Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8027

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
13/679014-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Drie maanden gevangenisstraf. Achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/679014-16

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Sri Lanka) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres Mazurka 2, 1507 TL te Zaandam.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.C. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.G.C. Bocxe, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 29 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Da Costakade en/of de kruising van de Da Costakade met de De Clercqstraat, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een open onderbeenbreuk van het scheenbeen en een breuk van het kuitbeen, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Da Costakade, komende uit de richting van de

Potgieterstraat en gaande in de richting van de De Clercqstraat,

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en/of

- terwijl het donker was,

verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, achteruit gaan rijden, vanaf de uitritconstructie van de Da Costakade het (brom)fietspad van de De Clercqstraat (verder) op, verdachte heeft zich bij het verrichten van deze bijzondere manoeuvre niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een bromfiets (snorfiets), bestuurd door voornoemde [slachtoffer] , het (brom)fietspad van de De Clercqstraat bereed, komende uit de richting van de Admiraal de Ruijterweg en gaande in de richting van de Rozengracht, verdachte heeft voornoemde bromfiets (snorfiets) geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor deze bromfiets (snorfiets), verdachte is vervolgens tegen deze bromfiets (snorfiets) aangereden en/of aangebotst waardoor aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 530 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, bleek te zijn (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994).

2.2.

Subsidiair is onder 1 aan verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 29 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Da Costakade en/of de kruising van de Da Costakade met de De Clerqstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Da Costakade, komende uit de richting van de Potgieterstraat en gaande in de richting van de De Clercqstraat,

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en/of

- terwijl het donker was,

verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, achteruit gaan rijden, vanaf de uitritconstructie van de Da Costakade het (brom)fietspad van de De Clercqstraat (verder) op, verdachte heeft zich bij het verrichten van deze bijzondere manoeuvre niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een bromfiets (snorfiets), bestuurd door voornoemde [slachtoffer] , het (brom)fietspad van de De Clercqstraat bereed, komende uit de richting van de Admiraal de Ruijterweg en gaande in de richting van de Rozengracht, verdachte heeft voornoemde bromfiets (snorfiets) geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor deze bromfiets (snorfiets), verdachte is vervolgens tegen van [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994).

2.3.

Onder 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 29 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, geconstateerde hoeveelheid microgram (te weten 530 microgram), in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeade[mde] lucht bleek te zijn (artikel 8 Wegenverkeerswet 1994).

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

3.2.1.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en kort samengevat het volgende aangevoerd. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of verdachte achteruit reed of stilstond toen het ongeluk gebeurde. Er zijn met andere woorden twee scenario’s mogelijk. Het scenario van verdachte, die heeft verklaard dat hij stilstond en dat hij vooruit wilde rijden, en het scenario van [slachtoffer] , de snorfietser, die heeft verklaard dat verdachte (nog een keer) achteruit reed. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door zijn bijrijder. De verklaring van [slachtoffer] staat op zichzelf. Uit de verkeersongevallenanalyse kan niet met zekerheid worden afgeleid wat er is gebeurd, omdat de voertuigen zijn verplaatst. De slotsom moet zijn dat niet boven redelijke twijfel is komen vast te staan hoe het verkeersongeluk is ontstaan en dat verdachte achteruit reed, zoals hem is ten laste gelegd.

3.2.2.

Het onder 2 ten laste gelegde rijden onder invloed kan wel worden bewezen. Verdachte dacht dat hij al weer kon gaan rijden, maar heeft een verkeerde inschatting gemaakt, aldus de raadsvrouw.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat verdachte kort voor de aanrijding van [slachtoffer] tegen zijn auto, achteruit is gereden. Zij baseert haar oordeel in het bijzonder op de verklaring van [slachtoffer] en op het proces-verbaal van de verkeersongevallenanalyse (VOA) van de politie. In de VOA wordt geconcludeerd dat, gelet op de aangetroffen schade en de schadepassing, de snorfiets tegen de rechter achterzijde van de auto van verdachte is gereden en dat de snorfiets vervolgens door de achteruitrijdende beweging van de auto ten val is gekomen. Hierbij bleef de snorfiets waarschijnlijk in contact met de auto om vervolgens verplaatst te worden in lijn van het aangetroffen krasspoor op de weg. Deze conclusie wordt ondersteund door het nabij het einde van het desbetreffende krasspoor aangetroffen deel van een rode reflector die afkomstig bleek te zijn van de rechterachterzijde van de auto van verdachte. De rechtbank acht de verklaring van verdachte voor genoemd krasspoor, te weten dat hij pas na het ongeluk achteruit is gereden teneinde zijn auto elders te kunnen neerzetten om de hulpdiensten ruim baan te geven, niet aannemelijk. Verdachte wist op dat moment immers al dat de snorfiets [slachtoffer] achter zijn auto lag. Hij was naar eigen zeggen namelijk na de klap meteen uitgestapt om te kijken wat er was gebeurd.

3.3.2.

