Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:8010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
13/665148-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 33-jarige man krijgt een jaar gevangenisstraf (waarvan 6 maanden voorwaardelijk) en 240 uur taakstraf voor afpersing via een datingsite.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665148-17 (Promis)

Datum uitspraak: 2 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het “ [Justiteel Complex] ” te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Rijser naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 22 maart tot en met 24 maart 2017;

2. primair zware mishandeling, subsidiair mishandeling van [slachtoffer 1] op 22 maart 2017;

3. bedreiging van [slachtoffer 1] op 22 maart 2017;

4. poging afdreiging van [slachtoffer 2] in de periode van 9 april tot en met 26 april 2017;

5. primair afpersing, subsidiair dwang van [slachtoffer 3] in de periode van 3 mei tot en met 25 mei 2017;

6. bedreiging van [slachtoffer 3] in de periode van 11 mei tot en met 25 mei 2017; ;

7. afpersing, subsidiair dwang van [slachtoffer 4] op 16 februari 2017;

8. diefstal van [slachtoffer 4] in de periode van 16 maart 2017 tot en met 20 maart 2017;

9. afpersing van [slachtoffer 5] op 7 januari 2017;

10. bedreiging van [slachtoffer 5] in de periode van 7 januari 2017 tot en met 3 mei 2017.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van feit 4 wegens het ontbreken van een klacht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangifte van [slachtoffer 2] zo gelezen moet worden dat hij om vervolging verzoekt, ondanks het ontbreken van een klacht. Dit dient te worden afgeleid uit het feit dat in de aangifte niet is opgenomen dat [slachtoffer 2] geen prijs stelt op vervolging.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde en overweegt daartoe het volgende. Het delict zoals ten laste is gelegd, te weten afdreiging, is een klachtdelict. Dat wil zeggen dat het Openbaar Ministerie alleen op grond van een ingediende klacht door het slachtoffer verdachte kan vervolgen. De strekking van het klachtvereiste is het vermijden van mogelijk ongewenste ruchtbaarheid die door het slachtoffer als pijnlijk wordt ervaren. Het dossier bevat echter geen klacht van aangever dat hij vervolging voor dit feit wenst. Ook zijn aangifte kan niet als zodanig worden uitgelegd, nu daaruit niet positief blijkt dat aangever de bedoeling had dat tegen verdachte een strafvervolging zou worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de aangifte vooral naar voren dat aangever hulp en steun bij de politie heeft gezocht en ook heeft gevonden. De ‘a-contrario’redenering van de officier van justitie volgt de rechtbank niet.

3.2

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is – met uitzondering van feit 4 - ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 subsidiair, 8, 9 en 10. De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 5 primair en feit 7 primair. Zij heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.

De feiten 1, 2 en 3

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte aangever [slachtoffer 1] heeft afgeperst, mishandeld en bedreigd.Verdachte heeft dit bekend. Uit de aangifte en de letselverklaring blijkt dat het letsel dat aangever heeft opgelopen kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, zodat ten aanzien van feit 2 sprake is van een zware mishandeling.

De feiten 5 en 6

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte aangever [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot afgifte van geldbedragen. Het gaat om de intimiderende toon die verdachte heeft gebruikt. Op basis van het dossier kan verdachte worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde dwang. Verdachte heeft bekend dat hij aangever [slachtoffer 3] heeft bedreigd, zodat ook dit feit kan worden bewezen.

De feiten 7 en 8

Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt duidelijk dat hij zich onder de omstandigheden niet prettig voelde. De andere dossiers dragen voldoende bij voor een bewezenverklaring van dit feit. Verdachte kan worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde dwang. Daarnaast heeft verdachte de schoenen van aangever [slachtoffer 4] gestolen. Verdachte heeft zich gedragen als de eigenaar van de schoenen.

De feiten 9 en 10

De officier van justitie acht de afpersing en bedreiging van aangever [slachtoffer 5] bewezen. Verdachte heeft de feiten bekend en daarnaast bevat het dossier een aangifte.

Medeplegen

Uit het dossier blijken geen aanwijzingen voor medeplegen. De officier van justitie heeft daarom verzocht verdachte ten aanzien van alle feiten hiervan vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor het onder 5, 7 en 8 ten laste gelegde en dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen voor het onder 1, 2, 3, 6, 9 en 10 ten laste gelegde. Zij heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.

