Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8066

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
5279688 CV EXPL 16-23738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van gefactureerde uren onder overeenkomst van opdracht. Uitleg contractuele wederpartij op basis van partijverklaringen en -gedragingen. Gedaagde heeft overeenkomst rechtsgeldig opgezegd. Van de (vormvrije) opzegbevoegdheid in art. 7:408 lid 1 BW kan niet ten nadele van de particuliere opdrachtgever worden afgeweken. Verrichte werkzaamheden moeten worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5279688 \ CV EXPL 16-23738

vonnis van: 3 november 2017

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats] ,

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.A. Neuschäfer.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 1 augustus 2016 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord.

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 20 september 2016 heeft op 4 september 2017 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekeningen gemaakt, welke aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Daarna is vonnis bepaald.

1. GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.1.

Op 14 december 2015 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een document getiteld “MACHTIGING/OPDRACHT” afgedrukt op het briefpapier van [eiseres] (hierna: het opdrachtformulier) en algemene voorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) toegestuurd aan [gedaagde] . In de begeleidende e-mail schrijft [naam 1] , voor zover relevant, het volgende:

“Bijgaand treft u aan een opdrachtformulier en algemene voorwaarden op basis waarvan mijn bureau werkzaamheden uitvoert.

(…)

Voorts verzoek ik u zowel het opdrachtformulier alsmede de algemene voorwaarden voor akkoord te ondertekenen, te dateren en (liefst gescand en per e-mail) aan mijn bureau te retourneren.”

In het opdrachtformulier staat, voor zover van belang, het volgende:

“Ondergetekende [gedaagde]

(…)

verklaart hierbij machtiging c.q. opdracht te hebben verleend aan [naam 1] en [naam 2] (…) om namens hem/haar betreffende het perceel (…)

1. Opstellen programma van eisen;

2. Bezwaar en beroep in te stellen en hem/haar te vertegenwoordigen in procedures op grond van de woningwet (…);

3. Begeleiding bij het realiseren van (ver)bouwplannen waaronder het eventueel maken van werktekeningen, technische omschrijving, bouwkundige calculaties, het houden van aanbesteding en vertegenwoordigen bij oplevering;

4. Bouwkundige inspecties en rapportages;

5. …………………………………………………………………………………..

Op deze machtiging/opdracht zijn van toepassing de algemene voorwaarden met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden door [eiseres] . Deze voorwaarden maken deel uit van deze machtiging/opdracht en zijn als zodanig aan de achterzijde hiervan afgedrukt.

Over de prijs van de werkzaamheden wordt het volgende overeengekomen:

€ 98,-- per uur”.

1.2.

Op 15 december 2015 heeft [gedaagde] per e-mail het ondertekende opdrachtformulier teruggestuurd aan [naam 1] .

1.3.

De algemene voorwaarden bevatten, voor zover relevant, de volgende bepaling:

“7. Tussentijdse opschorting en beëindiging van de overeenkomst

[naam 1] en wederpartij hebben het recht eenzijdig de overeenkomst, gehele of gedeeltelijk, op te schorten of te beëindigen door een gemotiveerde aanzegging bij aangetekende brief of exploot.”

1.4.

Op 15 januari 2016 heeft [gedaagde] een e-mail verstuurd aan zijn makelaar en [naam 1] met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“Kunnen jullie me laten weten wanneer we definitieve tekeningen etc. hebben na onderstaand afspraak zodat we dit af kunnen ronden, verder kunnen, ik weet waar we aan toe zijn en een duidelijk beeld heb, ook qua timing. Het duurt nu na een maand de tijd te hebben gehad te lang, gaat ontransparant en heeft daarmee een irritatie punt bereikt.”

1.5.

Op 17 januari 2016 heeft [naam 1] gereageerd op de e-mail van [gedaagde] en hem daarbij, voor zover relevant, het volgende bericht:

“Samenvattend:

We (ik) zij nu een maand bezig en de relevante vragen, die ik al direct (13 december) heb uitgezet, hebben ons nog geen snars verder geholpen. Ik heb nog geen tekeningen vanuit de nieuwbouw, kopieën van deconstructie berekeningen van de bovenste (4e) verdieping die niet corresponderen met onze verdieping, geen palenplan, geen sondering, geen grondwaterstand t.o.v. vloerpeil, geen informatie over het “poort” riool. (…) Bijgaand de schetsen van de nieuwe plattegronden. Na instemming gaan we rekenen.”

