Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8033

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
13/702413-14 (zaak A) + 13/701278-15 (zaak B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal boot, opzetheling boot, schuldheling fiets, vernieling raam, beledigen agent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/702413-14 (zaak A) + 13/701278-15 (zaak B)

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Diependaal, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.G. Meijer, naar voren hebben gebracht.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] .

1.4.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is in zaak A (13/702413-14) kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich – al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen – aan de volgende misdrijven heeft schuldig gemaakt:

  1. Diefstal met braak op 30 juli 2014 bij [bedrijf bv 1] , [adres 2] te Amsterdam.

  2. Poging tot diefstal met braak op 30 juli 2014 bij [café naam] , [adres 3] te Amsterdam, subsidiair medeplichtigheid hieraan en meer subsidiair vernieling van een raam.

  3. Diefstal met braak op 30 juli 2014 te Amsterdam van de boot van [benadeelde partij 1] , subsidiair heling van deze boot in de periode van 23 juli tot en met 30 juli 2014.

  4. Diefstal met braak op 17 september 2014 te Zaandam van de boot en buitenboordmotor van [benadeelde partij 2] .

  5. Diefstal met braak op 17 september 2014 te Zaandam van een buitenboordmotor, subsidiair verduistering.

2.2.

In zaak B (13/701278-15) is aan verdachte kort gezegd ten laste gelegde dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende misdrijven:

  1. Belediging van ambtenaren in functie op 11 februari 2015 te Amsterdam.

  2. Wederspannigheid op11 februari 2015 te Amsterdam.

  3. Vernieling van een raam van een woning van [naam] en van een beeldje van [persoon 1] op 29 april 2014 te Amsterdam.

  4. Opzetheling subsidiair schuldheling van een fiets in de periode van 6 oktober 2013 tot en met 10 februari 2014 te Amsterdam.

2.3.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde (in vereniging gepleegde) inbraak bij [bedrijf bv 1] , [adres 2] te Amsterdam, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de inbraak is gepleegd door medeverdachte [medeverdachte 1] , maar niet dat sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] .

4.2.1.

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 primair ten laste gelegde, al dan niet in vereniging gepleegde, poging tot inbraak bij [café naam] , [adres 3] te Amsterdam, zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de poging tot inbraak is gepleegd door medeverdachte [medeverdachte 1] , maar niet dat sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] .

4.2.2.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de poging tot inbraak. Zij heeft zich daarbij wat de rol van verdachte betreft voornamelijk gebaseerd op de getuigenverklaring van [getuige] (pagina 49 en 50 van het dossier). Deze getuige heeft verklaard dat hij op 30 juli 2014 omstreeks 06.10 uur twee jongens (van wie later zou blijken dat verdachte daar één van was) zag in een bootje in het water van de [straat 1] , ter hoogte van restaurant [café naam] , en dat het bootje steeds een beetje naar voren en dan weer naar achteren ging en dat hij, toen hem het bootje opviel, vanaf het [café naam] een hard bonkend geluid hoorde. Hij zag vervolgens een jongen die het raam aan de zijkant van restaurant probeerde in te trappen en tevens dat de jongens in het bootje keken naar de jongen die het raam aan het intrappen was. Hij heeft verklaard dat hij toen besefte dat die drie jongens bij elkaar hoorden. Vervolgens heeft hij gezien dat de jongen die het raam had ingetrapt, nadat hij hem (de getuige) had gezien, bij de andere twee jongens in het bootje sprong en dat zij gezamenlijk wegvoeren. De rechtbank zal verdachte het voordeel van de twijfel geven en hem vrijspreken van medeplichtigheid aan de poging tot inbraak. Zij acht niet boven redelijke twijfel verheven dat verdachte op de uitkijk stond zoals hem is ten laste gelegd.

4.2.3.

Ten slotte kan het meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van vernieling van de ruit van [café naam] ook niet worden bewezen omdat er geen bewijs is dat medeverdachte [medeverdachte 1] , die de ruit heeft ingetrapt, dit in bewuste en nauwe samenwerking met verdachte heeft gedaan.

