Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7968

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
13/751528-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overlevering Portugal, detentieomstandigheden, individueel gevaar uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751528-16

RK nummer: 16/6341

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 september 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 mei 2016 door de Comarca de Aveiro - 1a Seccao Central Criminal, Juiz 5 (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedag] 1975,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [penitentiaire inrichting] ” te [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 1 november 2016

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 november 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Portugese taal. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de zitting van 6 december 2016., teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de Portugese autoriteit te vragen of de opgeëiste persoon na feitelijke overlevering zal worden gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Lissabon en zo ja, om meer informatie te vragen over de materiële invulling van de detentieomstandigheden aldaar.

De rechtbank heeft ter zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Zitting 6 december 2016

Met toestemming van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman is op de openbare zitting van 6 december 2016 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door een tolk in de Portugese taal.

De rechtbank heeft op 6 december 2016 het onderzoek gesloten en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. Vervolgens is bij tussenuitspraak van dezelfde datum het onderzoek ter zitting heropend en geschorst voor onbepaalde tijd in verband met de detentieomstandigheden in de Penitentiaire inrichting Lissabon. Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB uitgesteld. De rechtbank heeft verstaan dat de beslistermijnen met ingang van 6 december 2016 zijn opgeschort.

Zitting 25 april 2017

Met toestemming van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman is op de openbare zitting van 25 april 2017 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op 6 december 2016. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door een tolk in de Portugese taal. Het onderzoek ter zitting is gesloten, maar bij tussenuitspraak van 9 mei 2017 heropend en wederom geschorst voor onbepaalde tijd in verband met de detentieomstandigheden in de Penitentiaire inrichting Lissabon. De uitstelbeslissing van 6 december 2016 is gehandhaafd.

Zitting 7 september 2017

Met toestemming van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel, en de raadsman van de opgeëiste persoon is op de openbare zitting van 7 september 2017 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op 9 mei 2017. De opgeëiste persoon heeft op 26 augustus 2017 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, die daartoe gemachtigd was. Het onderzoek is ter zitting gesloten en tussenuitspraak van 14 september 2017 heropend en wederom geschorst voor onbepaalde tijd in verband met de detentieomstandigheden in de Penitentiaire inrichting Lissabon. De uitstelbeslissing van 6 december 2016 is wederom gehandhaafd. Daarnaast heeft de rechtbank bij deze tussenuitspraak beslissingen genomen omtrent de genoegzaamheid van de stukken, de strafbaarheid van de feiten en de weigeringsgronden van de artikelen 6 en 12 OLW.

Zitting 24 oktober 2017

Met toestemming van de officier van justitie, mr. R. Vorrink en de raadsman van de opgeëiste persoon is op de openbare zitting van 24 oktober 2017 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op 7 september 2017. De opgeëiste persoon heeft op 19 oktober 2017 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, die daartoe gemachtigd was.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Portugese nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, definitief geworden op 17 december 2012 (dossiernummer 273/07.8GAVGS).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog vijf jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte kopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

6 De detentieomstandigheden in de Penitentiaire inrichting Lissabon

In de uitspraak (in een andere zaak ) van 6 oktober 2016

(ECLI:NL:RBAMS:2016:6316) heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen en reëel

gevaar bestaat dat personen die in de Penitentiaire inrichting Lissabon zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Dit oordeel is gebaseerd op het rapport van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van 26 november 2013 voorzover dit betrekking heeft op de Penitentiaire inrichting Lissabon en een verslag dat de Portugese Ombudsman op 19 januari 2016 heeft opgesteld na een bezoek aan de Penitentiaire inrichting Lissabon.

Bij tussenuitspraak van 6 december 2016 heeft de rechtbank verwezen naar haar uitspraak van 6 oktober 2016 en in de onderhavige zaak geoordeeld dat bovengenoemd risico ook voor de opgeëiste persoon bestaat, kort gezegd omdat hij volgens de verkregen informatie in de Penitentiaire inrichting Lissabon zal worden geplaatst. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 5 april 2016 inzake Aranyosi en Caldǎrǎru (C-404/15 en C-659/15 PPU) en het daarin gegeven beoordelingskader.

De directeur-generaal van het Portugese gevangeniswezen heeft in een Declaration of Commitment van 27 januari 2017 de garantie gegeven dat de opgeëiste persoon maximaal 21 dagen in de Penitentiaire inrichting in Lissabon zal verblijven.

