Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8057

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
13/702839-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen, vrijspraak poging doodslag, poging zware mishandeling, uitgaansgeweld, keuze tussen verklaringen getuigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/702839-14 (Promis)

Datum uitspraak: 3 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.M.G. Sussenbach naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 02 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met kracht voornoemde [slachtoffer]

- meermalen in/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of,

- meermalen knietjes in de zij heeft gegeven en/of,

(vervolgens) terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag,

- meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of,

- meermalen met geschoeide voet en/of de onderbeen tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt en/of,

terwijl voornoemde [slachtoffer] probeerde op te staan,

- een vliegende/hoge trap tegen de schouder, in elk geval het lichaam, heeft gegeven;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 02 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht)

- een of meermalenn in/tegen het gezicht/gelaat en/of hoofd te stompen en/of slaan en/of

- een of meermalen een knietje in de zij te geven en/of

(vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag

- een of meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan en/of

- een of meermalen (met geschoeide) voet en/of onderbeen tegen het hoofd te trappen en/of te schoppen

en/of terwijl die [slachtoffer] probeerde op te staan

- een vliegende/hoge trap tegen de schouder, in elk geval het lichaam te geven;

2.

hij op of omstreeks 02 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft beledigd door feitelijkheden immers heeft verdachte gespuugd in de richting van schoenen van voornoemde [verbalisant 1] en/of vervolgens in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "sukkel", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking

en/of.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het onder 1. primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling bewezen op grond van de getuigenverklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2]. De onder 2. ten laste gelegde belediging van verbalisant [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) acht zij bewezen op grond van het door [verbalisant 1] opgestelde proces-verbaal van bevindingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde.

Hij voert hiertoe aan dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] (hierna: aangever), getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] niet met elkaar overeenkomen. Bovendien hebben zij anders verklaard dan getuige [getuige 1], die als enige aanwezige niet in beschonken toestand verkeerde en dichtbij het incident heeft gestaan. De raadsman concludeert dat, uitgaande van de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, verdachte niet kan hebben bijgedragen aan het letsel van aangever. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft begaan. Daarnaast is de raadsman van mening dat het letsel van aangever niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Verder bepleit de raadsman dat er zich geen aanknopingspunten in de processtukken bevinden om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken, zodat verdachte ook hiervan dient te worden vrijgesproken.

Tot slot stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte van het onder 2. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het op de grond spugen door verdachte is niet van een dusdanig beledigende aard dat verbalisant [verbalisant 1] zich hierdoor beledigd zou kunnen hebben gevoeld. Bovendien zou verdachte, naar hij verklaart, op de grond gespuugd kunnen hebben, omdat hij bloed in zijn mond had als gevolg van de vlak daarvoor plaatsgevonden vechtpartij.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2. ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Op grond van het proces-verbaal van bevindingen en overige processtukken is het voor de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat dat verbalisant [verbalisant 1] zich door het spugen van verdachte voor de schoenen van verbalisant [verbalisant 1] of het roepen van ‘sukkel’ zich beledigd heeft gevoeld.

4.3.2.

Oordeel over het onder 1. ten laste gelegde

4.3.2.1 Getuigenverklaringen

De rechtbank stelt vast dat door verschillende getuigen op verschillende momenten, namelijk tegenover de politie en bij de rechter-commissaris, wisselend is verklaard. Anders dan de raadsman leidt dit gegeven voor de rechtbank niet tot de conclusie dat de getuigenverklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De rechtbank zal ten aanzien van de door de getuigen afgelegde verklaringen als uitgangspunt hanteren dat daarvan slechts gebruik wordt gemaakt voor het bewijs als die verklaringen in belangrijke mate steun vinden in een ander bewijsmiddel. De rechtbank is van oordeel dat deze steun ontbreekt voor de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [verbalisant 1], zodat deze verklaringen niet voor het bewijs zullen worden gebruikt.

De verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd ten overstaan van de politie, kan naar het oordeel van de rechtbank wel bijdragen aan het bewijs. Deze verklaring wordt namelijk wel op belangrijke punten ondersteund door de verklaring van aangever. De rechtbank kent aan de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd tegenover de politie op 2 oktober 2014, meer waarde toe dan aan zijn verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 4 december 2015. Reden hiervoor is dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard: ‘U vraagt of ik iemand heb zien schoppen. Dat weet ik niet zeker. U leest voor wat ik bij de politie heb verklaard (pag. 14). Als ik dat heb verklaard, zal dat wel zo zijn geweest. Die verklaring is een dag later door mij afgelegd. Nu kan ik mij het voorval niet goed herinneren.’ De rechtbank neemt het als een vaststaand gegeven dat herinneringen door verloop van tijd vervagen. Daarnaast wordt de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd ten overstaan van de politie, op belangrijke punten ondersteund door de verklaringen van verdachte bij zijn verhoor bij de politie. Dat er in de loop van tijd verschillen in de verschillende verklaringen zijn opgetreden, maakt gezien het vorenstaande nog niet dat de getuige ongeloofwaardig dan wel onbetrouwbaar moet worden geacht.

4.3.2.2. Vrijspraak van de poging tot doodslag

Wat de poging tot doodslag betreft kan de rechtbank kort zijn. Zowel de officier van justitie als de verdediging zien in de voorhanden bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte en zijn medeverdachte met hun handelen het opzet hebben gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van het slachtoffer. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.3.2.3. Poging tot zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte, door meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd van aangever te trappen terwijl deze op de grond lag, en hem een hoge trap tegen zijn schouder te geven, de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam vormt, en dat de kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel overhoudt als gevolg van grof geweld op het hoofd aanmerkelijk is. Aangever is er gezien de geweldshandelingen van verdachte en zijn medeverdachte nog relatief goed vanaf gekomen met ‘slechts’ schaafwonden, zwellingen en paars-rode verkleuringen achter de oren. De rechtbank concludeert dat verdachte en zijn medeverdachte in voorwaardelijke zin opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.

4.3.2.4. Medeplegen

Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het voltooien van het delict. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit de stukken van het geding volgt dat verdachte in de nachtelijke uren van 2 oktober 2014, onder invloed van alcohol, ruzie heeft gekregen met aangever. Uit de bewijsmiddelen is voldoende duidelijk geworden dat in het hierop volgende gevecht, dat mede door toedoen van aangever is ontstaan, verdachte en zijn medeverdachte die aangever meermalen hebben geschopt en getrapt. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het slaan en stompen in het gezicht van aangever, volgt enkel uit de verklaring van aangever en het geven van knietjes in zijn zij volgt alleen uit de verklaring van getuige [getuige 1] en wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Van dit gedeelte van de tenlastelegging wordt verdachte vrijgesproken.

4.4

De bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair onder 1. ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2014240861-16 van 2 oktober 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s 13-15.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op 2 oktober 2014 stond ik aan de deur van de ‘Sugar Factory’ te Amsterdam. Op de scooter zag ik twee jongens zitten, ik kan ze als volgt omschrijven. NN1: Ongeveer 1.75 meter lang, normaal/beetje stevig postuur. NN2: Tussen 1.60-1.65 meter lang, tenger postuur. Vervolgens zag ik dat een andere jongen naar de ingang liep: NN3. Ik zag dat NN1 NN3 trapte. Vermoedelijk om NN2 te helpen. Ik zag dat NN3 op zijn hoofd werd geraakt door de trapbewegingen door NN1. Terwijl hij probeerde op te staan kreeg NN3 meerdere trappen tegen zijn hoofd.

Op een gegeven moment zag ik dat alle drie de mannen stonden. Ik zag dat NN2 aan kwam rennen en een vliegende trap uitdeelde aan NN3. Ik zag dat NN3 op zijn schouder geraakt werd.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2014240861-1 van 2 oktober 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s 16-19.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de grotere mij tegen mijn hoofd trapte. Ik voelde meteen een hevige pijn in mijn hoofd. Ik denk dat deze man mij minimaal twee keer tegen het hoofd heeft getrapt. Ik kan u ook zeggen dat de kleine jongen mij tegen het hoofd heeft getrapt, maar ik kan mij niet meer herinneren hoeveel keer. Ik voelde de trappen van de jongens tegen mijn achterhoofd komen.