4.3.1.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte (op 30 juli 2014) de boot van [benadeelde partij 1] heeft gestolen zoals hem in zaak A onder 3 primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.3.2.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte niet wist dat de boot was gestolen zodat hij ook zou moeten worden vrijgesproken van heling. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich in de periode van 23 tot en met 30 juli 2014 heeft schuldig gemaakt aan opzetheling. Uit het dossier blijkt dat de desbetreffende boot tussen 23 en 26 juli 2014 is gestolen. Op 27 juli 2014 is verdachte aangehouden op de boot en op 30 juli 2014 is hij weer aangehouden op de boot. De bedrading van de stuurinrichting van de boot hing los en werd met ducttape bij elkaar gehouden en het rompnummer aan de achterzijde en de zijkanten was weggeschuurd. Bovendien startte verdachte volgens medeverdachte [medeverdachte 1] (pagina 67) de boot met een draadje en had hij de sleutel niet. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op die omstandigheden niet anders kan dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bewuste boot wist dat dit een door diefstal verkregen goed betrof. De rechtbank laat hierbij meewegen dat verdachtes verklaring, dat hij de boot al een paar weken in zijn bezit had, gelet op de aangifte van [benadeelde partij 1] , niet juist kan zijn.

4.4.

De rechtbank acht – met de officier van justitie – bewezen dat verdachte de hem onder 4 en 5 ten laste gelegde diefstal van een boot en buitenboordmotor samen met een ander heeft gepleegd. De zaak is aan het rollen gekomen nadat de politie een melding kreeg dat er aan de [straat 2] te Zaandam een boot werd weggenomen en dat twee boten waren weggevaren. [persoon 2] , met wie verdachte is gaan varen, heeft verklaard dat zij in Zaandam een buitenboordmotor op een steiger zagen liggen en dat hij die buitenboordmotor gewoon mee wilde nemen. Het leek alsof de motor vergeten was, aldus [persoon 2] . Ook heeft [persoon 2] verklaard dat hij wist dat het fout was als hij de motor ging meenemen. [persoon 2] is op de steiger gaan staan en verdachte heeft hem geholpen met tillen omdat zo’n motor best wel zwaar is, aldus [persoon 2] in zijn verklaring bij de politie. [persoon 2] heeft verder verklaard dat nadat zij waren weggevaren, zij langs een boot voeren waar een sleutel in zat en dat hij met die boot wilde gaan varen. Verdachte bleef volgens [persoon 2] op zijn boot en [persoon 2] heeft vervolgens de boot gestart en is weggevaren. De politie heeft geverbaliseerd twee boten achter elkaar aan te hebben zien wegvaren, waarvan alleen de voorste boot een witte lamp op de voorkant voerde en waarvan de motor van de achterste boot, naar later bleek, weinig geluid produceerde, gelijkend op het geluid van een zogenaamd fluisterbootje. In de boot waarin verdachte door de politie werd aangetroffen, bevond zich onder meer een anker, een tros touw en een groene jerrycan, welke goederen uit de weggenomen boot afkomstig bleken te zijn. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [persoon 2] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Ten aanzien van de op de steiger aangetroffen buitenboordmotor overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat geen aangifte is gedaan van diefstal van deze motor niet maakt dat geen sprake is van diefstal, zoals door de raadsvrouw is betoogd. De rechtbank overweegt in dit verband dat [persoon 2] , blijkens voornoemde verklaring die hij heeft afgelegd bij de politie, niet de mening was toegedaan dat de motor niet aan een ander toebehoorde. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [persoon 2] heeft te kennen gegeven dat hij niet de intentie had om de boot te stelen, maar dat hij slechts een stukje wilde varen en daarna de boot weer terug wilde brengen en dat dit joyriding (de rechtbank begrijpt joyvaren – artikel 26 van de Scheepvaartverkeerswet) oplevert, maar dat dit niet ten laste wordt gelegd. [persoon 2] heeft inderdaad verklaard dat hij de boot absoluut niet wilde stelen maar alleen een stukje hard wilde varen met de boot. Hij heeft echter ook verklaard de boot dan in de buurt terug te willen leggen. Gebleken is dat verdachte is weggevaren en de boot niet heeft teruggebracht. Ook overigens staat zijn verklaring niet aan een veroordeling voor diefstal in de weg omdat [persoon 2] heeft toegegeven de boot te hebben weggenomen met de bedoeling daarvan een zodanig tijdelijk gebruik te maken, dat dit kan worden beschouwd als wegnemen met het oogmerk van toe-eigening in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

4.5.

