Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8017

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
17/2934
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Scholingsvoucher op grond van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep geweigerd in verband met het bereiken van het subsidieplafond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2017 in de zaak tussen

[naam] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. N. Rastegar),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: P.J. Langius).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2017 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een scholingsvoucher afgewezen.

Bij besluit van 13 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Op 21 februari 2017 heeft eiser bij het Uwv een aanvraag voor een scholingsvoucher op grond van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep (de Regeling) ingediend. Eiser heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij de opleiding ‘Schuldhulpverlening’ bij In Holland Academy wil volgen. De duur van de opleiding is van 16 maart 2017 tot en met 6 juli 2017.

1.2.

Het Uwv heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat op het moment van de aanvraag het beschikbare budget voor de scholingsvoucher al was opgebruikt. Uit artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het Uwv verplicht is de aanvraag af te wijzen als het subsidieplafond is bereikt.

2. Het budget voor de scholingsvoucher is op 10 februari 2017 opgeraakt. Omdat de subsidieaanvragen zijn behandeld op volgorde van binnenkomst, betekent dit dat alle aanvragen die na 10 februari 2017 zijn ingediend of compleet zijn gemaakt, moeten worden afgewezen.

3. Eiser voert samengevat aan dat hij is gestart met zijn opleiding en hij niet in staat is het lesgeld te betalen. Eiser stelt dat hij aan de voorwaarden voldoet en ruim op tijd was met het indienen van zijn aanvraag. Eiser heeft verder aangevoerd dat een medewerker van het Uwv hem één dag voor het doen van de aanvraag telefonisch heeft toegezegd

dat er nog voldoende geld was. Hij doet daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep

4. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 11 van de Regeling is er een subsidieplafond. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb wordt een subsidie geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Niet in geschil is dat eiser zijn aanvraag op 21 februari 2017 heeft ingediend, dus nadat het subsidieplafond was bereikt. Het subsidieplafond is vermeld in de Regeling en is daarmee op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt.

5. Gelet op de wet- en regelgeving is er voor het Uwv geen mogelijkheid om van het subsidieplafond af te wijken en in strijd met de bepalingen uit de Awb eiser alsnog een scholingsvoucher toe te kennen. Het vertrouwensbeginsel kan eiser niet baten omdat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat sprake moet zijn van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van het Uwv. In dit geval blijkt uit het dossier niet van een dergelijke toezegging. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat het Uwv in de ontvangstbevestiging van 7 maart 2017 heeft vermeld dat het budget bijna op was en eiser mogelijk niet meer in aanmerking zou komen voor een scholingsvoucher.

De ter zitting opgeworpen stelling dat er nog een andere subsidiepot is waar eisers scholingsvoucher vanuit kan worden betaald, kan eiser niet baten omdat het beschikbare budget voor de Regeling leidend is voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een scholingsvoucher. Eiser voldoet niet aan voorwaarden voor de andere subsidie. Ook het beroep op artikel 4:84 van de Awb slaagt niet, omdat dit enkel van toepassing is op beleidsregels en dus niet op de Regeling.

6. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser dus terecht afgewezen en eiser kan geen aanspraak maken op een scholingsvoucher. De rechtbank wil het Uwv er desondanks op wijzen dat de Regeling is bedoeld voor een (financieel) kwetsbare groep personen die al geruime tijd niet aan het werk is. Dat brengt met zich mee dat de uiterste zorgvuldigheid in acht dient te worden genomen waar het betreft de voorlichting en communicatie over (voorwaarden van) de scholingsvoucher. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat personen met geringe financiële middelen een overeenkomst met een scholingsinstelling zijn aangegaan in de veronderstelling dat zij – als zij aan de voorwaarden voldoen – recht hebben op een subsidie in de vorm van een scholingsvoucher, terwijl zij achteraf geconfronteerd worden met een (extra) financiële schuld bij een scholingsinstelling die zij zonder de scholingsvoucher niet waren aangegaan. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit artikel 5 van de Regeling volgt dat al bij de aanvraag bewijs dient te worden overgelegd waaruit blijkt dat de opleidings- of inschrijvingskosten zijn betaald, dan wel een bewijs waaruit blijkt dat deze kosten zijn verschuldigd. De Regeling brengt daarom het risico met zich mee dat (financieel) kwetsbare personen – ondanks de (niet ter discussie staande) beste bedoelingen van de wetgever bij het vaststellen van de Regeling – in ernstigere financiële problemen raken wanneer achteraf pas blijkt dat het subsidieplafond is bereikt. Hoewel dit eiser in deze zaak niet kan baten, is het aan het Uwv om dit ongewenste effect bij dergelijke subsidieregelingen in de toekomst zo mogelijk te voorkomen.

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen scholingsvoucher krijgt. Voor een vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.R. Vastenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.