Feit 5

De betalingen die door aangever [slachtoffer 3] zijn gedaan waren geheel vrijwillig. Uit niets blijkt dat verdachte aangever [slachtoffer 3] door geweld of dreiging van geweld heeft gedwongen om het geld aan hem te betalen. Verdachte dient dan ook van feit 5 te worden vrijgesproken.

De feiten 7 en 8

Verdachte heeft de verklaring van [slachtoffer 4] in zijn aangifte betwist. Er kan bovendien geen ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer 4] worden gevonden in ander bewijs. Verdachte heeft de schoenen met toestemming van [slachtoffer 4] geleend. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de afpersing en de diefstal.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 5, 7 en 8 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden wat onder 5, 7 en 8 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt als volgt.

Feit 5

Onder feit 5 is primair aan verdachte tenlastegelegd dat hij [slachtoffer 3] door geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere geldbedragen ter hoogte van in totaal € 4.890,- en een fles poppers.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank feit 5 primair niet wettig en overtuigend bewezen.

Onder feit 5 is subsidiair aan verdachte tenlastegelegd dat verdachte [slachtoffer 3] door geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere geldbedragen ter hoogte van in totaal € 4.890,- en een fles poppers. Het geweld of de andere feitelijkheden bestaan volgens de tenlastelegging uit:

  • -

    Het op dwingende/intimiderende toon om geld vragen (via WhatsApp) om drugs en drie weegschalen te kopen en

  • -

    daarbij teksten te sturen als “Ik ben van de straat”, “Groetjes aan je vriend en je moeder zien we binnenkort” en door boze smileys te zenden.

Om een handeling als feitelijkheid in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te kunnen aan te merken, moet deze handeling van zodanige aard zijn dat zij in de gegeven omstandigheid tot een dermate grote psychische druk bij het slachtoffer heeft geleid dat deze daaraan geen weerstand heeft kunnen bieden.

Uit de bij de aangifte gevoegde WhatsAppberichten volgt dat verdachte aangever onder het mom van een leugen – namelijk om drugs en weegschalen te kopen - heeft gevraagd om de geldbedragen over te maken of af te geven. Uit die berichten volgt echter onvoldoende dat sprake is geweest van dwang. Aangever stuurt immers aan verdachte de boodschap terug dat hij hem graag helpt. Ook vindt de rechtbank steun voor het oordeel dat geen sprake is geweest van dwang in de andere WhatsAppberichten die aangever aan verdachte heeft teruggezonden. Deze zijn allemaal positief van aard. Verdachte heeft pas bedreigende berichten aan aangever gestuurd nadat aangever op 10 mei 2017 zijn laatste betaling aan verdachte heeft gedaan en daarbij heeft aangegeven dat hij vanaf dat moment niets meer zou gaan betalen. Het bericht “Groetjes aan je vriend en je moeder zien we binnenkort” is pas op dat moment door verdachte aan aangever gestuurd. Verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde dwang.

De feiten 7 en 8

Onder feit 7 is primair aan verdachte tenlastegelegd dat hij [slachtoffer 4] door geweld -het vastpakken bij de arm- heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank feit 7 primair niet wettig en overtuigend bewezen.

Onder feit 7 is subsidiair aan verdachte tenlastegelegd dat hij [slachtoffer 4] door geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het pinnen van een geldbedrag. Het geweld of de andere feitelijkheid zou bestaan uit het vastpakken van de arm van [slachtoffer 4] , hem tegenhouden en tegen hem zeggen dat hij het geld moest afgeven. Verdachte heeft deze gang van zaken echter ten stelligste ontkent en heeft verklaard dat hij en [slachtoffer 4] samen geld zouden opnemen bij een geldautomaat om drugs van te kopen en dat [slachtoffer 4] weg liep omdat hij het misschien spannend vond om de dealer te ontmoeten waarmee verdachte had afgesproken om de drugs van te kopen. Volgens verdachte heeft [slachtoffer 4] het geld vrijwillig aan hem gegeven. De rechtbank acht deze gang van zaken in het licht van hetgeen [slachtoffer 4] overigens heeft verklaard niet onaannemelijk en vindt voor het tenlastegelegde verder geen steun in het dossier, ook niet – zoals de officier van justitie heeft betoogd - in de zaaksdossiers ten aanzien van de andere feiten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook de andere aangevers hebben verklaard althans aanvankelijk vrijwillig geld aan verdachte te hebben gegeven. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs bestaat voor dwang zodat de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van de onder feit 8 tenlastegelegde diefstal van de schoenen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze schoenen nadat zij samen de nacht hadden doorgebracht met toestemming van [slachtoffer 4] heeft geleend, omdat hij van zijn eigen schoenen blaren had gekregen. De rechtbank acht deze verklaring niet onaannemelijk, te meer nu verdachte zijn eigen schoenen bij [slachtoffer 4] heeft achtergelaten. Voorts komt uit de whats-appgesprekken naar voren dat verdachte de schoenen wilde teruggeven.

