Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8028

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
13/679025-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, een geldboete van 2500 euro en drie maanden ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/679025-16

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.C. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is als eerste (primair) ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 8 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadhouderskade, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een oogkasbreuk en/of een kneuzing van de kaak en/of een hersenschudding en/of een gebroken pink en/of schaafwonden op de onderbenen, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadhouderskade, komende uit de richting van de Hobbemakade en gaande in de richting van de Ferdinand Bolstraat, verdachte is, gekomen nabij de kruising van de Stadhouderskade met de Ferdinand Bolstraat, in strijd met het bepaalde in artikel 76 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (doorgetrokken streep) en/of (vervolgens) in strijd met het bepaalde in artikel 77 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verdrijvingsvlak), gaan rijden op de rijstrook voor het aan haar, verdachte, tegemoetkomende verkeer, teneinde een, gezien verdachtes (rij)richting aan de linkerzijde van de Stadhouderskade gelegen parkeerplaats op te rijden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen, dat de rijstrook voor het aan haar, verdachte, tegemoetkomende verkeer vrij was van (enig) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een motorrijder, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die eveneens op de Stadhouderskade reed, komende uit de richting van de Ferdinand Bolstraat en gaande in de richting van de Hobbemakade, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken, voor voornoemde [slachtoffer] , voornoemde [slachtoffer] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurder personenauto aangereden en/of aangebotst, waardoor aan [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994).

2.2.

Subsidiair, dat wil zeggen als het eerste niet kan worden bewezen, is aan verdachte ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 8 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadhouderskade, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Stadhouderskade, komende uit de richting van de Hobbemakade en gaande in de richting van de Ferdinand Bolstraat, verdachte is, gekomen nabij de kruising van de Stadhouderskade met de Ferdinand Bolstraat, in strijd met het bepaalde in artikel 76 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (doorgetrokken streep) en/of (vervolgens) in strijd met het bepaalde in artikel 77 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verdrijvingsvlak), gaan rijden op de rijstrook voor het aan haar, verdachte, tegemoetkomende verkeer, teneinde een, gezien verdachtes (rij)richting aan de linkerzijde van de Stadhouderskade gelegen parkeerplaats op te rijden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen, dat de rijstrook voor het aan haar, verdachte, tegemoetkomende verkeer vrij was van (enig) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een motorrijder, zijnde [slachtoffer] , die eveneens op de Stadhouderskade reed, komende uit de richting van de Ferdinand Bolstraat en gaande in de richting van de Hobbemakade, geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken, voor voornoemde [slachtoffer] , voornoemde [slachtoffer] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurder personenauto aangereden en/of aangebotst (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994).