Bij tussenuitspraak van 9 mei 2017 heeft de rechtbank - kort weergegeven - geoordeeld dat zij vanwege het ontbreken van verdere gegevens over de detentieomstandigheden niet kon beoordelen of het reële gevaar dat aanwezig is door het verblijf van de opgeëiste persoon in de Penitentiaire inrichting in Lissabon door het beperken van de maximale duur van dat verblijf wordt uitgesloten. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 20 oktober 2016, met kenmerk 7334/13 (Mursic/Kroatie).

Bij brief van 31 juli 2017 heeft de Directeur generaal van het Portugese gevangeniswezen in een Declaration of Commitment ten behoeve van de opgeëiste persoon en enkele andere personen van wie de overlevering is verzocht de volgende garantie gegeven:

“As Director General of the Directorate General for Reinsertion and Prison Services of the Portuguese Ministry of Justice and within the case ID 34563 MDE, with reference to the European Arrest Warrants, and following the additional request by the Amsterdam Court transmitted to this Directorate General after the Declaration of Commitment dated 27th January, 2017, I hereby guarantee that the following individuals:

(…)

iv. [opgeëiste persoon] , (…);

if surrendered from the Netherlands pursuant to the respective European arrest warrants, in no case will be detained in any of the wards of the Prison Establishment of Lisbon that have been considered inadequate by the European Committee for the Prevention of Torture and inhuman or Degrading Treatment or Punishment, or by the Ombudsman.

Furthermore, I guarantee that the assurance herein shall be recorded in the inmates’ personal penitentiary files.”

Bij tussenuitspraak van 14 september 2017 heeft de rechtbank overwogen dat de betekenis van de in de brief van 31 juli 2017 gegeven garantie onvoldoende duidelijk is. De rechtbank zag daarom aanleiding om de Directeur generaal te vragen te bevestigen dat deze garantie inhoudt dat de opgeëiste persoon niet gedetineerd zal worden in de “basement areas” van de B, C, D en E vleugel, in cellen waarin het ontbreekt aan kunstlicht dan wel in meerpersoonscellen waarin een afscheiding van het toilet ontbreekt. Daarnaast heeft de rechtbank verzocht te bevestigen dat de op 27 januari 2017 gegeven garantie dat de opgeëiste persoon niet langer dan 21 dagen in de Penitentiaire inrichting Lissabon zal verblijven, nog steeds geldig is.

Bij brief van 18 oktober 2017 heeft de Directeur generaal van het Portugese gevangeniswezen in een Declaration of Commitment de navolgende garanties en verduidelijkingen gegeven:

“As Director General for Reinsertion and Prison Services of the Portuguese Ministry of Justice, following the additional request by the Amsterdam Court regarding pending European Arrest Warrants, I hereby guarantee and clarify:

  1. The declarations of commitment dated 31st July, 2017 and 27th January 2017, shall henceforth be deemed applicable not solely to the particular cases referenced therein, but also to all existing cases where the enforcement of a European Arrest Warrant is to result in the surrender of a person from the custody of the authorities of the Kingdom of the Netherlands to that of the Directorate General for Reinsertion and Prison Services, as well as to any such cases that may arise in the future;

  2. The aforementioned declarations of commitment shall be construed as to imply that no inmate whose custody has been surrendered by the authorities of the Kingdom of the Netherlands to that of the Directorate General for Reinsertions and Prison services pursuant to a European Arrest Warrant shall be detained in:

a. any cell, ward, room or area of the Prison Establishment of Lisbon that has been considered inadequate by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment or the Ombudsman, including the underground areas of wings B, C, D and E;

b. Prison rooms lacking artificial light; and

c. Multiple inmates’ cells with no partition of the toilet.

3. All subsequent commitments, which have been issued upon the request of the Amsterdam Court, shall be construed as accruing to the earlier ones; hence the declaration of commitment dated 27th January, remains fully in force with an extended scope as per paragraph 1, particularly in relation to the guarantee that no surrendered inmate shall be held in custody at the Prison Establishment of Lisbon for any longer than 21 days.

4. The commitments herein shall be recorded in the inmates’ personal penitentiary files.”

De rechtbank is van oordeel dat de garanties in deze laatste brief uitsluiten dat de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden in celruimte die lijdt aan een of meerdere van de door het CPT in 2013 geconstateerde ernstige gebreken die blijkens het rapport van de Ombudsman in 2016 nog actueel waren. De rechtbank concludeert dat daarmee het eerder geconstateerde reële gevaar dat de opgeëiste persoon in detentie in Portugal onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, is weggenomen. Artikel 4 van het Handvest staat dus niet langer in de weg aan (de beslissing over) de overlevering.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Comarca de Aveiro - 1a Seccao Central Criminal, Juiz 5 (Portugal) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.