In zaak B acht de rechtbank het ten laste gelegde onder 1 (belediging politieagent), 2 (wederspannigheid) en 3 (vernieling) – mede op grond van de bekennende verklaring van verdachte – bewezen.

4.6.1.

De rechtbank acht – met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie – de in zaak B onder 4 primair ten laste gelegde opzetheling van de fiets niet bewezen. Uit het dossier volgt niet dat toen verdachte de fiets kocht en geleverd kreeg, hij wist dat de fiets gestolen was. De omstandigheden waaronder verdachte de fiets heeft gekocht waren ook niet van dien aard dat gezegd kan worden dat verdachte ten tijde van de koop bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de fiets wel eens gestolen zou kunnen zijn.

4.6.2.

Verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan schuldheling. Hij heeft verklaard dat hij de fiets heeft gekocht via Marktplaats. Hij heeft niet bij de verkoper thuis afgesproken, maar bij de [straat 3] in [plaats] . Ter plekke heeft hij nog vijftig euro van de prijs afgedongen en uiteindelijk vijfenzeventig euro voor de fiets betaald. De fiets was niet voorzien van een ringslot. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de fiets, met bouwjaar 2013, is gestolen tussen 6 en 9 oktober 2013, dat de gemiddelde winkelwaarde voor een vergelijkbare fiets € 679,00 bedroeg en dat op het internet een dergelijke fiets tweedehands tussen de € 450,00 en € 500,00 kostte. Duidelijk was dat de fiets oorspronkelijk wel van een slot was voorzien maar dat dit was verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de fiets gestolen was en dat hij derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Verdachte is dus tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat hij met de voor schuldheling aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak A 3 subsidiair, 4 en 5 en in zaak B 1, 2, 3 en 4 subsidiair heeft begaan met dien verstande dat hij

ten aanzien van het in zaak A onder 3 subsidiair ten laste gelegde:

in de periode van 23 juli 2014 tot en met 30 juli 2014 te Amsterdam, een boot, merk Riomar, type 470, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, dat het een door diefstal, verkregen goed betrof;

ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde:

op 17 september 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boot (registratienummer [registratienummer] ) en een buitenboordmotor (merk Yamaha, nummer [nummer] ), toebehorende aan [benadeelde partij 2] ;

ten aanzien van het in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde:

op 17 september 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een buitenboordmotor (merk Yamaha, vermogen 20 pk), toebehorende aan een tot nu toe onbekende persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:

op 11 februari 2015 te Amsterdam een ambtenaar, [ambtenaar] , hoofdagent van Politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hem te zeggen: “Ja jij met je kankeruniform”;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:

op 11 februari 2015 te Amsterdam, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende ambtenaren verdachte als verdachte van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen deze opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door zich trachten los te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde:

op 29 april 2014 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

a. a) een raam van een woning en

b) een beeldje van een stokstaartje,

toebehorende aan respectievelijk

ad) a. [naam] en

ad) b. [persoon 3] ,

heeft vernield;

ten aanzien van het in zaak B onder 4 subsidiair ten laste gelegde:

op enig tijdstip gelegen in de periode van 6 oktober 2013 tot en met 10 februari 2014 te Amsterdam, een fiets heeft verworven en voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van honderdvijftig uren.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

9.2.1.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte het volgende naar voren gebracht. Verdachte huurt een woning in Uithoorn en heeft een Wajong-uitkering. Er is onder meer sprake van ADHD en een verstandelijke beperking. Hij staat onder bewind en ontvangt € 50,00 leefgeld per week. Er is sprake van schulden. Hij krijgt hulp vanuit het Leger des Heils van de gemeente Uithoorn. Er wordt gezocht naar dagbesteding. Verdachte gaat niet meer om met zijn vrienden/kennissen van destijds (medeverdachten in de onderhavige zaken).

9.2.2.

De raadvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van een of meer feiten, rekening te houden met de omstandigheid dat het oude feiten (periode 2014/2015) betreft, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, verdachte nu in een andere levensfase is en zijn recente documentatie gering is en dat verdachte in totaal drie maanden (tweeënnegentig dagen) in voorarrest heeft doorgebracht.

9.2.3.