Een geschrift, te weten een letselverklaring t.n.v. [slachtoffer] ingevuld door forensisch arts M. Balai, verbonden aan de GGD Amsterdam, van 3 oktober 2014, doorgenummerde pagina 51.

Dit geschrift houdt onder meer in:

Letsels:

  • -

    Linker onderbeen, voorzijde schaafwonden. Past bij: diepe schaafwond.

  • -

    Rechter handpalm, schaafwond, basis van de ringvinger. Past bij: oppervlakkig schaafletsel.

  • -

    Achter beide oren zwelling, pijnlijk, paars-rode verkleuring achterzijde gehele oorlel, beide oren. Past bij: bloeduitstorting.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde:

op 2 oktober 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader, met kracht, voornoemde [slachtoffer] meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt en een vliegende/hoge trap tegen de schouder heeft gegeven.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 180 uren met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken voor de ten laste gelegde feiten en aan hem dus geen straf op te leggen.

Subsidiair heeft de raadsman, bij een veroordeling voor feit 1, verzocht rekening te houden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden, dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en dat aangever medeschuldig is aan het incident. Daarnaast is de raadsman van mening dat het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel onnodig is, nu het een oud feit betreft en verdachte sindsdien niet meer wegens een soortgelijk feit met politie en justitie in aanraking is gekomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een taakstraf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Verdachte is onder invloed van alcohol samen met zijn medeverdachte in een vechtpartij beland. Zij hebben het slachtoffer meermalen tegen zijn hoofd geschopt en hem tegen de schouder getrapt. Hoewel de rechtbank aanneemt dat het slachtoffer medeschuldig is geweest aan het ontstaan van de vechtpartij, vindt de rechtbank het kwalijk dat verdachte en zijn medeverdachte er op geen enkel moment voor hebben gekozen om weg te gaan en weg te blijven. Integendeel, uit de verklaring van [getuige 1] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat verdachte en zijn medeverdachte de confrontatie bleven zoeken. Dergelijke delicten versterken bovendien de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid, zeker nu het incident heeft plaatsgevonden voor de deuren van een uitgaansgelegenheid in het drukke nachtleven van Amsterdam, kan het worden aangemerkt als uitgaansgeweld, een in aard en gevolg toenemende ontwikkeling.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat het verdachte is geweest, en niet zijn medeverdachte, die in eerste instantie met het latere slachtoffer in een onnodige ruzie is beland. Daarnaast is er sprake van medeplegen, wat ook als strafverzwarend geldt. Anderzijds houdt de rechtbank ook rekening met de feiten en omstandigheden die in strafmatigende zin werken. Zo is er in het onderhavige geval sprake van een poging, had het slachtoffer een groot aandeel in het ontstaan van de ruzie en is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Verder houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 2 oktober 2014 in verzekering gesteld en kon vanaf die dag in redelijkheid verwachten dat tegen hem voor een strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis, binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Het eindvonnis in de onderhavige zaak wordt nu, op 3 november 2017, gewezen en daarmee meer dan drie jaar na het aanvangen van de redelijke termijn. Er is zo sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van dertien maanden. De omstandigheid dat de zaak op 29 mei 2015 is aangehouden voor het horen van getuigen, die pas op 4 november 2015 en 4 december 2015 door de rechter-commissaris zijn gehoord, rechtvaardigt de overschrijding van de redelijke termijn niet.

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Zou deze zaak binnen redelijke termijn zijn behandeld dan zou alles afwegende een taakstraf van 80 uren passend zijn geweest.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank nu een taakstraf van 60 uren passend en geboden. De rechtbank ziet – in tegenstelling tot de officier van justitie – geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel te bepalen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat, nu het feit zich meer dan drie jaren geleden heeft afgespeeld en nu verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 september 2017, sindsdien niet meer in verband met een geweldsdelict met politie en justitie in aanraking is gekomen, een voorwaardelijk strafdeel niet geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. F.M. Wieland en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2017.