De conclusie is dat verdachte met zijn auto een bijzondere manoeuvre heeft verricht (achteruitrijden) op een fietspad en daarbij geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] die op dat moment achter hem langs reed. Verdachte was ten tijde van voornoemde manoeuvre onder invloed van alcohol. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitslag van de door de politie bij verdachte ongeveer vijf kwartier na het ongeval uitgevoerde ademanalyse, te weten 530 μg/l. Voorts blijkt uit het proces-verbaal technisch onderzoek van de politie dat de verlichting aan de voorzijde van de snorfiets zeer waarschijnlijk heeft gebrand, omdat de politie heeft geconstateerd dat de gloeidraad van de koplamp kennelijk warm verbogen was. Dit komt overeen met de verklaring van [slachtoffer] dat ten tijde van de aanrijding de voor- en achterverlichting van de snorfiets brandde. [slachtoffer] heeft verder bij de politie verklaard dat hij aanvankelijk snelheid minderde toen hij de auto achteruit zag rijden, maar dat hij bij het zien van de remlichten in de veronderstelling verkeerde dat hij was gezien door de bestuurder daarvan en dus besloot om zijn weg over het fietspad verder te vervolgen. [slachtoffer] was dus in de nabijheid van de auto kort voor het ongeval. De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat [slachtoffer] zichtbaar moet kunnen zijn geweest voor verdachte en dat verdachte dus, terwijl hij het fietspad achteruit op reed, niet heeft gekeken of er over het fietspad verkeer aan kwam. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat bij verdachte sprake was van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

4 Bewezenverklaring

4.1.

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen met dien verstande dat verdachte

1. op 29 november 2015 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Da Costakade en/of de kruising van de Da Costakade met de De Clercqstraat, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een open onderbeenbreuk van het scheenbeen en een breuk van het kuitbeen, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Da Costakade, komende uit de richting van de

Potgieterstraat en gaande in de richting van de De Clercqstraat,

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en

- terwijl het donker was,

verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, achteruit gaan rijden, vanaf de uitritconstructie van de Da Costakade het (brom)fietspad van de De Clercqstraat (verder) op,

verdachte heeft zich bij het verrichten van deze bijzondere manoeuvre niet, ervan vergewist dat een snorfiets, bestuurd door voornoemde [slachtoffer] , het (brom)fietspad van de De Clercqstraat bereed, komende uit de richting van de Admiraal de Ruijterweg en gaande in de richting van de Rozengracht,

verdachte heeft voornoemde snorfiets geen voorrang verleend, en heeft niet tijdig afgeremd voor deze snorfiets,

verdachte is vervolgens tegen deze snorfiets aangereden waardoor aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht,

terwijl bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 530 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, bleek te zijn;

2. op 29 november 2015 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, geconstateerde hoeveelheid microgram, te weten 530 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

4.2.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van honderdzestig uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van tachtig dagen en dat hem daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van vierentwintig maanden wordt opgelegd en dat verdachte voor het rijden onder invloed een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

8.2.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft met betrekking tot de gevorderde (voorwaardelijke) ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgemerkt dat verdachte door tussenkomst van het CBR zijn rijbewijs al een jaar is kwijt geweest en dat na onderzoek is gebleken dat hij wel weer geschikt is om auto te rijden.

8.3.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.4.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.5.

Verdachte heeft op 29 november 2015 met drank op achter het stuur plaatsgenomen en is vervolgens gaan deelnemen aan het verkeer. Hij heeft een verkeersongeluk veroorzaakt met grote gevolgen voor het slachtoffer [slachtoffer] . Laatstgenoemde heeft ten gevolge van het onderzoek veel pijn en hinder ondervonden en ondervindt nog steeds hinder daarvan. Hij moest worden geopereerd waarbij een pen in zijn been is gezet.

8.6.

Uit het strafblad (uittreksel uit de Justitiële Documentatie) van 18 september 2017 van verdachte blijkt dat verdachte op 9 juli 2014 (onherroepelijk) is veroordeeld voor rijden onder invloed tot een geldboete van € 650,00 en het op diezelfde dag rijden tijdens een rijverbod tot een taakstraf van twintig uren. Dit wordt ten nadele van verdachte meegewogen.

8.6.

De rechtbank is, gelet op de omstandigheid dat verdachte voor de tweede keer dronken is gaan rijden en ditmaal mede daardoor een verkeersongeluk heeft veroorzaakt, van oordeel dat een taakstraf onvoldoende recht doet. Bovendien verhindert artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht het andermaal opleggen van een taakstraf voor een soortgelijk misdrijf. Gelet op hardleersheid van verdachte en het ernstige letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen, is zij van oordeel dat alleen een gevangenisstraf passend en geboden is.

8.7.

Ten slotte zal verdachte ook achttien maanden zijn bevoegdheid motorrijtuigen te besturen worden ontzegd. De rechtbank zal bepalen dat zes maanden hiervan niet ten uitvoer gelegd zullen worden tenzij verdachte opnieuw in de fout gaat. De proeftijd bedraagt drie jaar.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.1 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede, lid van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden van deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en F.P. Lauwaars, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2017.