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

In de ochtend van 8 april 2016 reed verdachte over de Stadhouderskade te Amsterdam richting de Ferdinand Bolstraat. Bij het naderen van de kruising van beide straten is verdachte over de doorgetrokken streep, die de baan waarop verdachte reed, scheidt van de baan voor het tegemoetkomend verkeer, heengereden. Vervolgens is zij over het verdrijvingsvlak voor het tegemoetkomende verkeer heengereden en naar links afgeslagen omdat zij in de daar gelegen parkeerhaven een lege parkeerplaats had gezien en daar wilde gaan parkeren. Verdachte is de parkeerhaven echter niet ingereden omdat zij de bocht niet kon maken. Toen zij (min of meer) stilstond op de baan voor het tegemoetkomend verkeer is [slachtoffer] die over deze baan op zijn motor kwam aanrijden tegen de auto van verdachte aangereden met alle gevolgen van dien.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en betoogd dat het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en kort samengevat het volgende aangevoerd. Verdachte erkent dat zij over het hoofd heeft gezien dat zij over een doorgetrokken streep reed en dat zij daarbij over het verdrijvingsvlak heeft gereden. De vaststelling van deze enkele verkeersovertredingen staat niet ter discussie. Zij betwist wel dat zij zich niet heeft vergewist van het tegemoetkomende verkeer en dat er een situatie is geweest waarbij er voorrang verleend had behoren te worden en er afgeremd en/of uitgeweken moest, dan wel, kon worden. Verdachte sloeg ter hoogte van de inrit van de parkeerplaats af naar links. Zij kon daarbij zonder problemen de rijbaan oversteken omdat zij zag dat er geen verkeer uit tegenovergestelde richting kwam. Op het moment van deze manoeuvre zag zij dat het verkeer uit tegenovergestelde richting stilstond voor de verkeerslichten van de kruising met de Ferdinand Bolstraat. Toen zij de inrit in wilde rijden, zag zij dat dit, in haar woorden, ‘niet echt handig zou gaan’. Zij zag dat ze nooit in één keer de parkeerplaats in kon rijden en dat zij gedeeltelijk over het trottoir zou moeten rijden om de bocht te kunnen maken. Toen zij voor de inrit reed of stilstond, hoorde en voelde zij een knal. De handelingen van verdachte kunnen dan ook in tweeën gedeeld worden. Verdachte maakte eerst de keuze om linksaf te slaan, waarbij zij zich ervan vergewiste of er verkeer aankwam. Toen zij vervolgens naar links was gegaan en de inrit wilde oprijden, merkte zij dat zij de bocht niet kon maken en kwam zij min of meer stil te staan op de rijbaan voor het tegemoet komende verkeer. Voor het aannemen van de benodigde culpa is het noodzakelijk dat sprake is van causaliteit tussen de gedraging en het ongeval. Gelet op de feitelijke reconstructie kan die causaliteit niet worden aangenomen. De verkeersfouten die verdachte heeft gemaakt – het overschrijden van de doorgetrokkenstreep en het rijden over het verdrijvingsvlak – hadden vóór de nieuw ontstane situatie plaatsgevonden. Door deze handelingen is hoogstens gevaar en/of hinder ontstaan, maar dat ziet op het subsidiair aan verdachte gemaakte verwijt. Als gevolg van deze verkeersfout is een situatie ontstaan waarbij verdachte ‘vast kwam te staan’. Verdachte moest een draai maken die niet direct mogelijk was waardoor zij voor enige tijd voor oponthoud zou kunnen zorgen. Dit is een wezenlijk andere situatie dan waarin iemand plotseling het stuur omgooit en andere weggebruikers niet kunnen anticiperen. Gelet op de afstand vanaf het kruispunt tot haar auto, de inschatting van [getuige] die de situatie het beste kon zien en dacht ‘dat het wel goed zou gaan’, alsmede het ontbreken van de bandensporen, is geen sprake van een causaal verband tussen het handelen van verdachte en het ongeval.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Schuld

3.4.1.1. Het verweer van de raadsman slaagt niet. De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat in het verkeer elke dag fouten worden gemaakt en dat, als het een keer mis gaat, niet per definitie sprake is van aanmerkelijk onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 of ‘gevaar’ veroorzaken in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De enkele momentane onoplettendheid levert bijvoorbeeld geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op. Bij de vraag of kan worden bewezen dat van dergelijke schuld sprake is, gaat het erom dat minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid.

3.4.1.2. Verdachte reed tijdens de ochtendspits op de Stadhouderskade in Amsterdam. Nadat zij aan de overkant in de parkeerhaven die parallel ligt aan de Stadhouderskade een parkeerplaats zag, wilde zij daar – in nagenoeg tegengestelde richting – inrijden om te gaan parkeren. Zij is toen eerst over de doorgetrokken streep gereden, vervolgens nabij de kruising met de Ferdinand Bolstraat over het verdrijvingsvlak voor het tegemoetkomende verkeer gereden en heeft ten slotte naar links gestuurd om de parkeerhaven daar in te rijden, waarna bleek dat zij de bocht niet kon maken. Verdachte kan worden verweten dat zij een bijzondere manoeuvre heeft gemaakt op een plek waar dat verboden is. Zij wilde immers een inrit voor het tegemoetkomende verkeer oprijden en moest daarvoor in strijd met de regels linksaf slaan. Zij heeft deze manoeuvre ingezet zonder zich er goed van te vergewissen dat zij die in één vloeiende beweging kon maken en zonder zich te realiseren dat als dat niet zou kunnen, zij stil zou komen te staan op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer, derhalve op een plek waar anderen dat niet verwachten, terwijl er op dat moment sprake was van druk verkeer. De reeks van (verkeers)fouten van verdachte heeft er toe geleid dat zij (nagenoeg) kwam stil te staan in een positie waar zij niet eenvoudig en snel voor- of achteruit kon rijden. Dit heeft uiteindelijk tot de botsing tussen [slachtoffer] en verdachte geleid. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, bij verdachte sprake was van aanmerkelijke en verwijtbare onvoorzichtigheid en onoplettendheid.