De raadvrouw heeft ten slotte verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, en voor het overige een voorwaardelijke straf (zonder bijzondere voorwaarden) dan wel een taakstraf.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

9.3.2.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

9.3.3.

Verdachte heeft in 2014 en begin 2015 een reeks verschillende misdrijven gepleegd. In 2014 heeft hij zich schuldig gemaakt aan heling van een fiets en een sloep, aan het medeplegen van diefstal van een boot met buitenboordmotor en van een aparte buitenboordmotor en heeft hij een raam bij zijn ex-vriendin ingegooid. Verdachte heeft geen respect getoond voor de eigendommen van anderen en alleen aan zichzelf gedacht en niet aan de mensen die hij heeft gedupeerd. Op 11 februari 2015 heeft verdachte zich kwetsend en denigrerend uitgelaten tegen een politieagent die zijn werk aan het doen was en zich vervolgens verzet bij zijn aanhouding. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

9.3.4.

De rechtbank laat ten nadele van verdachte meewegen dat hij eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor onder meer schuldheling zoals blijkt uit het stafblad van 18 september 2017. Hieruit blijkt ook dat verdachte recent nog is veroordeeld in een andere zaak zodat de rechtbank rekening zal houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

9.3.5.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport uit medio 2015 dat over verdachte is opgemaakt. In de conclusie van het rapport staat dat verdachte regelmatig in verband met vernieling, diefstal en rijden onder invloed met Justitie in aanraking is gekomen. Hij functioneert op een verstandelijk beperkt niveau (IQ 65) en hij heeft ADHD. Hiermee samenhangend is hij niet goed in staat structuur aan te brengen in zijn leven en is hij ook niet goed in staat de gevolgen van zijn daden te overzien en heeft hij waarschijnlijk weinig last van sancties zoals detentie of voorwaardelijke veroordeling met reclasseringstoezicht. De reclassering heeft geadviseerd verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf en een werkstraf op te leggen. Een werkstraf kan, zonder haar straffend karakter te verliezen, verdachte helpen meer structuur in zijn dag aan te brengen.

9.3.6.

De rechtbank is alles afwegend en net als de officier van justitie van oordeel dat een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van voorarrest waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van honderdvijftig uur passend en geboden is.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1.

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.960,00 aan schadevergoeding wegens (het herstellen van de) schade aan zijn boot. Het gaat om het herstel van de tafel (€ 135,00), rugleuning (€ 150,00), radio (€ 375,00), rompschade (€ 500,00), stuurkolom (€ 500,00), half jaar stalling (€ 17,00), liggeld (€ 146,00) en afschrijving (€ 425,00), zwemtrap (€ 150,00), afdekzijl (€ 350,00) en verlichting (€ 90,00).

10.2.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich niet schuldig gemaakt heeft aan diefstal van de boot en dat de vordering niet eenvoudig van aard is en er geen bewijs van de schade is toegevoegd.

10.3.

Ingevolge artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De strafbaarstelling van heling strekt (mede) ter bescherming van het belang van de rechthebbende op het geheelde goed en de bestolene kan onder omstandigheden als benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van zijn schade door de heler. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden (HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985 - NJ 1998/537).

10.4.

De rechtbank is van oordeel dat de opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van de boot in zodanig nauw verband tot elkaar staan dat de door de verdachte gepleegde opzetheling de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt.

10.5.

De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel groot € 500,00 niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

10.6.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

10.7.

In het belang van [benadeelde partij 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10.8.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu het voegingsformulier geen bedragen bevat.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 180, 266, 267, 311, 350, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3 primair en in zaak B onder 4 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 3 subsidiair, 4 en 5 primair en in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op in zaak A op:

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde: Opzetheling

Ten aanzien van het onder 4 en 5 primair bewezen verklaarde: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het bewezen verklaarde levert op in zaak B respectievelijk op:

  1. Eenvoudige belediging terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

  2. Wederspannigheid.

  3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

  4. Schuldheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht en die niet in mindering is gebracht op de gevangenisstraf, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  1. een paar schoenen (4803008);

  2. een grijze joggingsbroek (4803035);

  3. en zwart poloshirt met Ajax-opdruk (4803037).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , wonende op het adres [adres te plaats] toe tot een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te betalen de som van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en F.P. Lauwaars, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2017.