1.6.

Hierop heeft [gedaagde] aan [naam 1] , voor zover relevant, het volgende laten weten:

“Een langdradig ongevraagde uitleg die nog steeds geen antwoord geeft op mijn directe en concrete vragen in mijn voorgaande mail en me enkel meer zorgen baart dan weghaalt.”

1.7.

Op 19 januari 2016 heeft [naam 1] een factuur (hierna: de factuur) met urenspecificatie verstuurd aan [gedaagde] voor werkzaamheden verricht in de periode tot en met 18 januari 2016.

Vordering en verweer

1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.249,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2016, en de proceskosten. Het bedrag van € 6.249,04 is als volgt opgebouwd: € 5.500,18 aan hoofdsom (bedrag van de factuur), € 98,86 aan rente vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan 15 juli 2016 en € 650,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

2. [eiseres] legt aan haar vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst gesloten waaronder [eiseres] in opdracht van [gedaagde] tegen betaling bouwtechnische werkzaamheden zou verrichten. [eiseres] heeft conform deze overeenkomst werkzaamheden verricht en ter zake een factuur gestuurd. [gedaagde] heeft deze onbetaald gelaten.

3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

Contractuele wederpartij

4. Partijen zijn het met elkaar eens dat op 15 december 2015, door ondertekening van het opdrachtformulier, een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) tot stand is gekomen waarbij [gedaagde] machtiging respectievelijk opdracht heeft gegeven om bouwtechnische werkzaamheden te verrichten tegen het daarin genoemde uurtarief van € 98,00. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat niet [eiseres] zijn contractspartij is onder de overeenkomst, maar [naam 1] en [naam 2] . [gedaagde] heeft dan ook geen verplichtingen tegenover [eiseres] onder de overeenkomst, aldus [gedaagde] . Ter onderbouwing van zijn verweer verwijst [gedaagde] naar de passage in het opdrachtformulier waarin staat dat machtiging respectievelijk opdracht wordt gegeven aan “ [naam 1] en of [naam 2] ”.

5. Om te bepalen wie als contractuele wederpartij van [gedaagde] heeft te gelden, moet worden gekeken naar hetgeen partijen over en weer op dit punt hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze uit elkaars verklaringen mochten afleiden (HR 11 maar 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter)).

6. Op het opdrachtformulier en de algemene voorwaarden zijn de naam en het bedrijfslogo van [eiseres] weergegeven en in de begeleidende e-mail geeft [naam 1] te kennen dat het opdrachtformulier en de algemene voorwaarden zien op werkzaamheden die door zijn “bureau” worden uitgevoerd. Dit duidt erop dat [eiseres] de contracterende partij was en dat dit in ieder geval ook de bedoeling was van [naam 1] . Hiertegenover heeft [gedaagde] geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [naam 1] en [naam 2] als contractuele wederpartij hebben te gelden. Meer in het bijzonder heeft hij niet gesteld dat en waarom hij de overeenkomst aan wilde gaan met [naam 1] en [naam 2] in privé (en niet met de B.V.) en dat en hoe dit ook bij hen bekend had kunnen zijn. Op grond hiervan zal dit verweer van [gedaagde] worden verworpen.

Beëindiging van de overeenkomst

7. [gedaagde] heeft verder tot zijn verweer aangevoerd dat hij de overeenkomst bij e-mail van 19 januari 2016 dan wel bij brief van zijn gemachtigde van 19 februari 2016 heeft ontbonden waardoor [eiseres] niets meer van hem heeft te vorderen. [gedaagde] stelt daartoe dat [eiseres] door haar houding en uitlatingen in verzuim is komen te verkeren, in het bijzonder door haar weigering om verantwoording af te leggen en het werk over te dragen.

8. [eiseres] betwist dat de overeenkomst middels de e-mail van 19 januari 2016 dan wel de brief van 19 februari 2016 rechtsgeldig is ontbonden nu deze wijzen van beëindiging niet in overeenstemming zijn met hetgeen is voorgeschreven in artikel 7 van de algemene voorwaarden, te weten bij aangetekende brief of exploot.