4.3.2

Bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 6, 9 en 10 ten laste gelegde

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 primair, 3, 6, 9 en 10 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank zal verdachte echter vrijspreken van het medeplegen, nu uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt van een wezenlijke bijdrage van een ander dan verdachte.

4.3.3

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt op grond van de volgende bewijsmiddelen, die ieder worden gebruikt ten aanzien van de verschillende feiten waar deze betrekking op hebben, tot het oordeel dat bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2 primair, 3, 6, 9 en 10 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 primair, 3, 6, 9 en 10 is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop zal de rechtbank ten aanzien van die feiten volstaan met een opgave van die bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 6, feit 9 en feit 10:

1. De bekennende verklaring van verdachte zoals ter terechtzitting van 19 oktober 2017 door hem is afgelegd.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair, feit 3:

2. Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017062961-1 met bijlagen van 25 maart 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] , (doorgenummerde pagina’s 3000-3006), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van feit 2 primair:

3. Een geschrift, te weten “Letselverklaring” van dr. [naam 1] chirurg van 24 maart 2017, (ongenummerd).

4. Een geschrift, te weten “Letselverklaring” van drs. [naam 2] MKA chirurg van 25 september 2017, (ongenummerd).

Ten aanzien van feit 6:

5. Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017118728-1 van 7 juni 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 2] , (doorgenummerde pagina’s 3075-3078), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

Ten aanzien van feit 9 en feit 10:

6. Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017087316-1 van 10 juni 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] , (doorgenummerde pagina’s 3189-3194), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 22 maart 2017 tot en met 24 maart 2017 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (totaal 100 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 1] tegen de kaak heeft gestompt en voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil mijn geld anders heb jij een probleem" en "Geef mij, mijn geld nu, je kan kiezen, of je krijgt grotere problemen" en "heb een bekeuring gehad van de politie, ik kom terug met vrienden als je deze niet betaald, 120 euro" en "jij heb een mthrfckng probleem als ik met mijn vrienden en de taxi chauffeur kom. De bekeuring is x2 omdat hij een buschauffeur is en de wet zegt dat zo iemand die een bekeuring krijgt, de bekeuring x2 is", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

2. primair

op 22 maart 2017 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak op twee plaatsen) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet met een vuist tegen de kaak te stompen.

3.

omstreeks 22 maart 2017 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Ik wil mijn geld anders heb jij een probleem" en voornoemde

[slachtoffer 1] in een WhatsAppbericht dreigend de woorden toegevoegd: dan ga je het ziekenhuis voor de tweede keer bezoeken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

6.

in de periode van 12 mei 2017 tot en met 25 mei 2017 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 3] dreigend tijdens een telefoongesprek gezegd dat hij, verdachte, hem, [slachtoffer 3] , met een mes in de nek zou steken en in WhatsAppberichten dreigend de woorden toegevoegd: "Denk je dat we klaar zijn. Geduld is schone zaak en onverwachts is het beste. Je had geen idee ervan dat ik achter je liep hahahaha. Kijk en huiver".

9.

op 7 januari 2017 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van 200 euro) toebehorende aan [slachtoffer 5] , welk geweld hierin bestond dat hij verdachte voornoemde [slachtoffer 5] bij de keel heeft gepakt en in de keel heeft geknepen en daarbij heeft gezegd: "Jij gaat nu geld halen".