3.4.2.

Letsel [slachtoffer] .

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat [slachtoffer] als gevolg van het verkeersongeval het letsel heeft opgelopen dat in de tenlastelegging staat vermeld, te weten een oogkasbreuk, kneuzing van de kaak, hersenschudding, gebroken pink en schaafwonden op de onderbenen. De aard van het ten laste gelegde letsel was echter niet van dien aard dat medisch (operatief) ingrijpen noodzakelijk was en de breuken waren binnen afzienbare tijd weer volledig hersteld. Het letsel wordt naar gewoon spraakgebruik ook niet zomaar als zwaar lichamelijk letsel aangeduid. Dit brengt mee dat niet kan worden bewezen dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Wel kan worden bewezen dat [slachtoffer] door het letsel tijdelijk verhinderd was in de uitoefening van zijn normale bezigheden.

3.4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen met dien verstande dat verdachte op 8 april 2016 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadhouderskade, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over de Stadhouderskade, komende uit de richting van de Hobbemakade en gaande in de richting van de Ferdinand Bolstraat, verdachte is, gekomen nabij de kruising van de Stadhouderskade met de Ferdinand Bolstraat, in strijd met het bepaalde in artikel 76 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (doorgetrokkenstreep) en (vervolgens) in strijd met het bepaalde in artikel 77 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verdrijvingsvlak), gaan rijden op de rijstrook voor het aan haar, verdachte, tegemoetkomende verkeer, teneinde een, gezien verdachtes (rij)richting aan de linkerzijde van de Stadhouderskade gelegen parkeerplaats op te rijden, verdachte heeft zich hierbij niet voldoende vergewist en is zich niet voldoende blijven vergewissen, dat de rijstrook voor het aan haar, verdachte, tegemoetkomende verkeer vrij was van (enig) verkeer, verdachte heeft (vervolgens) een motorrijder, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die eveneens op de Stadhouderskade reed, komende uit de richting van de Ferdinand Bolstraat en gaande in de richting van de Hobbemakade, geen voorrang verleend, voornoemde [slachtoffer] is vervolgens tegen de door verdachte bestuurder personenauto aangereden waardoor aan [slachtoffer] zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van dertig dagen en dat haar daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

8.2.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.3.

Verdachte heeft door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen in het verkeer een ongeluk veroorzaakt waarvan [slachtoffer] het slachtoffer is geworden. [slachtoffer] heeft niet alleen direct na het ongeluk pijn en hinder ondervonden van het letsel dat hij heeft opgelopen, waardoor hij onder meer gedurende vier maanden niet heeft kunnen werken, maar hij heeft daar ook lange tijd nadien nog [slachtoffer] van gehad.

8.4.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen dat zij eerlijk en zichtbaar schuldbewust haar fout heeft toegegeven en dat zij contact heeft opgenomen en onderhouden met [slachtoffer] .

8.5.

De rechtbank heeft gekeken naar wat in soortgelijke zaken aan straffen wordt opgelegd en wat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoudelijk Strafrecht als uitgangspunt nemen in een geval als het onderhavige, te weten een geldboete van € 1.000,00 en een onvoorwaardelijke rijontzegging van drie maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze oriëntatiepunten in deze zaak tot uitgangspunt moeten worden genomen, zij het dat de geldboete, gelet op het bovenmodale inkomen van verdachte, hoger dient te worden gesteld. Verdachte mag ter bevestiging van de norm ook drie maanden lang geen gebruik maken van haar rijbewijs.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 35 (vijfendertig) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en F.P. Lauwaars, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2017.