerd over de toekenning van de schone lei.

Schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat haar zus zowel de nieuwe schulden als de boedelachterstand in de vorm van een schenking heeft voldaan. Het betreft een schenking onder de voorwaarde dat met deze gelden daadwerkelijk de nieuwe schulden en de boedelachterstand worden voldaan. Volgens schuldenares zijn de nieuwe schulden ontstaan doordat zij is gaan werken, waardoor geen recht meer bestond op toeslagen en deze werden teruggevorderd. De boedelachterstand is grotendeels ontstaan doordat de door schuldenares ontvangen alimentatie niet was meegenomen in de boedelstand. Schuldenares heeft de ontvangst van de alimentatie doorgegeven aan de bewindvoerder. De enorme boedelachterstand kwam dan ook als een verrassing, aldus steeds schuldenares.

De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat de boedelachterstand kan zijn ontstaan door de alimentatiekwestie. Daarbij heeft schuldenares een forse afloscapaciteit en draagt zij te weinig af. Nu de boedelachterstand en de nieuwe schulden zijn voldaan, adviseert de bewindvoerder schuldenares de schone lei te verlenen.

De rechtbank is van oordeel dat schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen door nieuwe schulden en een boedelachterstand te laten ontstaan. De rechtbank acht de omstandigheden waaronder deze nieuwe schulden en boedelachterstand zijn ontstaan van dien aard dat deze niet zonder meer in de weg behoeven te staan aan toekenning van de schone lei. Dit oordeel is ingegeven door de omstandigheid dat schuldenares een betaalde baan heeft weten te bemachtigen, hetgeen prijzenswaardig is, waardoor echter haar inkomen is gestegen en geen recht meer bestond op toeslagen. Dit heeft geleid tot terugvordering van genoemde toeslagen. Daar komt bij dat schuldenares eerst medio december 2016, na herberekening van de boedelstand, is gebleken van de boedelachterstand. Nu schuldenares in een dermate laat stadium van de schuldsaneringsregeling, te weten een zevental maanden voor het einde, is geconfronteerd met een substantiële boedelachterstand, kan van haar niet worden verwacht hierop dusdanig te anticiperen dat zij deze alsnog kan voldoen voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. Schuldenares heeft een oplossing gezocht in de vorm van een schenking door een derde. Hoewel een schenking de boedel toekomt, zal de rechtbank schuldenares, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, toestaan de nieuwe schulden en de boedelachterstand met genoemde schenking te voldoen, hetgeen reeds is gebeurd. Nu schuldenares heeft voldaan aan de overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, acht de rechtbank het in dit geval dan ook niet juist om haar de schone lei te onthouden. De rechtbank zal derhalve een “schone lei” verstrekken. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen. Zodanige redenen zijn ook overigens niet gebleken.

De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.220,12 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen.

De in de schuldsaneringsregeling verschuldigde griffierechten en overige boedelkosten kunnen uit de boedel worden voldaan en komen dus ten laste van schuldenares.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenares niet in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;

- verstaat dat door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;

- stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.220,12 en brengt dit bedrag ten laste van schuldenares;

- beveelt dat de in de schuldsaneringsregeling verschuldigde griffierechten (ad € 609,=) ten laste van schuldenares komen.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Bilderbeek en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.