10.

in de periode van 7 januari 2017 tot en met 3 mei 2017 te Amsterdam [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 5] (via WhatsApp) de woorden toegevoegd: "Ik steek jou dood" en "Ik maak jou kapot, kom straks terug, met meer mannen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 subsidiair, 8, 9 en 10bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het contact met zijn zoontje, en met het feit dat hij spijt heeft betuigd. De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest met een voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan de bijzondere voorwaarden zoals door de Reclassering is geadviseerd zijn gekoppeld met eventueel daarnaast een hoge werkstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van twee slachtoffers en bedreiging van drie slachtoffers. Uit het dossier blijkt dat de slachtoffers in (soms grote) angst hebben geleefd. Verdachte heeft zich laten leiden door eigen gewin en zoals hij ook ter zitting heeft toegegeven niet stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad voor anderen heeft. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen nog lange tijd last hebben van angstgevoelens. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] . Hij heeft het slachtoffer gestompt waardoor zijn kaak op twee plaatsen is gebroken. [slachtoffer 1] ondervindt nog dagelijks de gevolgen van de mishandeling. Hij heeft nog steeds klachten als gevolg van het letsel. Hij kan zijn kaken niet meer goed op elkaar laten aansluiten, waardoor zijn tanden voortdurend knarsen en hij hoofdpijn ondervindt. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer niet alleen fysieke schade toegebracht. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen daarvan nog geruime tijd de psychische nadelen ondervinden. Dit blijkt ook in de onderhavige zaak uit de ter zitting voorgehouden slachtofferverklaring. De mishandeling heeft invloed op het veiligheidsgevoel van [slachtoffer 1] waardoor hij ook in zijn bewegingsvrijheid is beperkt, hij durft nauwelijks zich buitenshuis te vertonen. Ook schaamt hij zich enorm voor wat hem is overkomen.

Bovendien dragen ook dit soort geweldsmisdrijven bij aan de in de samenleving heersende gevoelens van onrust en onveiligheid, in het bijzonder nu het voorval op klaarlichte dag op de openbare weg plaatsvond.

Alle bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd tegen slachtoffers met wie verdachte via op een “datingsite” geplaatste profielen in contact was gekomen. De rechtbank heeft niet de indruk gekregen dat verdachte de contacten met de slachtoffers heeft gelegd met het vooropgezette doel om hen geld afhandig te maken of anderszins onder druk te zetten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het dossier ook indicaties bevat voor normaal verlopen “dates” met anderen, en voorts hetgeen verdachte omtrent zijn belangstelling voor dit soort datingsites ter terechtzitting heeft verklaard.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Hier houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening mee.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Reclasseringsrapport van 15 augustus 2017. Het advies van de Reclassering houdt in dat aan verdachte een (deels) voorwaardelijk straf wordt opgelegd met een meldplicht, de gedragsinterventie GI-GGZ Leefstijltraining en de verplichting om zich te laten behandelen op het gebied van agressieregulatie. De rechtbank neemt de conclusie in het rapport over en maakt deze tot de hare. De rechtbank betrekt daarbij dat zij ter zitting, in het bijzonder ook uit het laatste woord, de indruk heeft gekregen dat verdachte oprecht spijt heeft van wat hij de slachtoffers heeft aangedaan en herhaling van soortgelijke feiten wil voorkomen.

De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats en zal daaraan de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank zal hierbij een proeftijd van 2 jaar vaststellen.

Reeds omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 240 uren op aan verdachte.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 840,24 aan materiële schadevergoeding en

€ 2.000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank wijst de immateriële schade toe voor zover tot op heden begroot.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2 primair en 3 bewezen geachte feiten zijn toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.840,24 (tweeduizendachthonderdveertig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

9.2

De benadeelde partij [slachtoffer 4]

Nu aan verdachte ten aanzien van feit 7 en feit 8 – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 55, 57, 285, 302, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Verklaart het onder 5, 7 en 8 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 6, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair en feit 3:

eendaadse samenloop van

afpersing

en

zware mishandeling

en

bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 9 en feit 10:

eendaadse samenloop van

afpersing

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen vijf dagen na dit vonnis moet melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering unit Amsterdam op het adres Weesperzijde 70 te Amsterdam. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

5. moet deelnemen aan de gedragsinterventie GI-GGZ Leefstijltraining.

6. zich gedurende de proeftijd onder behandeling moet stellen op het gebied van zijn agressieregulatie (delict preventie) bij het Centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Wijst toe de vordering van [slachtoffer 1] tot € 2.840,24 (tweeduizendachthonderdveertig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] € 2.840,24 (tweeduizendachthonderdveertig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 38 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2017.