9. In het midden kan blijven of [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden (zie hierna onder 14) nu aan hem als opdrachtgever ingevolge artikel 7:408 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de bevoegdheid toekomt om de overeenkomst te allen tijde (en vormvrij) op te zeggen. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de particuliere opdrachtgever (artikel 7:408 lid 3 BW) worden afgeweken (artikel 7:413 lid 2 BW). Nu [gedaagde] heeft te gelden als particuliere opdrachtgever komt [eiseres] geen beroep toe op artikel 7 van de algemene voorwaarden. Het voorgaande brengt met zich dat [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen.

Vergoeding van werkzaamheden

10. Zoals hierboven is overwogen, is de overeenkomst rechtsgeldig opgezegd. Opzegging strekt ertoe de overeenkomst voor de toekomst te beëindigen. De verrichte, maar nog niet betaalde werkzaamheden zullen om die reden alsnog vergoed moeten worden.

11. [gedaagde] betwist dat hij gehouden is tot betaling van de gefactureerde werkzaamheden. Volgens hem heeft [eiseres] op geen enkele wijze inzichtelijk dan wel aannemelijk gemaakt dat de in de factuur vermelde uren zijn besteed ter uitvoering van de onder de overeenkomst gegeven opdracht. De opdracht zou slechts een paar uren omvatten en niet de 46 uren die door [eiseres] in rekening zijn gebracht, aldus [gedaagde] .

12. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij de gefactureerde uren wel degelijk heeft besteed aan de door [gedaagde] gegeven opdracht. Zo stelt [eiseres] dat zij de periode tot aan de datum van de factuur heeft benut om de benodigde informatie en bouwkundige tekeningen te vergaren en op te stellen. Zij heeft [gedaagde] hieromtrent ook op de hoogte gehouden. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [eiseres] naar de factuur en de door haar in het geding gebrachte correspondentie (met bijlagen).

13. De factuur geeft een nauwkeurig overzicht van de verrichte werkzaamheden en de daaraan bestede uren. Dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en dat daaraan de genoemde uren zijn besteed, vindt steun in de door [eiseres] overgelegde correspondentie. Zo volgt daaruit dat [eiseres] zich onder meer heeft toegelegd op het achterhalen van bouwtechnische informatie en tekeningen (en dat het haar veel tijd en moeite heeft gekost), het doen van opmetingen ter plaatse en het uitwerken van bouwschetsen.

14. Ook als er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, had dit niet tot een ander oordeel geleid. Evenals opzegging heeft ontbinding geen terugwerkende kracht (artikel 6:269 BW). In dat geval ontstaan wel verplichtingen tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW), maar als ongedaanmaking – zoals hier – niet mogelijk is, moet de waarde daarvan worden vergoed (artikel 6:272 lid 1 BW). Dit betekent dat ook in geval van ontbinding [gedaagde] de door [eiseres] in rekening gebrachte uren had moeten vergoeden.

15. Het voorgaande brengt mee dat [eiseres] voldoende heeft onderbouwd dat de gefactureerde uren door haar zijn besteed ter uitvoering van de onder de overeenkomst gegeven opdracht. Tegen deze achtergrond had het op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te specificeren welke gefactureerde werkzaamheden niet zijn verricht en/of waarom het aantal gefactureerde uren niet redelijk is. Nu hij dit – ook desgevraagd ter zitting – niet heeft gedaan, zal zijn verweer als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] zou hebben toegezegd dat de opdracht slechts een paar uren zou omvatten, kan hem niet baten nu het bestaan van deze afspraak wordt betwist en deze ook niet blijkt uit de overeenkomst en er ook anderszins geen aanknopingspunten voor zijn. Ook als [naam 1] , zoals [gedaagde] betoogt, een indicatie heeft gegeven van het aantal uren, en de werkzaamheden kennelijk meer tijd in beslag hebben genomen dan [naam 1] had voorzien, noopt ook dat gezien de gemaakte en vastgelegde afspraken niet tot een ander oordeel.

Slotsom

16. Het hiervoor vermelde leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur (2 februari 2016) zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

17. [eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

Proceskosten

18. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 79,35

- griffierecht € 471,00

- salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten × tarief € 250,00)

Totaal € 1.050,35

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.500,18, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2016 tot de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 650,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2016 tot de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , welke tot op heden zijn begroot op € 1.050,35, te vermeerderen met nasalaris begroot op een bedrag van € 131,00, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. E.G.M.M. van Gessel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter